vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven zaaknummer / rolnummer: C/01/334860 / HA ZA 18-377 Vonnis van 13 mei 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. M.H.C. Morshuis te 's-Gravenhage, tegen [gedaagde] , mede in haar hoedanigheid van executeur, afwikkelingsbewindvoerder, erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van na te noemen erflaatster, wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. M.K. de Bruin te Leusden. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
(6)maanden na mijn overlijden schriftelijk aan mijn erfgenamen kenbaar te maken of zij dit legaat al dan niet wil aanvaarden en zo ja, welke goederen zij alsdan wenst te verkiezen. Betalingsregeling Indien en voor zover prompte uitkering van voormelde inbreng voor mijn dochter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid financieel niet haalbaar is en/of voortzetting van mijn bedrijf (te weten Nail Line B.V., maar tevens mijn aan deze vennootschap ter beschikking gestelde bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend, [kadastraal nummer] ) zonder deze beschikking in ernstige mate zou worden bemoeilijkt, is mijn dochter niet verplicht de inbreng te voldoen in contanten doch heeft zij de bevoegdheid het bedrag van de inbreng schuldig te erkennen. De uitbetaling zal alsdan geschieden in ten hoogste tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn opeisbaar zal zijn op de eerste januari volgende op mijn overlijden. (...) Rente Over het nog niet betaalde deel van de vorderingen is jaarlijks een rente verschuldigd die door mijn erfgenamen in onderling overleg dient te worden vastgesteld. Zo zij het hierover niet eens kunnen worden, zal jaarlijks een rente verschuldigd zijn gelijk aan de gemiddelde wettelijke rente van het jaar voorafgaand aan de jaarlijkse aflossing op 1 januari. Zekerheid Indien een of meer van de erfgenamen dat verlangt, is mijn genoemde dochter verplicht zekerheid te stellen voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichtingen. (...) ERFSTELLING Ik benoem mijn beide kinderen tot mijn enige erfgenamen, met toepassing van de wettelijke regels omtrent plaatsvervulling, welke plaatsvervulling in voorkomend geval voor eventuele aanwas zal gaan. Het erfdeel van mijn zoon, de heer [eiser] , geboren te [plaats] op [datum] , is gelijk aan zijn wettelijk minimum erfdeel (legitieme portie). Het overige deel is voor mijn genoemde dochter. (...) VI WAARDERING De waardering van de goederen geschiedt in onderling overleg. Bij gebreke van overeenstemming tussen mijn erfgenamen binnen acht maanden na mijn overlijden, zal de waardering moeten geschieden door een deskundige. Kunnen mijn erfgenamen het niet eens worden over de benoeming van een deskundige, dan geschiedt de benoeming overeenkomstig artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. VIII EXECUTELE/AFWIKKELINGSBEWIND Ik benoem mijn genoemde dochter tot executeur, hierna te noemen de executeur, voor welke benoeming de volgende bepalingen gelden:
- Taak executeur/bevoegdheid De executeur heeft tot taak mijn begrafenis of crematie te (doen) verzorgen, de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de erfbelasting die ten laste komt van erfgenamen of legatarissen. In verband met de betaling van de schulden is de executeur bevoegd de door hem beheerde goederen van mijn nalatenschap te gelde te maken. De executeur behoeft over de keuze en de te gelde making niet in overleg te treden met de erfgenamen en toestemming daarvoor is ook niet vereist. (...)
- Vertegenwoordiging De executeur vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak mijn erfgenamen in en buiten rechte. De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden (selbsteintritt). (…)
- Bepalingen afwikkelingsbewind In het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van mijn nalatenschap breid ik de taak van de executeur uit met de instelling van een bewind over de erfdelen van mijn erfgenamen en benoem ik mijn genoemde dochter tot bewindvoerder. (...) 2.
- [gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. [eiser] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. 2.
- Erflaatster was eigenaresse van twee onroerende zaken, aan de [adres] en [adres] te [plaats] . [gedaagde] heeft deze onroerende zaken op 15 augustus 2013 laten taxeren door een makelaar, die de gezamenlijke waarde heeft bepaald op € 650.000,00 per 15 augustus
- 2.
- [eiser] heeft de onroerende zaken eveneens laten taxeren. De door hem ingeschakelde makelaar heeft de gezamenlijke waarde van de panden bepaald op € 830.000,
- 2.
- Op 22 oktober 2013 heeft [eiser] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: "Volgens mij ben ik in de laatste meeting heel duidelijk geweest, om de afwikkeling nalatenschap als 1-geheel te zien. De punten waaronder de inboedel is een principe akkoord, als we het ook eens zijn over de andere punten. Jammer genoeg komen we niet uit de waardebepaling van de panden en ben ik vrij om een voorstel te doen om eruit te komen. Om nog meer werk, kosten, energie en lange mailtjes te voorkomen herhaal ik nog even het voorstel (…) Mocht [gedaagde] zich hierin niet kunnen vinden, dan moeten we het anders oplossen en hebben we een 3e taxateur nodig. Deze 3e taxateur kan bepaald worden door de 2 makelaars die de taxaties al hebben gedaan. De uitkomst van die taxatie is dan onafhankelijk en bindend". 2.
