RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: SHE 18/2682 en SHE 19/218 t/m SHE 19/247 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaken tussen [eisers] , allen te [woonplaats] , eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder (gemachtigde: mr. P.W.G.M. Christophe). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Four Apes B.V. (vergunninghoudster), te Oisterwijk. Procesverloop In het besluit van 15 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor de realisering van een trampolinecentrum genaamd Jump XL, in de San Salvatorkerk aan de Schaarhuisstraat 14 te ’s-Hertogenbosch (de projectlocatie). In (afzonderlijke) besluiten van 21 september 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de hierboven genoemde zaaknummers. Aan de uitspraak is een (niet op rechtspraak.nl gepubliceerde) bijlage gehecht met een overzicht van de eisers en de zaaknummers. De zaken zijn behandeld op 29 oktober 2019. Een groot deel van de eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is niet verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Deze zaak gaat over de realisering van een trampolinecentrum in een voormalige kerk, de San Salvatorkerk. In deze uitspraak zal de rechtbank eerst de feiten op een rij zetten. Daarna worden de beroepsgronden van eisers behandeld. Een aantal van deze beroepsgronden slaagt. De bestreden besluiten kloppen niet en worden daarom vernietigd. De rechtbank legt hieronder uit wat er aan schort. In een tweede bijlage bij deze uitspraak worden de belangrijkste wetten en regels genoemd. Feiten 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 2.1 De San Salvatorkerk is een kerkgebouw aan het Schaarhuissplein in het stadsdeel Orthen in ’s-Hertogenbosch. Het gebouw is in 2015 aan de eredienst onttrokken. Het gebouw is een gemeentelijk monument. Het perceel (de projectlocatie) heeft op grond van het bestemmingsplan “Noord” de bestemming “Maatschappelijk” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. 2.2 Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend om in het gebouw een trampolinecentrum voor recreatieve doeleinden onder te brengen. Dit beoogde gebruik is in strijd met de bestemming “Maatschappelijk” (artikel 11.1 van de planregels). Verweerder wil meewerken aan dit plan. Verweerder heeft de omwonenden van de projectlocatie de mogelijkheid gegeven om een reactie te geven op zijn voornemen om van het bestemmingsplan af te wijken. Een aantal omwonenden hebben ingesproken. Deze inspraakreacties heeft verweerder beoordeeld in een inspraakverslag. 2.3 De aanvraag is ook behandeld in de vergadering van de Monumentencommissie. Deze commissie heeft positief geadviseerd over het bouwplan, met als voorwaarde dat de gehele inbouw reversibel wordt aangebracht (dat wil zeggen dat alles wat binnen wordt veranderd, ook weer ongedaan kan worden gemaakt). Verweerder heeft het advies van de Monumentencommissie overgenomen. Het bouwplan voorziet in het behoud van de kunstwerken die zijn genoemd op de lijst van de afdeling Erfgoed. 3.1 Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met gebruikmaking van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a. onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen samen met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verweerder heeft zijn beslissing gemotiveerd door te verwijzen naar de “Ruimtelijke motivatie herinvulling voormalig kerkgebouw Schaarhuisstraat 14 Orthen (San Salvatorkerk)’. 3.2 Omdat het de rechtbank niet duidelijk was wat nu precies is besloten, heeft de rechtbank dit onderzocht op de zitting. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij alleen is afgeweken van de bestemming in het bestemmingsplan. Hij heeft niet besloten om ook af te wijken van de parkeervoorschriften in de planregels. Er is omgevingsvergunning verleend voor verschillende activiteiten, namelijk bouwen, gebruik in strijd met het bestemmingsplan en het verrichten van handelingen in een gemeentelijk monument (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo). Aan het bestreden besluit is een voorschrift verbonden waarin openingstijden zijn opgenomen. In het bestreden besluit worden ook andere openingstijden genoemd in de aanvangsperiode, maar verweerder heeft niet bedoeld dat hiermee het voorschrift wordt veranderd. Ook staat in het bestreden besluit dat er ondersteunende horeca zal komen en dat er geen alcoholhoudende drank wordt geschonken. Dit stond