← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2020:1122

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 19/3107 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , in [woonplaats] , eiser en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister (gemachtigden: mr. S. Heersink en L. Beekmans). Procesverloop Bij besluit van 13 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft de minister drie verzoeken van eiser om documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari

  1. Eiser is naar de zitting gekomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. De minister heeft aan eiser een last onder dwangsom opgelegd omdat tijdens een controle op 25 juni 2019 door een inspecteur van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) overtredingen van het Besluit houders dieren (hierna: het Besluit) zijn geconstateerd bij het bedrijf van eiser.
  4. Eiser heeft naar aanleiding van de aan hem opgelegde last onder dwangsom drie Wob- verzoeken bij de minister ingediend waarin hij verzoekt om de volgende informatie openbaar te maken: Een e-mailbericht van 30 juli 2019 (kenmerk 19-0937) waarin hij verzoekt om de interne NVWA richtlijnen waaraan een toezichthouder of inspecteur zich moet houden bij de bepaling van lichtintensiteit. Ook vraagt hij om de relevante wet- en regelgeving toe te sturen of een link naar de juiste website; Een e-mailbericht van 2 augustus 2019 (kenmerk: 19-0964) waarin hij verzoekt om de interne NVWA richtlijnen waar een toezichthouder of inspecteur zich moet houden bij de bepaling van de hoeveelheid kattenbakvulling in een kattenbak; Een e-mailbericht van 7 augustus 2019 (kenmerk: 19-0992) waarin hij verzoekt om een kopie van de “Richtsnoeren voor handhaving”.
  5. De minister heeft de onder punt 3 genoemde Wob-verzoeken in het primaire besluit afgewezen en die afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Volgens de minister vallen de verzoeken van eiser niet onder de reikwijdte van de Wob omdat de gevraagde informatie al openbaar is. Verdere stukken, zoals richtlijnen of werkinstructies zijn er niet.
  6. De rechtbank stelt allereerst vast dat in deze procedure enkel het bestreden besluit met de drie eerder genoemde Wob-verzoeken beoordeeld wordt. Anders dan eiser wenst, zullen zijn beroepsgronden die zien op de last onder dwangsom en de andere ingediende Wob-verzoeken niet worden besproken. Deze vallen buiten de omvang van het geding.
  7. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
  8. . . Namens de minister is op de zitting met voorbeelden toegelicht dat de constateringen in het geval van eiser visueel konden worden vastgesteld. Nadere regels zijn daarvoor volgens de minister niet nodig en die bestaan daarom ook niet. De rechtbank vindt de mededeling van de minister dat de door eiser gevraagde documenten niet bestaan, niet ongeloofwaardig
  9. In beroep heeft eiser enkel aangevoerd dat hij niet kan geloven dat er geen interne richtlijnen zijn en dat de controles alleen worden uitgevoerd aan de hand van de open normen. De rechtbank vindt dat eiser daarmee het bestaan van de gevraagde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank vindt daarom dat de minister de drie Wob-verzoeken terecht heeft afgewezen en heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar de relevante (al openbare) wet- en regelgeving.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  11. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van I. van der Wijngaart, griffier, op 11 februari
  12. griffier rechter Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 21 februari 2020 bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2617 en de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:305

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.