- In een op 8 november 2013 door [eiser] en op 10 november 2013 door [gedaagde] ondertekend stuk met als onderwerp “Vaststellingsovereenkomst taxatie [adres] en [adres] ” zijn partijen het volgende overeengekomen: “Beide partijen hebben een taxatie aangevraagd betreffende panden [adres] en [adres] . De taxaties van makelaar MVGM, heer [naam taxateur 1]
(2016). De rechtbank zal bij een nader vonnis een deskundige benoemen en deze de volgende vragen voorleggen: wat is volgens u de meest aangewezen maatstaf voor de waardering van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V.? wat is, uitgaande van die maatstaf, de waarde van die aandelen? ad 3. Saldi van bankrekeningen 4.23. Tussen partijen bestaat overeenstemming over het bestaan van de volgende bankrekeningen en het saldo op de sterfdatum: Rabo betaalrekening [rekeningnummer] met een saldo van € 1.001,75 ING bank rekening [rekeningnummer] met een saldo van € 1.649,36. 4.24. In geschil zijn de volgende rekeningen: 4.24.1. ABN AMRO [rekeningnummer] : [eiser] voert aan dat uit hem bekende bankafschriften blijkt dat maandelijks een bedrag van € 227,80 van voormelde ING rekening werd overgeboekt naar dit rekeningnummer bij ABN AMRO onder de vermelding 'automatische incassotermijnbedrag' met contractnummer [contractnummer] . Volgens [gedaagde] gaat het om een flexibel krediet, waarvan zij het bestaan voor het overlijden van erflaatster niet kende. Zij stelt dat zij de rekening na het overlijden heeft opgeheven en dat er geen saldo op stond. Zij heeft [eiser] hierover reeds geïnformeerd en van meet af aan aangegeven dat het hem vrijstaat een en ander te verifiëren. Volgens haar wil ABN AMRO geen schriftelijke informatie verschaffen en moet [eiser] zelf maar contact moet opnemen met de ABN-AMRO bank. De rechtbank overweegt dat [eiser] erfgenaam is. Als zodanig heeft hij als rechtsopvolger onder algemene titel de mogelijkheid om zelf bij de bank het verloop van het banksaldo van erflaatster in te zien en bankafschriften op te vragen. In zoverre stelt [gedaagde] terecht dat [eiser] hier ook gebruik had kunnen maken van zijn eigen rechten. Maar hier speelt dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij over de boekhouding van erflaatster beschikt. [eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenamen deelgenoten en zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW). De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en samenstelling van die nalatenschap van belang kunnen zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] [eiser] ongehinderde toegang tot de boekhouding van erflaatster zal geven, waaronder onder meer, maar niet beperkt tot, alle gegevens met betrekking tot de bankrekeningen van erflaatster. Daarbij heeft de rechtbank goede notie genomen van het aanbod van (de advocaat van) [gedaagde] om nadere gegevens in het geding te brengen. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen een nadere akte te nemen om zich erover uit te laten welke inzichten in de administratie van erflaatster hem hebben gebracht. 4.24.2. OHRA [rekeningnummer] [eiser] heeft gesteld dat er vanaf voormelde ING rekening maandelijks € 250,00 werd overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] onder vermelding van 'periodieke incasso OHRA maand spaarrekening' ten behoeve van rekeningnummer [rekeningnummer] . [gedaagde] heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde productie 60 gesteld dat het saldo op die rekening op het moment van het overlijden € 97,24 bedroeg. De rechtbank overweegt dat een dergelijk laag saldo niet te verklaren is vanuit de door [eiser] gestelde maandelijkse overschrijvingen. Ook hier geldt echter hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rekening bij ABN-AMRO: [eiser] had hier zelf informatie over kunnen opvragen, en [gedaagde] had [eiser] gelegenheid moeten geven om de stukken in te zien. De rechtbank zal ook hier [eiser] in de gelegenheid stellen een nadere akte te nemen. 4.24.3. Delta Lloyd [eiser] stelt wel dat er een spaarproduct bij Delta Lloyd bestaat, maar onderbouwt dat verder niet. Als de administratie van erflaatster (zie hiervoor) op dit punt geen duidelijkheid biedt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat er geen sprake is van een spaarrekening bij Delta Lloyd. Ad. 4. De inboedel 4.25. Volgens [eiser] is de inboedel minimaal € 20.000,00 waard, waarbij hij erop wijst dat erflaatster in het bezit was van twee Artifort banken, die volgens hem € 6.000,00 per stuk waard zijn en dat zij ook twee schilderijen van Pieter Alewijns bezat, die € 3.800,00 per stuk waard zijn. 4.26. Het verweer van [gedaagde] dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een waarde van de inboedel van erflaatster van € 8.000,00 wordt verworpen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. [gedaagde] betwist dat de waarde van de inboedel van erflaatster € 20.000,00 bedraagt. 