niet zo uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning. Ook dit zijn echter geen aanvullende voorschriften. De beoordeling van de beroepen. Inleiding 4. Verweerder heeft de rechtbank na de zitting medegedeeld dat de vergunning op verzoek van vergunninghoudster is ingetrokken. De rechtbank heeft zichzelf daarna afgevraagd of eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen de bestreden besluiten. Het procesbelang wordt evenwel beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn uiterlijk op de zitting (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301). Toen was er procesbelang, want op dat moment was de vergunning nog niet ingetrokken. Daarom zal de rechtbank de beroepen inhoudelijk beoordelen. 5.1 De beroepsgronden van eisers richten zich niet tegen de omgevingsvergunning met betrekking tot het verrichten van handelingen in een gemeentelijk monument. Eisers hebben beroep ingesteld omdat zij bang zijn voor overlast vanwege het trampolinecentrum, zoals parkeeroverlast en geluidsoverlast. Zij zijn bang dat hun leefomgeving wordt aangetast. 5.2 Verweerder moet bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan beoordelen of de goede ruimtelijke ordening in het gedrang komt. Hierbij wordt ook gekeken naar de gevolgen voor de leefomgeving van eisers. 5.3 De rechtbank zal in deze uitspraak beoordelen of de verschillende vormen van overlast goed zijn ingeschat door verweerder. Dat zal hieronder worden uitgewerkt. Parkeren 6.1 Eisers stellen dat er wordt gehandeld in strijd met planregel 11.2.1 van het bestemmingsplan. In deze planregel is een verplichting opgenomen om te parkeren op eigen terrein. 6.2 Verweerder beschouwt het Schaarhuisplein als een ‘eigen terrein’ bij de projectlocatie en vindt dat hij daarom geen vergunning hoefde te verlenen voor het afwijken van deze planregel. 6.3 Op basis van planregel 11.2.1 geldt als hoofdregel dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn op eigen terrein. In het bestemmingsplan is het begrip ‘eigen terrein’ niet nader gedefinieerd. Ook de toelichting van het bestemmingsplan biedt hierover geen duidelijkheid. De rechtbank sluit daarom aan bij het algemeen spraakgebruik. De rechtbank beschouwt een ‘eigen terrein’ als een terrein waarover de rechthebbende de exclusieve beschikking heeft. Met andere woorden, alleen de rechthebbende mag bepalen wie er mag komen of wie er mag parkeren. Het Schaarhuisplein is een plein voor het kerkgebouw waar iedereen mag komen en dat behoort tot de openbare weg. Weliswaar hoort het plein van oudsher bij het kerkgebouw, maar iedereen mag er parkeren, ook personen die de kerk niet bezoeken. De rechtbank beschouwt het Schaarhuisplein niet als ‘eigen terrein’ in de zin van planregel 11.2.1. Vergunninghoudster wil de bezoekers van het trampolinecentrum vooral op het Schaarhuisplein laten parkeren. Dat is in strijd met planregel 11.2.1. Verweerder kan wel afwijken van planregel 11.2.1, maar moet dan wel het toepassingskader in planregel 11.4.1 volgen. Dat is in de omgevingsvergunning en in het bestreden besluit niet gebeurd. De omgevingsvergunning heft de strijd met het bestemmingsplan niet volledig op. De motivering van het bestreden besluit berust op een verkeerde grondslag. Deze beroepsgrond slaagt dus. 7.1 Eisers zeggen ook dat verweerder en vergunninghoudster ten onrechte geen gebruik maken van een stuk grond dat wel op de projectlocatie ligt. 7.2 Verweerder heeft hiervoor de noodzaak niet ingezien omdat hij dacht dat het Schaarhuisplein voldoende parkeergelegenheid biedt. 7.3 Bij de kerk is een stukje grond beschikbaar. Op het eerste gezicht valt niet in te zien waarom hier niet zou kunnen worden geparkeerd, al is het veel te klein om te voorzien in de parkeerbehoefte van het trampolinecentrum. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder, als hij wil afwijken van voorschrift 11.4.1, eerst moet bekijken of parkeren op dit stukje grond mogelijk is. Als dit het geval is, ligt het voor de hand dat ook dit stukje grond wordt gebruikt en dat slechts ten behoeve van de resterende parkeerbehoefte wordt afgeweken van planregel 11.2.1. Hierbij zal verweerder wel de andere toepassingsvoorwaarde moeten onderzoeken, namelijk de eis dat de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast. Dat heeft verweerder allemaal niet gedaan in de omgevingsvergunning en het bestreden besluit, dus deze beroepsgrond slaagt ook. 8.1 Eisers zeggen dat verweerder