vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/360225 / KG ZA 20-386 Vonnis in kort geding van 31 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat mr. P. Bavelaar LLM. te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te [woonplaats 2] gedaagde, advocaat mr. H.M.A. van den Boogaard te Uden. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 juli 2020 met 18 producties de brief van mr Van den Boogaard van 13 augustus 2020 met als bijlage de conclusie van antwoord in kort geding met 22 producties de door mr. Van den Boogaard per mail van 14 augustus 2020 nagezonden productie 23 de door mr. Bavelaar bij e-mail van 17 augustus 2020 nagezonden productie 19 de mondelinge behandeling de pleitnota van [eiser] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft in verband met de Covid-19 maatregelen op 17 augustus 2020 plaatsgevonden door middel van een verbinding via Skype. [eiser] was in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat. [gedaagde] was ter zitting vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [naam] en bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is een (hippische) onderneming die zich onder meer toelegt op het fokken, houden en verhandelen van paarden. 2.2. De [A] (hierna: [A] ) organiseert jaarlijks meerdere (internet)veilingen voor (veelbelovende) sportpaarden. De afstammings- en sportgegevens van de te veilen paarden worden via de website van [A] openbaar gemaakt. De te veilen paarden worden vóór de [A] -veiling door een door [A] aan te wijzen dierenarts onderzocht en het onderzoeksrapport wordt via de website van [A] gepubliceerd. Daarnaast worden op die website ook foto’s en video’s gepubliceerd van de te veilen paarden, zodat bieders en aspirant-kopers zich een beeld kunnen vormen van het te veilen paard. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een paard waarvoor een aspirant-koper belangstelling heeft vóór de veiling te berijden. 2.3. In mei 2020 heeft [gedaagde] haar 11-jarige hengst [X] te koop aangeboden via een (online) [A] -veiling. Kort voor de veiling is [X] klinisch en röntgenologisch onderzocht door [B] van dierenartsenpraktijk [naam dierenpraktijk] . De bevindingen van dit onderzoek zijn als productie 15 bij dagvaarding overgelegd en luiden, voor zover hier van belang, als volgt: “(…) left front just below carpus small palpable swelling because of old tendon injury, no clinical remarks by now (…) The horse receives a normal medical risk (…)”. 2.4. [eiser] heeft op de veiling het hoogste bod uitgebracht en daarmee [X] gekocht voor een bedrag van € 44.000,00, te vermeerderen met omzetbelasting en een aan [A] te betalen vergoeding ter zake de veilingkosten. 2.5. [gedaagde] heeft [eiser] op 24 mei 2020 ter zake de aankoop van [X] gefactureerd voor een bedrag van € 49.280,00 (inclusief btw). [eiser] heeft deze factuur aan [A] voldaan, die op haar beurt nog moet afrekenen met [gedaagde] . De koopsom berust derhalve nog onder [A] . 2.6. Daags voor de levering van het paard is [X] op verzoek van [gedaagde] nogmaals klinisch onderzocht, dit keer door [naam dierenarts 1] (dierenarts). De onderzoeksresultaten zijn als productie 14 bij dagvaarding overgelegd; uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat [X] op het moment van dat onderzoek gezond was. 2.7. Op 4 juni 2020 heeft levering van het paard plaatsgevonden doordat [eiser] [X] heeft opgehaald en vervoerd naar [naam stal] , waar [eiser] een box inclusief verzorging heeft gehuurd voor [X] . 2.8. Op verzoek van [eiser] heeft [naam dierenarts 2] (dierenarts) op 12 juni 2020 [X] onderzocht in verband met door [eiser] tijdens het berijden van [X] daags na levering geconstateerde kreupelheid aan het linker voorbeen. De bevindingen van dit onderzoek zijn als productie 8 bij dagvaarding overgelegd en luiden, voor zover hier van belang, als volgt: “Clinical exam: Inspection: swelling left front SDFT Horse shows irregularity in gait left front limb on hard and soft circle. (…) According the anamnese the horse has been at the stable for less than a week. The view and exposure of the tendonfibers on ultrasound and the visible scar tissue in the tendon show clearly we are dealing with an older lesion which has been there for longer period of time. Horse will not be able to compete with this lesion in near future. The estimate recovery time of suchs lesions is over a year to get horse back to work. High level showjumping is hard, if not impossible to combine with lesions like this (…)”. 2.9. Bij brief van 16 juni 2020 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [eiser] bij monde van zijn advocaat aan [gedaagde] meegedeeld dat de dierenarts bij [X] een ernstige peesblessure heeft geconstateerd die reeds vóór 24 mei 2020 – dus ten tijde van de levering – moet hebben bestaan. Omdat [X] een peesblessure heeft en daardoor kreupel is, bezit [X] niet de eigenschappen die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten. Vanwege het feit dat dit gebrek niet te repareren is, heeft [eiser] de koopovereenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden. Daarbij heeft [eiser] er op gewezen dat sprake is van een consumentenkoop en heeft hij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, waaronder ook vallen de kosten ter zake van [X] vanaf de datum van levering tot aan de datum waarop [gedaagde] [X] weer terugneemt. In deze brief wordt [gedaagde] tevens verzocht en gesommeerd om uiterlijk 19 juni 2020 een bedrag van € 55.242,88 (aankoopprijs vermeerderd met de commissie voor [A] ) aan [eiser] terug te betalen. 