4.27. Bij die stand van zaken, zal de rechtbank ook hier bij een nog te wijzen vonnis een deskundige benoemen die de waarde moet beoordelen van de inboedel van erflaatster naar de samenstelling en toestand ten tijde van het overlijden van erflaatster. Als onweersproken moet worden aangenomen dat tot die inboedel ten minste twee Artifort banken en twee schilderijen van Pieter Alewijns behoorden. Anders dan [eiser] heeft de rechtbank geen behoefte aan inzage in de polis van de inboedelverzekering, nu het algemeen bekend is dat de daarop gemelde verzekerde waarde de vervangings- (of nieuw-)waarde van de inboedelzaken betreft. Mogelijk zou de inboedelverzekering interessant zijn als de volledige inboedel van erflaatster hagelnieuw zou zijn, maar gesteld noch gebleken is dat dat het geval was. De rechtbank wijst er op dat [eiser] in de gelegenheid moet worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn en zal de deskundige (en [gedaagde] ) in die zin instrueren. Ad. 5. Sieraden 4.28. [eiser] gaat ervan uit dat erflaatster sieraden bezat met een totale waarde van € 10.000,00. Volgens [gedaagde] bezat erflaatster een paar oude horloges, een zilveren ringetje, een paar goedkope armbanden en een klein gouden ringetje. De stellingen van [eiser] gaan niet verder dan dat erflaatster sieraden had en dat zij werkte in de cosmetische industrie, waarin het belangrijk is om goed verzorgd voor de dag te komen. Daarmee heeft hij onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat erflaatster meer sieraden bezat dan door [gedaagde] is gesteld. Evenmin heeft hij aannemelijk kunnen maken dat erflaatster een afzonderlijke sieradenverzekering had afgesloten. 4.29. Het voorgaande neemt niet weg, dat [gedaagde] alle goederen uit de nalatenschap van erflaatster heeft gekozen, en daarmee ook de sieraden. Daarmee zal zij ook de waarde van de sieraden moeten inbrengen. De rechtbank gaat ervan uit dat de deskundige die zij zal benoemen om de inboedel te taxeren, ook in staat zal zijn om de waarde te bepalen van de door [gedaagde] genoemde sieraden. 4.30. De vraagstelling aan de deskundige komt daarmee te luiden: wat is de vrije verkoopwaarde van de inboedel van de woning aan de [adres] te [plaats] , waaronder twee Artifortbanken en twee schilderijen van Pieter Alewijns? wat is de vrije verkoopwaarde van de sieraden van erflaatster, met name de horloges, de armbanden, en het zilveren en gouden ringetje ? De rechtbank wijst de deskundige (en [gedaagde] ) erop dat [eiser] aanwezig moet zijn tijdens de taxatie. Ad 6. De auto van het merk BMW 4.31. Uit de akte van afgifte van het legaat (productie 6 van [eiser] ) blijkt dat tot de nalatenschap van erflaatster tevens een personenauto van het merk BMW behoorde. De rechtbank verwerpt het betoog van [eiser] dat [gedaagde] haar aandeel in deze auto heeft verbeurd omdat het een zogenaamd verzwegen goed zou zijn (vgl. artikel 3:194 lid 2 BW). Dit is duidelijk niet het geval. In de notariële akte tot afgifte van het legaat is de auto opgenomen onder de goederen die onder het legaat vallen en die aan [gedaagde] zijn afgegeven. Daarmee moet de waarde van de auto dus door [gedaagde] in de nalatenschap worden ingebracht en wordt daarmee bij de verdere afwikkeling van de nalatenschap rekening gehouden. Dat de auto in de onderhandelingen tussen partijen geen rol heeft gespeeld maakt dat niet anders. [eiser] gaat uit van een waarde van de auto van € 6.000,00. Nu [gedaagde] die waarde niet heeft weersproken, zal ook de rechtbank van die waarde uitgaan. Ad 7. Rechten uit een overlijdensrisicoverzekering 4.32. [eiser] stelt dat erflaatster een overlijdensrisico had, ter waarde van fl. 150.000,00 (€ 68.067,03). Volgens hem is de eigenwoningschuld per de datum van overlijden afgelost en wijst ook dat erop dat er een overlijdensrisicoverzekering en/of levensverzekering was. [eiser] verwijst verder naar een pagina uit een financieringsvoorstel van de Rabobank van 6 september 1999, waarop op pagina 2 staat vermeld: "Verpanding rechten/vorderingen uit een overlijdensrisicoverzekering op naam van [naam erflaatster] , groot f 150.000,--." 4.33. Volgens [gedaagde] bestaat er geen overlijdensrisicoverzekering. Zij heeft daarover gebeld. De financiering waarnaar door [eiser] is verwezen, is ofwel niet aangegaan, ofwel is voortijdig opgezegd. 4.34. Naar het oordeel van de rechtbank was het aan [gedaagde] om hierover klare wijn te schenken, en valt er op de kwaliteit van haar betwisting veel af te dingen. Zo is het antwoord op de vraag met wie ze dan heeft gebeld (en wanneer) niet gegeven. In ieder geval lijkt het niet erg aannemelijk dat het financieringsvoorstel niet is geaccepteerd: de rechtbank stelt namelijk vast dat op het door [eiser] overgelegde stuk te lezen is dat “als u van deze aanbieding gebruik maakt (…) verzoeken [wij] u (…) alle pagina’s van dit voorstel (…) te paraferen” en dat de betreffende pagina onder het kopje “cliënt” van een paraaf is voorzien. Op de stelling van [eiser] dat de eigenwoningschuld is afgenomen, heeft [gedaagde] zelfs niet gereageerd. Mede omdat [gedaagde] beschikt over de administratie van erflaatster, had er op dit punt veel meer van haar mogen worden verwacht. Voorshands, behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs, zal de rechtbank er dan ook vanuit gaan dat tot de nalatenschap rechten uit een overlijdensrisicoverzekering behoorden, tot een omvang van € 68.067,03. De rechtbank zal [gedaagde] toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Conclusie met betrekking tot de goederen van de nalatenschap 4.35. De conclusie is dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de waarde die aan de goederen van de nalatenschap moet worden toegekend, en daarmee dus ook over de omvang van de inbrengverplichting van [gedaagde] . De schulden van de nalatenschap 4.36. Ook over de (omvang van) de schulden van de nalatenschap bestaat weinig overeenstemming tussen partijen. De rechtbank behandelt hierna alleen de schulden voor zover die tijdens de comparitie aan de orde zijn geweest. Dat gaat om: Leningen bij de Rabobank Een schuld aan [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] Een schuld aan [naam schuldeiser 3] Een fiscale claim op het onroerend goed Ad 1. Leningen bij de Rabobank 4.37. [gedaagde] stelt dat de volgende leningsovereenkomsten bij de Rabobank schulden van de nalatenschap zijn: [nummer leningsovereenkomst] 4.38. Ten aanzien van de leningen met nummer [nummer leningsovereenkomst] , [nummer leningsovereenkomst] en [nummer leningsovereenkomst] stelt [eiser] zich op het standpunt dat bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap met deze leningen geen rekening moet worden gehouden. Volgens informatie van de Rabobank zou het gaan om zakelijke leningen. Bovendien is van deze leningen in de aangifte IB van erflaatster onder het box 3 vermogen geen opgave gedaan. Als erflaatster het geld privé geleend heeft en ter beschikking heeft gesteld van Nail Line B.V. is sprake van een vordering op Nail Line B.V. die in de nalatenschap valt. Ook dat blijkt volgens [eiser] niet uit de beschikbare stukken.Alvorens hier verder over te oordelen, zal de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid stellen de onderliggende geldleningsovereenkomsten in het geding te brengen. 4.39. Dat geldt ook ten aanzien van de leningen met nummer [nummer leningsovereenkomst] en [nummer leningsovereenkomst] . [eiser] stelt dat [gedaagde] daarvan medeschuldenaar is, en dat die schulden geheel althans gedeeltelijk voor rekening van [gedaagde] dienen te blijven. Ook van deze leningen wil de rechtbank de leningsovereenkomsten zien. 4.40. Ten aanzien van de lening met nummer [nummer leningsovereenkomst] bestaat onduidelijkheid over het saldo op het moment van overlijden. [eiser] stelt dat uit een brief van de Rabobank volgt dat het saldo op het moment van overlijden € 14.500,00 bedroeg, terwijl het saldo volgens [gedaagde] € 72.604,83 bedroeg. Uit de door [gedaagde] als bijlage 6.1 t/m 6.3 bij productie 51 overgelegde kopie bankafschriften blijkt dat het saldo van de rekening met nummer [nummer leningsovereenkomst] op de sterfdatum € 72.604,83 bedroeg en het saldo van de rekening met nummer [nummer leningsovereenkomst] € 14.500,00. De rechtbank gaat er daarom voorshands van uit dat abusievelijk in de brief van de Rabobank waar [eiser] zich op beroept de rekeningnummers en de bijbehorende saldi zijn verwisseld en dat het saldo van € 72.604,83 zoals vermeld op het rekeningafschrift juist is. Mocht [eiser] in de administratie van erflaatster gegevens aantreffen die aantonen dat deze conclusie niet juist is, dan kan hij die gegevens alsnog inbrengen bij de door hem nog te nemen akte (zie hiervoor onder 4.24.1. t/m 4.24.3.). Ad 2. een schuld aan [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] 4.41. [naam schuldeiser 1] is de broer van erflaatster; [naam schuldeiser 2] is zijn partner. Volgens [gedaagde] bedraagt de schuld van erflaatster aan hen € 65.042,99. Daarbij verwijst zij naar een overeenkomst van geldlening van 5 januari 2001, waarin is opgenomen dat erflaatster fl. 120.000,00 leent van haar broer en mevrouw [naam schuldeiser 2] , een aanhangsel van 26 april 2012 en een verklaring van 25 juli 2013. 4.42. [eiser] betwist dat deze schuld is aangegaan door erflaatster. Hij wijst erop dat er geen bankafschriften zijn overgelegd waaruit blijkt dat er een bedrag van fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) op de bankrekening van erflaatster is gestort en dat erflaatster voornoemde schuld ook nimmer heeft opgenomen in haar belastingaangiften. Voor het geval erflaatster het bedrag wel zou hebben geleend, dan is de vordering volgens [eiser] verjaard op 5 januari 2011. Bovendien is [gedaagde] volgens het aanhangsel van 26 april 2012 medeschuldenaar, waardoor de schuld haar ten minste voor de helft (€ 27.226,82) aangaat. [eiser] stelt verder dat het gestelde bedrag van € 65.042,99 niet te rijmen is met het in de leningsovereenkomst genoemde bedrag van € 54.453,63 4.43. De door [gedaagde] overgelegde stukken leveren in dit geding geen dwingend bewijs op van het bestaan van de gestelde leningsovereenkomst. Met die stukken heeft zij wel een begin van bewijs geleverd. De rechtbank zal haar in de gelegenheid stellen te bewijzen dat het gestelde bedrag van fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) daadwerkelijk ter beschikking van erflaatster is gesteld en nog niet is terugbetaald. Op de overige weren van [eiser] zal de rechtbank dan in een later stadium oordelen. De rechtbank wil daarover echter nu al kwijt dat [gedaagde] voor het verschil tussen € 65.042,99 en € 54.453,63 geen genoegzame verklaring heeft gegeven. De rechtbank heeft uit de informatie van de heer [naam schuldeiser 1] en mevrouw [naam schuldeiser 2] tijdens de comparitie begrepen dat zij voor het geleende bedrag zelf een hypotheeklening hebben afgesloten of een bestaande hypotheek hebben verhoogd, en dat met erflaatster is afgesproken dat zij de door hen verschuldigde (variabele) hypotheekrente zou betalen èn een bonusrente. Het verschil zou dan zijn ontstaan doordat de variabele hypotheekrente wel altijd is betaald, maar de bonusrente niet. Aan de hand van de overgelegde stukken valt echter niet na te gaan dat ten tijde van haar overlijden een achterstand bestond in betaling van € 10.589,36 (het verschil tussen € 65.042,99 en € 54.453,63). Ad 3. Een schuld aan [naam schuldeiser 3] 4.44. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat dit een lening is aan erflaatster. Hij heeft gesteld dat deze schuld niet vermeld staat in de aangifte inkomstenbelasting van erflaatster, dat het leningsbedrag is overgemaakt naar de ten name van [gedaagde] gestelde bankrekening [rekeningnummer] en dat de handtekening onderaan de door [gedaagde] overgelegde overeenkomst ook zeer afwijkend is van andere handtekeningen van erflaatster. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] daar onvoldoende tegenover gesteld, zodat zij er vanuit zal gaan dat de hier bedoelde schuld niet tot de nalatenschap behoort. Ad 4. Fiscale claim 4.45. [gedaagde] stelt, onder verwijzing naar een e-mail van haar adviseur [naam adviseur] (productie 51 van [gedaagde] , bijlage 10.1 en 10.2), dat het bedrijfspand aan de [adres] ter beschikking is gesteld aan Nail Line B.V. en dat er door het overlijden van erflaatster een (forse) fiscale claim is ontstaan, die is doorgeschoven naar [gedaagde] . 4.46. [eiser] wijst erop dat [gedaagde] deze vermeende fiscale last pas in de loop van deze procedure is gaan vermelden. Volgens hem blijkt uit de als productie 37 overgelegde e‑mail van [naam adviseur] niet dat er daadwerkelijk aanslagen zijn/worden overgelegd dan wel dat de belastingdienst van oordeel is dat nog moet worden afgerekend. Bovendien bedraagt de navorderingstermijn vijf jaar. Nu die inmiddels verstreken is, kan niet meer worden gevorderd. Voor het geval er wel een navordering mogelijk zou zijn, merkt [eiser] op dat niet met stukken is onderbouwd wat de gehanteerde boekwaarde is van het bedrijfspand dat deels aan Nail Line B.V. wordt verhuurd, dat onduidelijk is wat de waarde van het bedrijfspand is (de rechtbank benoemt daarvoor een deskundige) en dat het gelet op het verhuurde vloeroppervlak niet juist is dat 84% van de bedrijfsruimte wordt verhuurd aan Nail Line B.V. (zoals waarvan [gedaagde] uitgaat) maar slechts 60%. Anders dan [gedaagde] stelt is volgens [eiser] uit geen enkel stuk gebleken dat het percentage van 84% in afstemming met de Inspecteur zou zijn vastgesteld en sindsdien in de aangiften 1B van erflaatster zou zijn gevolgd. Evenmin blijkt als dat de belastingdienst het percentage van 84% ook zal hanteren bij het vaststellen van een mogelijke IB-schuld. 4.47. De rechtbank acht het wenselijk dat zij op dit punt wordt voorgelicht door een deskundige. Daarbij stelt de rechtbank zich voor dat de te benoemen deskundige de hoedanigheid van fiscalist zal bezitten en dat de vraagstelling als volgt komt te luiden: Was er ten tijde van het overlijden van erflaatster met betrekking tot de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] sprake van een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van paragraaf 3.4.1. van de Wet IB 2001? Speelt bij het bepalen van de fiscale gevolgen van de terbeschikkingstellingregeling de omvang van de in gebruik gegeven vloeroppervlakte een rol? Hoe beoordeelt u de stelling dat er met de Inspecteur is afgesproken dat 84% van de inkomsten uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen belast zijn in box 1 en 16% in box 3? Heeft er na het overlijden van erflaatster belastingheffing plaatsgevonden in verband met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen? Zo ja, tot welk bedrag? Zo nee: waarom niet? Hoe beoordeelt u de stelling van [eiser] dat de navorderingstermijn van vijf jaar inmiddels is verstreken en er daarom geen belasting meer zal kunnen worden gevorderd? Zijn er nog andere opmerkingen die u wenst te maken die voor de rechter van belang kunnen zijn? Conclusie over de schulden 4.48. Ook hiervoor geldt dat er op dit moment nog niet kan worden vastgesteld wat de omvang van de schulden van de nalatenschap is. [gedaagde] heeft bovendien gesteld dat zij de schulden van de nalatenschap heeft overgenomen en als haar eigen schuld voldoet en/of heeft voldaan. Deze stelling is alleen op geen enkele manier onderbouwd. Niet duidelijk is vanaf welk moment [gedaagde] de schulden voor eigen rekening is gaan betalen en welke schulden zij voor eigen rekening betaalt. Voor een rechtsgeldige overname van schulden is bovendien vereist dat de schuldeisers om wie het gaat ermee hebben ingestemd dat [gedaagde] de schulden als eigen schuld zal voldoen en dat [eiser] is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die schulden. Vooralsnog is daarvan niet gebleken. Onder punt 4.57. komt de rechtbank op dit laatste terug. III. De giften 4.49. Om het erfdeel van [eiser] te kunnen vaststellen moet rekening worden gehouden met eventuele giften die erflaatster bij leven aan haar nakomelingen heeft gedaan. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor onder punt 4.4 heeft overwogen. heeft erop gewezen dat erflaatster in het verleden op 2 momenten aandelen heeft overgedragen aan [gedaagde] . Op 20 oktober 1995 (productie 21 van [gedaagde] ) heeft erflaatster in haar hoedanigheid van directeur van beleggingsmaatschappij AFM BV 120 aandelen verkocht en overgedragen aan [gedaagde] tegen de koopsom van fl. 1,00 (€ 0,45). Op 20 april 2007 (productie 22 van [gedaagde] ) zijn 125 aandelen door erflaatster in haar hoedanigheid van directeur van Nail Line B.V. verkocht en overgedragen aan [gedaagde] tegen een koopsom van € 1,00.Volgens [eiser] is bij beide gelegenheden geen reële koopprijs gehanteerd en gaat het in feite om schenkingen. Bij gebrek aan nadere informatie bepaalt [eiser] de omvang van het geschonkene op achtereenvolgens € 10.000,00 voor de aandelen AFM en € 8.000,00 voor de aandelen Nail Line BV. Volgens [gedaagde] was de waarde van de aandelen nihil. 4.50. Wanneer inderdaad voor de in het verleden overgedragen aandelen geen reële prijs door [gedaagde] is betaald, is sprake van een gift die ingevolge artikel 4:65 BW moet worden betrokken bij de berekening van de legitieme portie, en daarmee dus ook bij de vaststelling van het aandeel van [eiser] in de nalatenschap. Over de (achtergronden van
- de)aandelenoverdracht AFM heeft [gedaagde] in reactie op de stellingen van [eiser] geen inhoudelijk concrete uitleg gegeven waaruit kan worden afgeleid dat zij voor de door haar verworven aandelen een reële prijs heeft betaald. Daarmee heeft zij de stelling van [eiser] dat die overdracht een verkapte gift inhield onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Nu concrete aanknopingspunten ontbreken zal de rechtbank bij de berekening van het erfdeel van [eiser] rekening houden met de, schattenderwijs, door [eiser] aangegeven waarde van € 10.000,00. Voor de overdracht van aandelen Nail Line B.V. in 2007 ligt dat anders. Nu de rechtbank toch al een deskundige zal aanstellen om de waarde van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V. vast te stellen, zal de rechtbank de vraagstelling aan de deskundige uitbreiden met een vraag naar de waarde van de aan [gedaagde] in 2007 overgedragen aandelen in Nail Line B.V. 4.51. Ook wil [eiser] dat rekening wordt gehouden met de aflossing van de lening aan [naam schuldeiser 3] en eventuele andere giften van erflaatster aan [gedaagde] .De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de schuld aan [naam schuldeiser 3] niet kan worden aangemerkt als een lening verstrekt aan erflaatster en dat deze dus niet tot de nalatenschap moet worden gerekend. Voor zover komt vast te staan dat de betaling van deze schuld ten laste van erflaatster is verricht is dus sprake van een gift waarmee bij het bepalen van het wettelijk erfdeel van [eiser] rekening moet worden gehouden.Over mogelijk andere giften kan de rechtbank kort zijn: vooralsnog biedt wat [eiser] hierover naar voren heeft gebracht onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat dergelijke giften zijn gedaan. 4.52. Tenslotte is [eiser] van mening dat nu erflaatster de huur voor haar rekening heeft genomen en slechts een gering bedrag van € 85,00 per maand aan [gedaagde] voor huishoudkosten in rekening heeft gebracht, ook hierin een schenking is gelegen die in aanmerking moet worden genomen. [gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat er geen grond is waarop [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding voor door erflaatster betaalde kosten van de huishouding. Zij en erflaatster hadden samen een huishouding, maar geen samenlevingsovereenkomst of een daarmee gelijk te stellen informele samenlevingsrelatie. [gedaagde] werkte voor Nail Line B.V. en is uit kostenoverwegingen en om woon-/werkverkeer te beperken weer bij erflaatster ingetrokken. Afgesproken was dat [gedaagde] onder meer de kosten voor de boodschappen, huishoudelijke hulp, tuin en onderhoud van het huis zou betalen. [gedaagde] heeft alleen op papier een (minimaal) salaris ontvangen van Nail Line B.V., maar in werkelijkheid is dit nooit aan haar betaald; dat liet de financiële positie van Nail Line B.V. niet toe. De facto heeft [gedaagde] nog het nodige van Nail Line B.V. te ontvangen. 4.53. De rechtbank begrijpt dat gedurende jaren werk en privé van erflaatster en [gedaagde] door elkaar zijn gelopen, dat moeder en dochter samen werkten in de onderneming Nail Line B.V., dat zij in gezinsverband bij elkaar woonden en over en weer voor elkaar hebben gezorgd. [eiser] heeft die feitelijke situatie ook niet weersproken en er is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] , buiten haar eventuele inkomsten uit Nail Line B.V., privé over vermogen of inkomsten beschikte om in haar onderhoud te voorzien. Hoe de geldstromen tussen de onderneming en erflaatster, respectievelijk de onderneming en [gedaagde] , precies zijn gelopen en hoe de kosten voor de gezamenlijke huishouding zijn voldaan, is niet inzichtelijk gemaakt. Vooralsnog ziet de rechtbank geen reden om (een deel van) de gezamenlijke huishoudelijke kosten aan te merken als gift. Dit kan anders zijn wanneer mocht blijken dat [gedaagde] – anders dan zij stelt – wel degelijk een redelijk salaris uitbetaald heeft gekregen voor haar werkzaamheden