vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/360968 / KG ZA 20-448 Vonnis in kort geding van 10 september 2020 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. M.W. van der Heijden te Vught, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. R.J. Laatsman te Oss. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 28 juli 2020 met producties 1 tot en met 10; de brief van 2 september 2020 van mr. Van der Heijden met de eisvermindering; de brief van 3 september 2020 van mr. Laatsman met twee producties; de brief van 4 september 2020 van mr. Van der Heijden met producties 11 tot en met 14; de brief van 4 september 2020 van mr. Laatsman met productie 3; de conclusie van antwoord, tevens pleitnotitie van mr. Laatsman; de mondelinge behandeling van 7 september 2020 te 9.30 uur via Skypeverbinding. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden op [datum huwelijk] te [woonplaats 3] . 2.2. Bij beschikking van 23 april 2018 (hierna: de beschikking) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De tussen partijen overeengekomen afspraken hebben zij vastgelegd in een echtscheidingsconvenant en dat convenant is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en maakt daar deel van uit. 2.3. In artikel 5.1. van het convenant is het volgende opgenomen: “Artikel 5. FISCALE REGELING 5.1. Partijen stellen vast dat zij tot en met het kalenderjaar 2017 fiscaal partners zijn. Vanaf 2018 zal ieder der partijen de eigen aangifte doen. Partijen zullen over 2017 de aangifte inkomstenbelasting gezamenlijk invullen. Opgebouwde belastingen zullen worden verrekend.” 2.4. Terzake de kosten van de advocaat die het convenant heeft opgesteld, zijn partijen in artikel 8 van het convenant het volgende overeengekomen: “Artikel 8. KOSTEN De kosten van de advocaat, [naam] , worden door partijen bij helfte gedragen.” 2.5. Rijken Gerechtsdeurwaarders heeft de vrouw namens de man bij brief van 29 mei 2019 gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 7.115,10 uit hoofde van openstaande bedragen op grond van het convenant, te weten twee belastingaangiftes ad in totaal € 6.899,00 en een nota met betrekking tot advocaatkosten ad € 216,10. 2.6. De nota van advocaatkosten ad € 216,10 heeft de vrouw vervolgens betaald. 2.7. Bij brief van 20 juni 2019 heeft de vrouw de deurwaarder aangeschreven en bezwaar gemaakt tegen de vordering. De vrouw heeft na verschillende e-mailberichten hierover te hebben gewisseld, na haar laatste e-mailbericht van 7 augustus 2019, niets meer vernomen. 2.8. De deurwaarder heeft namens de man bij exploot van 10 juli 2020 de grosse van de beschikking van 23 april 2018 aan de vrouw betekend met het bevel om binnen twee dagen tot betaling van € 6.899,00 over te gaan, te vermeerderen met de kosten van betekening. 2.9. Bij brief van 10 juli 2020 heeft de vrouw de deurwaarder gemeld niet tot betaling over te gaan en deze brief heeft zij vervolgens nogmaals per e-mail gezonden op 12 juli 2020. 2.10. De deurwaarder heeft op 16 juli 2020 namens de man beslag gelegd ten laste van de vrouw onder de Rabobank U.A.. uit hoofde van de beschikking van 23 april 2018. De vordering is begroot op een bedrag van € 7.295,03. 3Het geschil 3.1. De vrouw vordert - na vermindering van eis - bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. het beslag onder de Rabobank U.A. van 16 juli 2020 op te heffen, althans de man te veroordelen het beslag op te heffen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis met bepaling dat de man een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat hij niet of niet geheel aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 met veroordeling tot betaling van deze dwangsom aan de vrouw; 2. de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de (verdere) tenuitvoerlegging van de grosse van de beschikking op grond van artikel 5.1. van het convenant te staken en gestaakt te houden, althans deze tot € 6.899,00 te beperken, met bepaling dat de man een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat hij niet of niet geheel aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 met veroordeling tot betaling van deze dwangsom aan de vrouw; 3. de man te veroordelen tot betaling van de kosten van het onderhavige geding, waaronder het griffierecht, de noodzakelijke verschotten en het honorarium van € 2.000,00 van de advocaat van de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. De vrouw legt daaraan ten grondslag dat de tenuitvoerlegging zijdens de man onrechtmatig is om de volgende redenen: 3.2.1. Alleen veroordelingen en daarmee samenhangende verplichtingen zijn voor tenuitvoerlegging vatbaar. Bij een gerechtelijke uitspraak is die veroordeling normaliter kenbaar en duidelijk, maar een door partijen opgemaakte akte kan alleen executoriale kracht bieden “als iemand daarin beloofd heeft iets te doen” (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889, NJ 2013/123). Artikel 5.1. van het convenant houdt geen veroordeling of betalingsverplichting van een partij in. Ook een in een akte opgenomen bevoegdheid tot verrekening, maakt niet dat deze door een beslag als het onderhavige met dwang ten uitvoer kan worden gelegd. De vrouw heeft zich middels artikel 5.1. van het convenant niet verbonden om enig bedrag aan de man te betalen. Reeds daarom is artikel 5.1. van het convenant niet voor tenuitvoerlegging vatbaar en is de tenuitvoerlegging dus onrechtmatig. 3.2.2. In het arrest HR 26 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0646, NJ 1993/449 (Rabobank/Visser) is door de Hoge Raad uitgemaakt dat een akte als de onderhavige executoriale kracht kan toekomen met betrekking tot vorderingen waarvan;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.