vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/845052-19 Parketnummer vordering: 03/210759-17 Datum uitspraak: 27 juni 2019 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1968] , thans preventief gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B). Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 juni
(2)weken hechtenis bij iedere overtreding van de maatregel. De maatregel houdt in dat verdachte geen contact zal hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat hij zich niet in de gemeente [pleegplaats 1] zal begeven. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging kan zich vinden in de eis van de officier van justitie. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan langdurige belaging van zijn ex-vrouw en zijn dochter en het op indringende wijze meermalen bedreigen met de dood van zijn ex-vrouw en haar nieuwe partner. Verdachte heeft zijn slachtoffers aanzienlijk, mogelijk onherstelbaar, leed aangedaan. Daarbij valt in het bijzonder op dat verdachte er zelfs niet voor is teruggeschrokken om zijn eigen minderjarige dochter - zonder dat hiervoor enige aanleiding was - zodanig te benaderen dat hij zich ook ten opzichte van haar aan belaging heeft schuldig gemaakt. Hij heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van ieder van zijn slachtoffers. De belaging en bedreigingen moeten een grote indruk op hen hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen is zonder meer gebleken dat dit ook in deze zaak het geval is. Blijkens zijn strafblad is verdachte in 2018 onherroepelijk veroordeeld voor een delict in de relationele sfeer. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van verdachte. In een rapport van klinisch psycholoog M.H.C.C. Nieuwhof d.d. 22 april 2019 is verwoord dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische kenmerken heeft en dat hij verslaafd is aan alcohol. Daarnaast heeft verdachte forse problemen op het gebied van zijn verbaal begripsvermogen. Hij was evenwel bekend met het effect van alcohol op zijn (slechte) impulscontrole. Bovendien was hij ook al eerder veroordeeld naar aanleiding van een bedreiging in 2014, waarbij eveneens het gebruik van alcohol een rol speelde. Voor het aanpakken van zijn alcoholprobleem heeft verdachte nooit hulp gezocht. De deskundige ziet onvoldoende grond om te adviseren het tenlastegelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en is van oordeel dat het tenlastegelegde volledig aan verdachte is toe te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal deze gevangenisstraf evenwel voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die, gezien de ernst daarvan, een maatregel betreffende het gedrag rechtvaardigen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij van goede wil is. De rechtbank twijfelt daaraan. Het lukt verdachte tot op heden niet om zelf zijn gedrag aan te passen en ook ter terechtzitting is nog gebleken dat hij zijn eigen belang plaatst boven het belang van de slachtoffers, zelfs boven het belang van zijn dochter, die als enige contact met verdachte op de lange duur niet uitsluit. Het risico op recidive blijft daardoor hoog. De rechtbank ziet daarom grond om een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen om de slachtoffers te beschermen. Om te waarborgen dat verdachte in de nabije toekomst geen contact met hen zoekt en opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens hen gedraagt, zal de rechtbank aan hem de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor een periode van drie jaren opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich zal onthouden van elke vorm van contact met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat hij zich gedurende deze periode niet in de gemeente [pleegplaats 1] begeeft. De rechtbank zal daarbij de vervangende hechtenis stellen op twee weken per overtreding. De rechtbank zal bovendien bevelen dat het contact- en locatieverbod waaruit de maatregel bestaat, dadelijk uitvoerbaar is, omdat er naar het oordeel van de rechtbank reeds op grond van de aard van het bewezenverklaarde ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan. Dit betekent dat het contact- en locatieverbod ingaat op het tijdstip dat dit vonnis is uitgesproken. De vorderingen van de benadeelde partijen. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toewijsbaar, inclusief wettelijke rente en vordert tevens oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding gematigd dient te worden. Beoordeling. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering: immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 4.000,= en alle gevorderde materiële schadevergoeding. Voor verdere matiging acht de rechtbank geen grond aanwezig, mede gelet op de ter onderbouwing van dit gedeelte van de vordering overgelegde rechterlijke uitspraak. De immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schadevergoeding, omdat nader onderzoek dient plaats te vinden naar de gegrondheid van dit gedeelte van de vordering. De rechtbank is daarom van oordeel dat behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] : De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening. Voor matiging acht de rechtbank geen grond aanwezig, mede gelet op de ter onderbouwing van dit gedeelte van de vordering overgelegde rechterlijke uitspraak. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 03/210759-
- De rechtbank zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat is gebleken dat er thans geen openstaande voorwaardelijke straf (meer) is die ten uitvoer gelegd kan worden. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 285b. Voorlopige hechtenis. De rechtbank zal gelet op de aan verdachte op te leggen straf bepalen dat het ten aanzien van verdachte geldende bevel tot voorlopige hechtenis wordt beëindigd op het in het dictum omschreven tijdstip. DE UITSPRAAK De rechtbank: verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: T.a.v. feit 1: Belaging T.a.v. feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd T.a.v. feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd verklaart verdachte hiervoor strafbaar. legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en): T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden : Meldplicht bij reclassering Verdachte meldt zich binnen 72 uur na het einde van zijn detentie in deze zaak in persoon bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op het adres dr. Poletlaan 74 te Eindhoven. Betrokkene blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Ambulante behandelingVerdachte laat zich behandelen door de forensische polikliniek De Omslag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)Verdachte laat zich behandelen door Novadic-Kentron verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. AlcoholverbodVerdachte gebruikt geen alcohol en werkt mee aan controle op dit alcoholverbod.De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd. Een mogelijk controlemiddel is urineonderzoek. Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, wordt daarbij opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaar. Legt op de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich gedurende 3 jaren – direct of indirect – te onthouden van contact met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat veroordeelde wordt bevolen zich gedurende die periode niet in de gemeente [pleegplaats 1] op te houden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is. T.a.v. feit 1, feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 4.600,35 subsidiair 56 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 4.600,35 (zegge: vierduizend zeshonderd euro en vijfendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 4.000,= immateriële schadevergoeding en € 600,35 materiële schadevergoeding (posten "reiskosten", "verlies van arbeidsvermogen" en "therapiekosten"). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 4.600,35 (zegge: vierduizend zeshonderd euro en vijfendertig eurocent euro), te weten € 4.000,= immateriële schadevergoeding en € 600,35 materiële schadevergoeding (posten "reiskosten", "verlies van arbeidsvermogen" en "therapiekosten”). De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering betrekking hebbende op de immateriële schade niet ontvankelijk is. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. T.a.v. feit 3:Maatregel van schadevergoeding van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van € 750,= (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 750,= (zegge: zevenhonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen. Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering met parketnummer 03/210759-
- Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr. T. van de Woestijne, voorzitter, mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. W. Heijninck, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier, en is uitgesproken op 27 juni
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, District ’s-Hertogenbosch, Basisteam Meijerij, genummerd PL2100-2019038463z, aantal pagina’s:
- Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.