← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2019:7820

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer: WR 19/029 Beslissing van 20 september 2019 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekers] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoekers, strekkende tot de wraking van mr. H.M.H. de Koning, mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en mr. S.M.J. Korthuis-Becks, rechters in deze rechtbank en leden van de wrakingskamer in zaak WR 19/

  1. 1Procesverloop Verzoekers zijn gedaagden in de bij deze rechtbank aanhangig gemaakte civiele procedure (kanton) met zaaknummer 7423491 \ CV EXPL 18-
  2. Verzoekers hebben de rechter die die zaak behandelt, mr. J.M.J. Godrie, bij brief van 19 augustus 2019 gewraakt. Bij beslissing van 4 september 2019 (zaak WR 19/027) heeft de wrakingskamer, bestaande uit de hiervoor genoemde gewraakte rechters, dit wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben bij brief van 10 september 2019, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 11 september 2019, de wrakingskamer gewraakt. 2De beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1 Een wrakingsverzoek wordt in beginsel ter zitting behandeld (artikel 39 lid 1 Rv). De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek echter op grond van artikel 9.1 aanhef en sub c, van het Wrakingsprotocol rechtbank Oost-Brabant zonder behandeling ter zitting aanstonds afdoen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek, wanneer dat verzoek is ingediend ná het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De wet voorziet immers niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan (HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2366). 2.2 Zoals onder ‘Procesverloop’ is vermeld, heeft de wrakingskamer, bestaande uit de hiervoor genoemde gewraakte rechters, reeds op 4 september 2019 beslist op het tegen mr. Godrie gerichte wrakingsverzoek. Het nu aan de orde zijde wrakingsverzoek is ingediend na die beslissing en is reeds daarom kennelijk niet-ontvankelijk. 2.3 Gelet op het voorgaande is van een mondelinge behandeling afgezien. 2.4 Verzoekers hebben in hun brief niet alleen de wrakingskamer gewraakt, maar ook uiteengezet waarom de beslissing van 4 september 2019 volgens hen onjuist is. Verzoekers hebben in hun brief verder aangegeven, voor zover van belang: “Voor zover Verweerder (de wrakingskamer leest: verzoekers) als niet-jurist een onjuiste weg bewandelt (…) dan verneemt Verweerder zulks vanzelfsprekend graag van u”. De wrakingskamer wijst verzoekers er daarom op dat tegen de beslissing van 4 september 2019 geen rechtsmiddel open staat (artikel 39 lid 5 Rv). 3De beslissing De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Deze beslissing is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en mr. T. van de Woestijne, leden, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier. griffier voorzitter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.