RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: SHE 20/1063, SHE 20/1874 (was SHE 19/2005) uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2020 in de zaken tussen Stichting Groen Kempenland, te Netersel, eiseres (gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder (gemachtigden: mr. C.W.M. van Alphen en mr. M.G.W van der Hoff). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [vestigingsplaats] , vergunninghouder, gemachtigde: mr. C.R. Jansen. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit), gedeeltelijk gewijzigd bij besluit van 7 februari 2019, heeft verweerder besloten het verzoek van eiseres om intrekking van de omgevingsvergunning van de veehouderij van vergunninghouder niet in behandeling te nemen. Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning afgewezen, evenals de verzoeken die waren ingediend met betrekking tot andere veehouderijen. Eiseres heeft tegen het (gewijzigde) bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is aanvankelijk geregistreerd onder zaaknummer SHE 19/2005. Bij beslissing van 7 juli 2019 heeft de rechtbank bepaald dat voor elke betrokken derde-partij een afzonderlijke zaak wordt aangelegd. De zaak is vervolgens geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1874. Bij nader besluit van 31 augustus 2020 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd. Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder besloten de omgevingsvergunning milieu van de varkenshouderij aan de Wolfsven 1 te Reusel van 6 november 2012 (revisievergunning) niet in te trekken. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1063. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaken zijn behandeld op de zitting van 22 september 2020. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. In deze zaak gaat het om een verzoek van eiseres tot intrekking van een omgevingsvergunning omdat volgens haar geen gebruik is gemaakt van deze omgevingsvergunning. Eiseres heeft een aantal verzoeken ingediend met betrekking tot meerdere veehouderijen in de gemeente Reusel de Mierden. In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. Daarna geeft de rechtbank aan hoe zij beroepen tegen besluiten van verweerder op verzoeken om intrekking op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) beoordeelt. Vervolgens worden de beroepsgronden in deze zaak behandeld. De regelgeving waarnaar wordt verwezen in de uitspraak, staat in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten 2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 6 november 2012 heeft verweerder aan [naam] een omgevingsvergunning (voor de activiteiten milieu en bouwen) verleend voor het houden van 3.132 vleesvarkens op de locatie [adres] te [vestigingsplaats] . In de bestaande stal 2 mogen 1.152 varkens worden gehouden en in de nieuw te bouwen stal 3 mogen 1.980 varkens worden gehouden. Inmiddels is vergunninghouder eigenaar van [adres] . Op 26 oktober 2018 heeft eiseres verweerder verzocht de omgevingsvergunning in te trekken voor wat betreft de bouw van de niet gerealiseerde stal 3 en het daarin te houden aantal dieren. Bestreden besluit 1 heeft betrekking op dit verzoek. Op 19 augustus 2019 heeft eiseres verweerder verzocht de omgevingsvergunning in het geheel in te trekken. Bestreden besluit 2 heeft betrekking op dit verzoek. Tegen het ontwerpbesluit tot afwijzing van dit verzoek heeft eiseres op 14 februari 2020 zienswijzen ingediend. Stal 3 is nooit gebouwd. Ten tijde van het besluit van 31 augustus 2020 tot wijziging van het bestreden besluit 1 en ten tijde van het bestreden besluit 2 hanteerde verweerder het beleid “Uitvoeringsbeleid Kwaliteit, Vergunningen, Toezicht en Handhaving 1e herziening” (het intrekkingenbeleid). Intrekking algemeen 4. Eiseres verzoekt verweerder om gebruik te maken van de bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken. Verweerder mag de omgevingsvergunning helemaal of voor een deel intrekken als er drie jaar of langer (en bij een omgevingsvergunning voor bouwen of aanleggen een half jaar of langer) geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de betreffende omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank zal hieronder eerst enkele algemene uitgangspunten voor de beoordeling op een rij zetten aan de hand van de volgende vragen: • Wie moet aannemelijk maken dat de termijn van drie jaar dan wel een half jaar is verstreken of juist niet? • Kan en mag verweerder de omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken als een omgevingsvergunning gedeeltelijk niet is gebruikt? Hierbij zijn drie varianten denkbaar; • Welke eisen gelden voor het gebruik van de bevoegdheid tot intrekking? 5.1 Op wie rust de bewijslast dat er gedurende een bepaalde periode geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning en waar moet een verzoek om intrekking op deze grondslag in ieder geval aan voldoen? De rechtbank is van oordeel dat eiseres verweerder niet lukraak kan verzoeken om de omgevingsvergunning van een willekeurige veehouderij in te trekken. Dat heeft eiseres ook niet gedaan. Zij heeft de meeste verzoeken onderbouwd met de resultaten van meitellingen uit het verleden of zij heeft de verzoeken op een andere wijze onderbouwd. Meitellingen zijn onderdeel van de gecombineerde opgave die agrariërs omstreeks de maand mei van ieder kalenderjaar moeten indienen bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) (of de voorloper van deze organisatie) in verband met mestregelgeving en andere agrarische onderwerpen. Hierbij geven zij onder andere het aantal dieren aan dat wordt gehouden. Dit is een momentopname. Maar ook momentopnames over meerdere jaren kunnen een aanwijzing zijn dat er gedurende een periode minder dieren zijn gehouden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft hierover in het verleden onder het regime van de voormalige Hinderwet geoordeeld dat meitellingen een begin van bewijs kunnen opleveren dat er minder dieren zijn gehouden en dat (onder het regime van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet) de Hinderwetvergunning gedeeltelijk is vervallen. Als sprake is van zo’n begin van bewijs, dan komt de bewijslast van het tegendeel bij verweerder te liggen. De Afdeling heeft deze lijn doorgetrokken in de uitspraken van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1587) en 