← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2020:2547

beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer : C/01/357829 / FA RK 20-1807 Uitspraak : 28 april 2020 Beschikking machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van: [naam cliënt] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats en adres] , verblijvende: [naam en adres instelling] , hierna te noemen: de cliënt, advocaat: mr. M. Hulstein. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 april

  1. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: het indicatiebesluit d.d. 29 oktober 2018; de beschikking van de burgemeester d.d. 22 april 2020; de medische verklaring d.d. 22 april 2020; een e-mailbericht van [naam] , psychiater d.d. 23 april
  2. De behandeling van het verzoek heeft op 28 april 2020 telefonisch plaatsgevonden, omdat als gevolg van het COVID-19-virus geen mondelinge behandeling in elkaars aanwezigheid op de verblijfplaats van cliënt kan plaatsvinden. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord: de advocaat van cliënt mr. M. Hulstein; de specialist ouderengeneeskunde mevrouw [naam] ; de specialist ouderengeneeskunde in opleiding mevrouw [naam] ; de zoon van cliënt de heer [naam] . De rechtbank heeft op grond van het navolgende vastgesteld dat de cliënt niet in staat is gehoord te worden op het verzoek. De specialist ouderengeneeskunde en de specialist ouderengeneeskunde in opleiding hebben aangegeven dat het betrekken van cliënt bij de behandeling van dit verzoek, niet ten goede komt aan haar gezondheid. Zij is wilsonbekwaam te achten ten aanzien van het verzoek en zij zal doordat zij dingen niet begrijpt onrustig worden. Dan wordt het risico gelopen dat er rustgevende medicatie ingezet dient te worden hetgeen nu voorkomen wordt. De advocaat van cliënt heeft ingestemd met de behandeling van het verzoek zonder dat haar cliënt daarbij wordt gehoord. De beoordeling Op 22 april 2020 heeft de burgemeester van de gemeente Eindhoven ten behoeve van de cliënt een last tot inbewaringstelling afgegeven. Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de cliënt als gevolg van de ziekte van Alzheimer in combinatie met het COVID-19-virus dit ernstig nadeel veroorzaakt. Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is gelegen in het feit dat de algemene veiligheid van personen in gevaar is. Cliënt is positief getest op het COVID-19-virus, maar houdt geen rekening met de COVID-19-maatregelen doordat zij geen ziektebesef en/of -inzicht heeft. Cliënt woont in een verzorgingstehuis en zij brengt daarmee anderen en voornamelijk kwetsbare oudere mensen in gevaar. Zij verblijft sinds 22 april 2020 op de Covid afdeling van het verpleegtehuis. Op die wijze kan worden voorkomen dat zij anderen besmet met het Coronavirus. Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Cliënt heeft in de zes dagen dat zij is opgenomen in de huidige accommodatie blijk gegeven van afwisselend verzet tegen de opname en het accepteren van die opname. Nu betrokkene in verband met de gestelde diagnose wilsonbekwaam wordt geacht ten aanzien van dit verzoek, zij wisselend is in het wel en niet accepteren van de plaatsing en er in het afgelopen weekend nog sederende medicatie nodig is geweest omdat cliënt met een taxi naar huis wilde reizen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van verzet in de zin van de WZD. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken, en geldt aldus tot en met 9 juni
  3. Ter zitting is aangegeven dat cliënt terug kan naar het verzorgingstehuis zodra zij niet meer besmettelijk is. Nu dat tijdstip nog onzeker is wordt het verzoek voor de verzochte duur toegewezen. De beslissing De rechtbank: verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van: [naam cliënt] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ; bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 9 juni
  4. Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Willemse-Schwering, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020 in aanwezigheid van de griffier. Conc: SvdB Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.