in Nail Line B.V. In dat geval is het aan haar om aan te tonen dat zij een reële bijdrage heeft betaald aan de kosten van de gezamenlijke huishouding. De beschikbare financiële gegevens van Nail Line B.V. (productie 16 bij dagvaarding) bieden hier geen inzicht in. De rechtbank zal daarom de deskundige die onderzoek zal gaan doen naar de waarde van de aandelen Nail Line B.V. tevens de vraag voor leggen na te gaan welk salaris [gedaagde] door Nail Line B.V. is toegekend en in hoeverre zij uit dien hoofde een vordering heeft op Nail Line B.V. 4.54. Daarmee wordt de vraagstelling aan de deskundige: wat is volgens u de meest aangewezen maatstaf voor de waardering van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V.? wat is, uitgaande van die maatstaf, de waarde van die aandelen op 4 juli 2013? wat was in 2007 de waarde van de 125 aandelen in Nail Line B.V. die erflaatster toen aan [gedaagde] heeft verkocht? welk salaris is [gedaagde] door Nail Line B.V. toegekend? in hoeverre heeft [gedaagde] nog een vordering op Nail Line B.V. in verband met eventueel achterstallig salaris? welke overige opmerkingen wenst u nog te maken die voor de rechter van belang kunnen zijn bij het beslechten van het geschil? IV. De afgifte van het legaat en de inbreng 4.55. [gedaagde] heeft in haar hoedanigheid van executeur het aan haar toegekende legaat afgegeven op 8 juni 2017, zonder dat tegelijkertijd harerzijds de daartegenover staande inbrengplicht is voldaan. De rechtbank wijst voor dit laatste naar de passage in de notariële akte afgifte legaat van 8 juni 2017, opgenomen onder V van de akte en hiervoor weergegeven onder punt 2.14. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening heeft genomen en dat zij daarmee aan haar inbrengverplichting zou hebben voldaan. 4.56. De rechtbank kan in deze stelling niet mee gaan. Niet alleen zegt de tekst van de notariële akte iets anders, het was voor [gedaagde] ook duidelijk dat, op het moment dat de goederen werden afgegeven, er tussen partijen geen overeenstemming bestond over de omvang van haar inbrengplicht. [gedaagde] heeft haar stelling ook niet onderbouwd. Zij heeft niet aangetoond dat en welke schulden van de nalatenschap en/of de daaraan verbonden verplichtingen zoals rentebetaling en aflossing zij daadwerkelijk heeft betaald. Bovendien is voor een rechtsgeldige overname van schulden vereist dat de betreffende schuldeisers daarmee hebben ingestemd. [gedaagde] heeft ook dat niet aangetoond. [gedaagde] gaat er ook aan voorbij dat uit de vermogensopstelling die partijen ieder voor zich hebben overgelegd blijkt dat in beider visie de waarde van de goederen van de nalatenschap de omvang van de schulden overstijgt. Zou [gedaagde] ten volle aan haar inbrengplicht hebben voldaan, dan zou er sprake moeten zijn van een positief saldo ten name van de nalatenschap. Dat blijkt nergens uit en het valt ook niet te rijmen met het beroep dat [gedaagde] heeft gedaan op de betalingsregeling zoals opgenomen in het testament. 4.57. De vraag is of dat tot gevolg moet hebben dat de afgifte van de goederen ongedaan wordt gemaakt, in ieder geval voor zover noodzakelijk om de schulden als bedoeld in artikel 4:7 BW te voldoen, zoals [eiser] heeft gevorderd. Het is de vraag welk belang daarmee wordt gediend. Ongedaanmaking van de afgifte van het legaat verandert niets aan het legaat zelf: [gedaagde] blijft recht houden op afgifte van de goederen tegen, in beginsel, de waarde op de sterfdag, zij het nadat de schuldeisers van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7 onder a t/m c en onder f BW zijn voldaan. Ongedaan maken doet met name recht aan de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap en herstelt hun verhaalspositie voor zover die door de afgifte van het legaat is aangetast. Ook de regeling voorzien in de artikelen 4:216 en 4:220 BW geeft alleen aan de vereffenaar respectievelijk de schuldeisers van de nalatenschap hoger in rang dan de legataris de bevoegdheid van terugvordering en verhaal jegens de legataris. Tenslotte wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 4:120 lid 4 in het geval de prestatie reeds is verricht en het legaat is afgegeven, de rechtsgrond daarvan in stand blijft, behoudens de mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen 4:216 en 4:220 BW. Dat duidt erop dat een erfgenaam die vermindering wil van een op hem rustend legaat uit hoofde van artikel 4:120 lid 2, een eenmaal afgegeven legaat niet ongedaan kan maken en dat [eiser] alleen wanneer komt vast te staan dat hij als legitimaris een vordering zou hebben op de nalatenschap, hij verhaal kan nemen als bedoeld in artikel 4:220 BW. 4.58. Het belang van [eiser] bij zijn vordering tot ongedaan maken ligt echter met name, zo heeft zijn advocaat ter comparitie verklaard, daarin dat hij zekerheid heeft dat de (overige) schuldeisers van de nalatenschap worden betaald en dat hij niet vanwege zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als erfgenaam door de schuldeisers van de nalatenschap wordt aangesproken voor zijn erfdeel. Wanneer komt vast te staan dat [gedaagde] , zoals zij heeft gesteld, alle (onderstreping rechtbank) schuldeisers van de nalatenschap heeft overgenomen en als haar eigen schulden heeft voldaan of voldoet, is