de parkeerbehoefte verkeerd heeft ingeschat. Verweerder is in de ruimtelijke motivatie afgegaan op een parkeernorm die hoort bij het gebruik als sporthal. Volgens eisers had verweerder moeten aansluiten bij de parkeernorm die hoort bij het gebruik als indoor speeltuin. Zij wijzen hierbij op de doelgroep van het trampolinecentrum (kinderen en niet altijd sporters), de formule (niet alleen sporten maar ook ontspanning en kinderfeestjes), het verzorgingsgebied (niet alleen lokaal maar een veel groter regionaal gebied). Ook de inschatting van de feitelijke parkeerdruk, het aantal begeleiders van kinderen en de duur van een verblijf zijn volgens eisers verkeerd ingeschat. 8.2 Volgens verweerder is terecht aangesloten bij de functie sporthal, gelet op de doelgroep, formule en het verzorgingsgebied. Volgens verweerder is het zeker geen indoor speeltuin omdat er een afspraakregime wordt gehanteerd waarbij bezoekers van tevoren een uur springtijd kunnen reserveren. Dat is in een indoor speeltuin anders, aldus verweerder. 8.3 In opdracht van vergunninghoudster heeft RA Infra een onderzoek uitgevoerd. Hierbij is ook de parkeerbehoefte ingeschat op basis van de Nota Parkeernormering 2016 van de gemeente Den Bosch (de Nota). In de bijbehorende stukken zijn de parkeerplaatsen in de omgeving in kaart gebracht en de parkeerdruk op verschillende momenten. Ook is gekeken naar de parkeerdruk bij andere vestigingen van vergunninghoudster. 8.4 Beide partijen sluiten aan bij parkeernormen in de Nota. In het bestemmingsplan wordt niet naar de Nota verwezen, maar desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat hij deze Nota altijd hanteert bij de beoordeling van de parkeerbehoefte. De rechtbank zal daarom ook van deze Nota uitgaan. In de Nota is de parkeerbehoefte bij een sporthal in dit gebied 2,65 parkeerplaats per 100 m² vloeroppervlakte. De parkeerbehoefte bij een indoor speeltuin is 4,4 parkeerplaats per 100 m². In de Nota staat geen parkeernorm voor een trampolinecentrum. 8.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft onderbouwd waarom is aangesloten bij de functie sporthal. Er zijn nogal wat verschillen tussen het trampolinecentrum en een sporthal. Eisers hebben terecht opgemerkt dat het verzorgingsgebied groter is (met als gevolg dat waarschijnlijk meer mensen met de auto gaan komen). Ook de doelgroep is anders. Gelet op de website lijkt vergunninghoudster vooral kinderen als doelgroep te hebben en in een sporthal komen normaliter mensen van alle leeftijden. Op dezelfde website is ook te zien dat er niet alleen wordt gesprongen in de trampolinecentra, maar dat er volledig verzorgde kinderfeestjes als arrangement worden aangeboden. Ook dat zie je niet in de gemiddelde sporthal. De rechtbank is nagegaan welke parkeernormen in andere uitspraken worden gebruikt. In de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 november 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:5030) vond de rechtbank dat de betreffende gemeente heeft kunnen aansluiten bij de parkeernorm voor een indoor speeltuin (van 4,7 parkeerplaats per 100 m²). De rechtbank Limburg vond in de uitspraak van 2 oktober 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:9249), dat de betreffende gemeente heeft kunnen middelen tussen de parkeernorm van een sporthal en een indoor speeltuin. Deze twee uitspraken bevestigen deze rechtbank in het oordeel dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen aansluiten bij de parkeernorm van een sporthal. 9.1 Eisers hebben ook gesteld dat de parkeerbehoefte niet kan worden opgevangen door de omgeving gelet op het aantal parkeerplaatsen op het Schaarhuisplein en in de omgeving (ze hebben kritiek op de uitgevoerde parkeermetingen). Zij vrezen ook dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt en merken in dit verband op dat de verkeersveiligheidsonderzoeken uitgaan van de verkeerde hoeveelheid verkeersbewegingen. 9.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder zich ten aanzien van de risico’s voor de verkeersveiligheid en mogelijke parkeeroverlast in de wijk heeft laten leiden door een aantal bezoekers gekoppeld aan een sporthal. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft onderbouwd dat er voldoende parkeergelegenheid is op het Schaarhuisplein en in de omliggende straten en dat de verkeersafwikkeling voldoende veilig is gelet op de hoeveelheid bezoekers (en auto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.