← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2019:5088

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 19/2033 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 september 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder (gemachtigde: mr. E.M. Vrijsen). Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 9 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft op 1 augustus 2019 tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september

  1. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  3. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
  4. Verzoekster heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat de beroepszaak waarschijnlijk pas medio november 2019 of nog later plaatsvindt, terwijl verzoekster al ongeveer een jaar geen inkomsten heeft en vanaf 1 juli 2018 bij haar moeder inwoont en door haar wordt onderhouden. In dit verband verwijst verzoekster naar een verklaring van haar moeder van 1 juni 2019, waarin zij verklaart dat zij de noodzakelijke kosten van verzoekster voldoet sinds 1 juni
  5. Verzoekster geeft aan dat zij met haar zoontje noodgedwongen bij haar moeder inwoont, terwijl de kosten voor haar moeder verder oplopen en verzoekster geen recht heeft op kindgebonden budget en zorgtoeslag omdat het inkomen van haar moeder als zijnde toeslagpartner te hoog is. Niet verwacht kan worden dat haar moeder nog langer alle kosten voor haar rekening neemt. Het spaargeld van moeder begint ook op te raken.
  6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat thans sprake is van een financieel spoedeisend belang – naar vaste rechtspraak: een financiële noodsituatie – bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. Dat de beroepszaak van verzoekster waarschijnlijk pas op zijn vroegst medio november 2019 wordt behandeld maakt op zichzelf niet dat sprake is van een spoedeisend belang.
  7. Verzoekster woont bij haar moeder en wordt door haar (financieel) onderhouden. Verzoekster heeft niet onderbouwd dat haar moeder hiertoe financieel niet meer in staat is of op korte termijn hiertoe niet meer in staat zal zijn.
  8. Verzoekster heeft het afgelopen jaar geen nieuwe bijstandsaanvraag ingediend. Ook dit gegeven duidt niet op een financiële noodsituatie.
  9. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek moet worden afgewezen.In de beroepszaak zullen de door verzoekster aangevoerde inhoudelijke beroepsgronden tegen het bestreden besluit worden beoordeeld.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J.W. Hermans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Proudian, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 september
  11. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.