← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2020:2287

beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer : C/01/356299 / FA RK 20-953 Uitspraak : 10 april 2020 Beschikking betreffende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van: [cliënt] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres en woonplaats] hierna te noemen: de cliënt, advocaat: mr. P.J.A. van de Laar. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 9 maart

  1. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: het indicatiebesluit van 25 oktober 2019; het besluit onderzoek toepassing artikel 60 Wet Bopz, van 25 oktober 2019; de aanvraag van 18 februari 2020; de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam] op 5 maart
  2. Op 10 april 2020 heeft de rechtbank partijen telefonisch gehoord, omdat als gevolg van het Covid-19-virus geen mondelinge behandeling in elkaars aanwezigheid op locatie kon plaatsvinden. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord: cliënt, bijgestaan door zijn advocaat; de echtgenote, [naam] ; de casemanager, [naam] . Vervolgens is de beschikking bepaald op heden. De beoordeling De echtgenote heeft tijdens het telefonisch horen medegedeeld dat zij vanwege de maatregelen die zijn genomen rondom het Covid-19-virus, niet wil dat cliënt in een accommodatie wordt opgenomen. Zij wil cliënt kunnen bijstaan en vind het vervelend dat zij hem niet mag bezoeken wanneer hij wordt opgenomen. Daarnaast komen cliënt en zijn echtgenote door het Covid-19-virus niet buiten, waardoor cliënt minder prikkels krijgt en daardoor minder agressief gedrag vertoont. c De advocaat van cliënt bepleit het verzoek af te wijzen, omdat niet vaststaat hoe lang de maatregelen die zijn genomen vanwege het Covid-19-virus nog in stand blijven. De casemanager verzet zich niet tegen een aanhouding of afwijzing van het verzoek, mits de veiligheid van cliënt en/of de echtgenote niet in het gedrang komt. Eventueel kan de dosis van de medicatie die het agressieve gedrag van cliënt indamt verhoogd worden. De casemanager heeft daarbij wel benadrukt dat er nu een plek beschikbaar is in [gemeente] en dat zij niet kan garanderen dat dit ook het geval zal zijn als op termijn een opname van cliënt onafwendbaar is. De rechtbank zal het verzoek van het CIZ gelet op bovenstaande aanhouden voor de duur van vier weken met het verzoek aan de casemanager en de advocaat om uiterlijk 8 mei 2020 te berichten over de stand van zaken en aan te geven of een verdere mondelinge behandeling van het verzoek wenselijk is. Indien voor die datum een wijziging van de situatie optreedt, niet zijnde een crisissituatie, staat het de casemanager en de advocaat vrij om de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen. De rechtbank zal dan een beslissing nemen over de voorgang van de procedure. De beslissing De rechtbank: houdt het verzoek aan tot 8 mei 2020 en verzoekt de casemanager en de advocaat om de rechtbank uiterlijk 8 mei 2020 te berichten over de stand van zaken. Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Brunt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020 in aanwezigheid van de griffier. Conc: MW-C Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.