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:768). Dit zijn zaken over een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij gebruik werd gemaakt van zogenoemde externe saldering met de rechten van andere veehouderijen en waarbij in geschil was of deze rechten waren vervallen op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in ieder geval haar verzoek om intrekking voldoende heeft onderbouwd indien zij meitellingen over een periode van drie jaar of langer heeft overgelegd waaruit blijkt dat in de inrichting tijdens de momentopnames omstreeks de maand mei over een periode van drie jaar of langer geen of minder dieren aanwezig zijn geweest dan vergund. In dat geval heeft zij een begin van bewijs geleverd dat gedurende een periode van drie jaar niet of gedeeltelijk geen gebruik is gemaakt van de geldende omgevingsvergunning. Op verweerder rust (als hij stelt dat hij niet bevoegd is omdat de periode niet is verstrekken) de bewijslast van het tegendeel. 5.2 Kan en mag verweerder de omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken als een omgevingsvergunning gedeeltelijk niet is gebruikt? Als de stallen van een bedrijf niet zijn gebouwd, dan is verweerder bevoegd de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo na drie jaar in te trekken. Daarover verschillen partijen niet van mening. Maar kan verweerder de vergunning ook gedeeltelijk intrekken, bijvoorbeeld als de ene stal er wel staat en de andere niet? De Afdeling heeft in een uitspraak van 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2610) overwogen dat de bevoegdheid tot intrekken ook bestaat wanneer van een deel van de vergunning gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt. De tweede vraag is of verweerder ook bevoegd is om in te trekken als een stal er wel staat maar er gedurende drie jaren geen dieren zijngehouden. Verweerder heeft zich in het verweerschrift met betrekking tot een aantal zaken afgevraagd of eiseres wel een verzoek als het onderhavige kan indienen. Volgens verweerder geeft een omgevingsvergunning voor het oprichten en/of in werking hebben van een agrarische inrichting het recht om op een bepaalde plek gebouwen en dierenverblijven te hebben, maar verplicht de omgevingsvergunning niet om dieren te houden. Het recht om dieren te houden is volgens verweerder slechts een afgeleid recht. Een verzoek tot intrekking op basis van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo kan volgens verweerder slechts betrekking hebben op het rechts-vaststellende deel van de omgevingsvergunning, maar niet op het afgeleide recht om dieren te houden. Verweerder maakt hierbij een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1528), waarin de Afdeling overwoog dat een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming ook niet een bepaalde stikstofdepositie vergunt. De rechtbank is het niet eens met verweerder. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo geeft het recht om de inrichting in werking te hebben en te houden. De werking van de inrichting omvat niet alleen de boerderij met de stallen, maar ook de dieren in die stallen. Als er geen dieren worden gehouden, dan worden geen handelingen in die stal verricht met gebruik van de vergunning. Dit kan blijken uit een ontmanteling van de hokken of een ander gebruik van de stal, bijvoorbeeld voor opslag. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:996). Stel nu dat er wel dieren worden gehouden, maar minder dieren dan is toegestaan op grond van de omgevingsvergunning? Eiseres is van mening dat ook in dat geval verweerder bevoegd is om in te trekken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo. Zij vindt hiervoor steun in de oude rechtspraak van de Afdeling over artikel 27, derde lid, van de Hinderwet. Verweerder stelt, onder verwijzing naar rechtspraak onder het voormalige artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat hij alleen bevoegd is om in te trekken als de hele stal niet wordt gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alleen bevoegd is om in te trekken als er drie jaar of langer helemaal géén dieren van een bepaalde diercategorie in de betreffende stal worden gehouden. Dit moet per stal worden bekeken. Als er wel een deel van de dieren van de juiste diercategorie zijn gehouden in de stal, dan is verweerder niet bevoegd. De rechtbank beschouwt een stal als een zelfstandig onderdeel van een inrichting. Onder het oude artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer kon een milieuvergunning voor een stal en het houden van dieren in die stal namelijk vervallen als dat gedeelte niet binnen drie jaren na het onherroepelijk worden van de vergunning in werking was gebracht (zie onder meer de uitspraak van 2 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6107). Daarom bekijkt de rechtbank het gebruik per stal. Als in de stal wel dieren van de juiste diercategorie worden gehouden, ook al zijn dat er minder dan het aantal dat is vergund, dan worden er wel handelingen verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. De vergunninghouder kan op ieder moment besluiten om meer dieren te gaan houden tot het vergunde aantal. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in enkele uitspraken van de Afdeling over gevallen waarin een agrariër minder dieren ging houden. Als door het feitelijk minder houden van dieren binnen de inrichting de krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer gestelde regels van toepassing worden, leidt dit niet tot het vervallen van een omgevingsvergunning. Zolang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om wederom de vergunde en onverminderd vergunningsplichtige activiteiten te gaan uitvoeren (zie de uitspraken van de Afdeling van 29 oktober 2008 (, ECLI:NL:RVS:2008:BG1831) en 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:857 onder aan rechtsoverweging 6.2). Een andere uitleg zou ertoe leiden dat op verweerder bij iedere vermindering van het aantal dieren na drie jaar zou moeten bezien of de omgevingsvergunning voor dat deel moet worden ingetrokken. Gelet op de veel voorkomende fluctuaties in het aantal dieren dat wordt gehouden in een veehouderij die inherent zijn aan de bedrijfsvoering van een veehouder, is dit een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.