← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2020:3694

beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/01/360990 / JE RK 20-1193 datum uitspraak: 23 juli 2020 beschikking schorsing van het ouderlijk gezag en voorlopige voogdij in de zaak van de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen de raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [naam kind] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging 's-Hertogenbosch, hierna te noemen: (

  1. de)gecertificeerde instelling (GI), [naam moeder] , hierna te noemen (
  2. de)moeder, wonende te [woonplaats] Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het telefonisch verzoek van de raad van 23 juli 2020 en het verzoekschrift 24 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 24 juli 2020. De feiten Volgens de informatie van de raad berust het ouderlijk gezag over [naam kind] bij de moeder. Het verzoek De raad heeft verzocht de moeder te schorsen in de uitoefening van het gezag en te voorzien in de voorlopige voogdij over de minderjarige. De maatregel is volgens de raad dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien. Verzocht wordt de maatregel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De beoordeling Rechtsmacht De nationaliteit van moeder en de minderjarige is niet bekend. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek omdat op dit moment de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en zij zich bevindt op het grondgebied van Nederland. (artikel 13, lid 1, van de Brussel II-bis verordening). Relatieve bevoegdheid De minderjarige verblijft momenteel in het arrondissement Oost-Brabant, zodat deze rechtbank bevoegd is op het verzoek te beslissen. Toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken is Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Ten aanzien van het verzoek Op grond van artikel 1:268, eerste lid, van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (BW), kan de rechter een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over de minderjarige schorsen, (onder meer) indien een medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent, toestemming daarvoor weigert (1:268, eerste lid, onder b, BW). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:268, eerste lid, onder b, BW. Uit het verzoek van de raad komt het volgende naar voren. [naam kind] is te vroeg geboren en zij ligt nu in een couveuse in het ziekenhuis in [plaats] . De behandelend artsen zijn van mening dat zij voorlopig nog in de couveuse moet blijven en dat nader onderzoek nodig is naar haar gezondheid en haar functioneren. Daarbij is ook meegewogen dat er sterke vermoedens zijn van harddruggebruik door de moeder tijdens de zwangerschap. De moeder wil [naam kind] echter weghalen uit de couveuse en haar meenemen uit het ziekenhuis. Moeder weigert toestemming te geven voor de medisch noodzakelijke behandeling van [naam kind] . De rechtbank acht dit vanwege de gezondheidsrisico’s voor [naam kind] niet verantwoord en is van oordeel dat niet de moeder, maar de GI als neutrale professionele instantie nu de beslissingen zal moeten nemen die noodzakelijk zijn in het belang van [naam kind] en haar gezondheid. Daarom zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag toewijzen. Op grond van artikel 1:268, derde lid, BW zal de rechtbank de GI belasten met de voorlopige voogdij over [naam kind] . Op grond van artikel 1:268, tweede lid, BW is ook het gezag van de andere juridisch ouder van [naam kind] geschorst, voor zover het gezag ook bij die andere ouder berust. Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [naam kind] . De raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde zitting. De beslissing De rechtbank: schorst [naam moeder] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [naam kind] met ingang van heden tot 23 oktober 2020; bepaalt dat de schorsing ook met ingang van 23 oktober 2020 doorloopt, wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door tot dat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist; belast Stichting Jeugdbescherming Brabant, te ‘s-Hertogenbosch, met de voorlopige voogdij over [naam kind] ; bepaalt dat aan de gecertificeerde instelling alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige die in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn, worden toegekend; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat de raad en de belanghebbenden zullen worden gehoord ter zitting van 3 augustus 2020 om 13.00 uur, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw te 's-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8. Aldus gegeven en uitgesproken op 23 juli 2020 door mr. M. Lammers, rechter en tevens kinderrechter, welke uitspraak op 24 juli 2020 op schrift is gesteld. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof's-Hertogenbosch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.