aan dit belang tegemoet gekomen en rijst de vraag in hoeverre [eiser] nog belang heeft bij een beoordeling van dit onderdeel van zijn vorderingen. De rechtbank zal daarom [gedaagde] in de gelegenheid stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat zij de schulden van de nalatenschap heeft overgenomen en deze voor haar eigen rekening en risico heeft voldaan en/of in de toekomst zal voldoen, dat de schuldeisers met deze schuldovername hebben ingestemd en dat zij bereid zijn om [eiser] te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit in ieder geval geldt voor alle nog niet volledig betaalde schuldeisers van de nalatenschap. Dat ziet dus ook op schulden die de rechtbank in het voorgaande nog niet heeft besproken. V. Rekening en verantwoording (vordering onder XVIII) 4.59. Over deze vordering kan de rechtbank kort zijn: het is de wettelijke taak van iedere executeur om bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen. Bij het eindvonnis zal deze vordering daarom worden toegewezen. Tussenconclusie 4.60. De rechtbank gaat deskundigen benoemen om de waarde van de onroerende zaken (zie 4.21.), de aandelen (zie 4.22).), de inboedel en de sieraden (zie 4.31.) vast te laten stellen, de fiscale claim te beoordelen (zie 4.47) en het salaris van [gedaagde] /haar vordering uit dien hoofde op Nail Line BV (zie 4.52). Ook wordt een deskundigenbericht bevolen naar de waarde van de door erflaatster aan [gedaagde] overgedragen aandelen in Nail Line B.V. (zie 4.50.) 4.61. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(
- n)en over de aan de deskundige(
- n)voor te leggen vragen. De rechtbank meent dat voor de diverse deelonderzoeken in beginsel kan worden volstaan met telkens één deskundige. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(
- n)zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. 4.62. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om de voorschotten op de kosten van de deskundigen gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom ieder de helft van de voorschotten moeten betalen. 4.63. [eiser] mag zich bij akte uitlaten over hetgeen hij in de administratie van erflaatster heeft aangetroffen en welke gevolgen dat voor zijn vorderingen heeft (4.24.1., 4.24.2., 4.24.3. en 4.40.) 4.64. [gedaagde] moet: - tegenbewijs leveren tegen het voorshands aannemelijk geachte bestaan van een overlijdensrisicoverzekering (zie 4.34.); - bewijs leveren van het bestaan van een lening van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] aan erflaatster ter grootte van € 65.042,99 (zie 4.43.); - bij akte de in 4.38. en 4.39. genoemde leningsovereenkomsten in het geding brengen; - bij akte stukken in het geding brengen waaruit volgt dat zij alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening heeft genomen, waarbij de nog resterende schuldeisers nadrukkelijk verklaren dat zij instemmen met de schuldovername en [eiser] niet (langer) hoofdelijk aansprakelijk voor die schulden houden (zie 4.58). 4.65. De beslissing met betrekking tot alle overige vorderingen en geschilpunten wordt aangehouden. Tot slot 4.66. Dit is een tussenvonnis, waarmee geen van partijen daadwerkelijk iets zal zijn opgeschoten, buiten de wetenschap dat zij nog zeer geruime tijd tegen elkaar aan het procederen zullen zijn en dat het bovenhalen van de onderste steen tot kosten gaat leiden, die hoogstwaarschijnlijk fors zullen zijn. De rechtbank geeft partijen daarom nogmaals in overweging met elkaar in overleg te treden en de zaak onderling te regelen. 5De beslissing De rechtbank 5.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen - dat erflaatster uit hoofde van een geldlening fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) heeft ontvangen van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] en dat dit bedrag tot op heden niet is terugbetaald;- dat aan achterstallige renteverplichtingen op bedoelde lening een bedrag van € 10.589,36 nog niet is terugbetaald; 5.2. laat [gedaagde] toe tot het tegenbewijs van het voorshands aannemelijk geachte bestaan van een overlijdensrisicoverzekering (zie 4.34.); 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor uitlating door [gedaagde] of zij (tegen)bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel, 5.4. bepaalt dat [gedaagde] , indien zij geen (tegen)bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.5. bepaalt dat [gedaagde] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden juni tot en met augustus 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald, 5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Eindhoven aan Stadhuisplein 4, 5.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.8. bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportages zoals aangegeven onder 4.60 naar de waarde van het onroerend goed, de aandelen Nail Line, de aandelen Nail Line B.V die in 2007 aan [gedaagde] zijn overgedragen, de inboedel, de sieraden, de fiscale claim op het bedrijfspand en het salaris dat [gedaagde] uit Nail Line B.V. heeft ontvangen; 5.9. bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.24.1. tot en met 4.24.3 en 4.40; 5.10. bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 4.38. en 4.39.; 5.11. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.