2.10. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de brief van 16 juni 2020. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. Primair: [gedaagde] te veroordelen om binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, ervoor zorg te dragen dat op de derdengeldenrekening van Stichting Beheer Derdengelden [C] met IBAN [rekeningnummer] een bedrag is bijgeschreven van € 54.604,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf juni 2020, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum; 2. Subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, ervoor zorg te dragen dat op de derdengeldenrekening van Stichting Beheer Derdengelden [C] met IBAN [rekeningnummer] bij wijze van voorschot een bedrag is bijgeschreven van € 49.280,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf juni 2020, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum; 3. Primair en subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om binnen één werkdag, nadat aan de veroordeling tot betaling, zoals hiervoor is geëist, is voldaan, [X] op [naam stal] in ontvangst te nemen en voor eigen rekening en risico mee te nemen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom voor iedere dag, dat de termijn om [X] in ontvangst te nemen wordt overschreden; alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij voorafgaand aan de koop van [X] op zoek was naar een gezond en talentvol paard, geschikt om daarmee op zeer hoog niveau te kunnen presteren. Op de veilingsite van [A] is [X] als goed en gezond springpaard aangeboden, hetgeen werd onderbouwd met video’s van een goed bewegende en goed springende [X] . Hoewel [eiser] ten tijde van de [A] -veiling wist dat [X] in november / december 2019 nog een blessure had gehad dat aanleiding gaf tot kreupelheid (welke blessure volgens de toenmalige dierenarts na een paar weken rust weer volledig zou zijn hersteld) stonden op die website ook röntgenfoto’s en het rapport van [D] van 11 mei 2020. Hieruit bleek dat [X] in het kader van een aankoopkeuring goed is bevonden. Omdat [D] verder geen klinische problemen voorzag, mocht [eiser] er dus vanuit gaan dat [X] inmiddels volledig was genezen en dat hij met de aankoop van [X] een goed en gezond springpaard zou verwerven. De beschikbare informatie, video’s en documenten hebben [eiser] er dan ook toe bewogen dit springpaard te kopen. Kort na de levering van [X] is echter gebleken dat het paard kreupel liep en uit nader onderzoek, dat werd uitgevoerd door [E] , kwam naar voren dat [X] een ernstige beschadiging aan de pees links voor heeft, die volgens [E] reeds aanwezig moet zijn geweest voor de aankomst van [X] in [naam stal] . De geneestijd van een dergelijke beschadiging aan de pees bedraagt volgens [E] minimaal een jaar en dan is het ook nog eens zeer onwaarschijnlijk dat [X] na genezing kan deelnemen aan springwedstrijden op hoog niveau. Volgens [eiser] kan er derhalve geen enkele twijfel over bestaan dat [X] niet de eigenschappen heeft die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten bij de koop van een springpaard voor een bedrag van € 49.280,00. Om die reden heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden bij schrijven van zijn advocaat van 16 juni 2020 op grond van non-conformiteit. [eiser] stelt verder dat er sprake is van consumentenkoop. Daarom dient te worden uitgegaan van het wettelijk bewijsvermoeden dat [X] al bij de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde omdat het gebrek zich binnen 6 maanden heeft geopenbaard en is het aan de verkoper ( [gedaagde] ) om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft [eiser] onder andere aangevoerd dat [X] nog steeds gestald staat in [naam stal] . [X] heeft niet alleen verzorging nodig, maar vanzelfsprekend dient ook de peesblessure te worden behandeld. De verzorging en het genezingstraject zijn niet alleen een zeer kostbare zaak, maar ook tijdrovend. [eiser] is tijdelijk naar Nederland gekomen om zich tijdens zijn studieonderbreking te bekwamen in de springsport en niet om een geblesseerd paard te verzorgen, terwijl hij – naast de aanzienlijke kosten – ook niet de verantwoordelijkheid van de verzorging en het genezingstraject van [X] wenst te dragen. Het kan alleen al om die reden niet van hem worden gevergd om [X] in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure op stal te houden en zorg te moeten dragen voor zijn welzijn, terwijl hij [X] al die tijd niet kan trainen, laat staan kan uitbrengen in de (top)sport. 3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Omdat [eiser] in [land 1] woont en [gedaagde] is gevestigd in Nederland, heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter dient daarom eerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de vordering van [eiser] . De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo II) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten. Op grond van artikel 4 EEX-Vo II is [gedaagde] terecht voor de Nederlandse rechter opgeroepen. Aangezien [gedaagde] binnen dit arrondissement woonachtig is, is deze rechtbank bevoegd. 4.2. Het onderhavige geschil vloeit voort uit een tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot een paard. Deze overeenkomst is gesloten in mei 2020. Het op de overeenkomst toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Rome I-Verordening. Dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 3 van de Rome I-Verordening is niet gesteld of gebleken. Er is sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.