beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rekestnummer: C/01/358852 / BP RK 20-308 Beschikking van de voorzieningenrechter van 4 juni 2020 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat mr. N. Broeren te Tilburg, en [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, niet verschenen. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 22 mei 2020 met 9 producties de mondelinge behandeling via een skype verbinding op 2 juni 2020, waar verzoeker zelf en mr. N. Broeren zijn verschenen. 2De beoordeling 2.
- Het verzoek strekt tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van beslag op de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] , complexaanduiding [nummer] , appartementsindex [nummer] (hierna: de onroerende zaak) tot verhaal van een door [verzoeker] gepretendeerde vordering op [belanghebbende] tot een bedrag van € 35.000,
- 2.
- [verzoeker] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [belanghebbende] heeft de tussen partijen gesloten koopovereenkomst terzake de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] per 16 maart 2020 ontbonden, omdat [verzoeker] niet heeft meegewerkt aan levering van de woning op 2 maart
- [belanghebbende] heeft daarbij aanspraak gemaakt op de in artikel 14.2 van de koopovereenkomst overeengekomen boete van 10 % van de koopsom, zijnde een bedrag van € 44.000,
- Die boete is door de notaris op 18 maart 2020 aan [belanghebbende] uitbetaald. [verzoeker] stelt zich thans op het standpunt dat hem een beroep toekomt op matiging van de boete op grond van artikel 6:94, lid 1 BW. 2.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, ook na het horen van verzoeker ter zitting, niet summierlijk van de deugdelijkheid van een vorderingsrecht van [verzoeker] gebleken. Daarvoor is het volgende met name van belang. 2.
- Niet in geschil is dat [verzoeker] op 16 maart 2020 bij de notaris een vaststellingsovereenkomst heeft getekend, waarbij partijen zijn overeengekomen dat [verzoeker] in verband met de ontbinding van de koopovereenkomst wegens niet nakoming van de koper, aan [belanghebbende] een boete verschuldigd is ter grootte van 10 % van de koopsom. Zolang deze overeenkomst tussen partijen geldt (door [verzoeker] is niet gesteld dat de overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar is) valt niet in te zien op welke grond [verzoeker] recht heeft op terugbetaling van (een gedeelte) van de boete wegens niet nakoming van de koopovereenkomst. 2.
- Dat de boete door de rechter zal worden gematigd, gesteld dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen voor vernietiging in aanmerking komt, is door [verzoeker] weliswaar gesteld, maar door [belanghebbende] gemotiveerd betwist. Zo heeft [verzoeker] wel gesteld dat [belanghebbende] geen schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [verzoeker] , maar dit is door [belanghebbende] gemotiveerd betwist. Dat [belanghebbende] de onroerende zaak voor tenminste hetzelfde bedrag heeft verkocht aan een derde koper, heeft [verzoeker] slechts via via vernomen, zodat hier niet zonder meer vanuit kan worden gegaan, nog daargelaten of dit meebrengt dat een geslaagd beroep op matiging kan worden gedaan. 2.
- Nu zeer onzeker is dat [verzoeker] een vorderingsrecht geldend kan maken jegens [belanghebbende] , zal het gevraagde verlof worden geweigerd. Het belang van [verzoeker] om beslag te leggen voor een (toekomstige) vordering die zeer onzeker is, weegt niet op tegen het belang van [belanghebbende] om gevrijwaard te blijven van een beslag op de onroerende zaak, die levering van de onroerende zaak aan een derde koper zal frustreren. 3De beslissing De voorzieningenrechter weigert het gevraagde verlof. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2020.