RECHTBANK OOST-BRABANT Toezicht Rekestnummer: C/01/365440 / FT RK 20/688 Uitspraakdatum: 22 december 2020 Afwijzing verzoek aanhouding op grond van Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV in de zaak van: [verzoekster] , hierna te noemen: verzoekster, tegen [verweerder], geboren [geboortejaar] 1971 te [geboorteplaats], wonende en zaakdoende te [adres], handelende onder de namen [handelsnaam 1], [handelsnaam 2], [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4], ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer], hierna te noemen: verweerder. 1Het procesverloop 1.1. Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend, ingekomen op de griffie op 27 november 2020 strekkende tot faillietverklaring van verweerder. 1.2. Bij brieven van deze rechtbank van 1 december 2020 zijn verzoekster en verweerder opgeroepen om ter zitting te verschijnen. 1.3. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de e-mail van verweerder d.d. 17 december 2020; - het “formulier beroep op tijdelijke voorziening betalingsuitstel COVID-19” (hierna:Formulier) met bijlagen d.d. 19 december 2020 van verweerder; - e-mail met bijlagen d.d. 22 december 2020 van mr. [persoon 1], namens verzoekster. 1.4. Het verzoekschrift en de nader ingekomen stukken zijn behandeld ter zitting van 22 december 2020. Ter zitting zijn verschenen de heer [verweerder], verweerder, en namens verzoekster is verschenen mr. [persoon 2]. 2De beoordeling 2.1. Verzoekster stelt dat zij een vordering heeft op verweerder en dat verweerder daarnaast andere schulden onbetaald laat. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. 2.2. Verweerder heeft op grond van de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV (hierna: Tijdelijke Wet) verzocht het verzoek tot faillietverklaring voor een periode van twee maanden aan te houden. Verweerder heeft het daarvoor bestemde Formulier ingevuld en daarin – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. Het horecabedrijf van verweerder is sinds medio maart 2020 gesloten in verband met de COVID-19 uitbraak. Verweerder is bezig met een herfinanciering van zijn horecapand waarin een substantiële overwaarde zit. De bank herfinanciert alleen wanneer het pand in verhuurde staat verkeert. Per 1 december 2020 heeft verweerder zijn pand verhuurd. Hij heeft tijd nodig om de herfinanciering rond te krijgen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij zijn horecabedrijf omstreeks juni/juli 2020 heeft beëindigd en dat zijn schulden verband houden met zijn schildersbedrijf dat hij eerder had en eind 2019 heeft beëindigd. Zijn schulden bestonden al vóór de COVID-19 uitbraak en hebben daar eigenlijk niets mee te maken. De oplossing voor zijn schulden, te weten herfinanciering van zijn pand, blijft echter wel uit als gevolg van de COVID-19 uitbraak. 2.3. Verzoekster verzet tegen een aanhouding van twee maanden op grond van de Tijdelijke Wet. Zij heeft – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. De vordering van verzoekster betreft sinds april 2018 niet afgedragen pensioenpremies. Deze pensioenpremies diende verweerder af te dragen in verband met het schildersbedrijf dat hij exploiteerde. Uit de door verweerder overgelegde jaarrekening blijkt dat het schildersbedrijf van verweerder al per ultimo 2019 niet meer werd geëxploiteerd. De vordering van verzoekster en schulden aan de belastingdienst (omzetbelasting) konden al vóór 1 maart 2020 niet worden voldaan. Het niet betalen van de pensioenpremies staat volledig los van de COVID-19 uitbraak. Uit de antwoorden die verweerder heeft ingevuld in het Formulier blijkt geen enkel vooruitzicht dat de schulden uit 2018, 2019 en 2020 uiteindelijk zullen worden voldaan. Ter zitting heeft verzoekster daar aan toegevoegd dat de Tijdelijke Wet beoogt om mensen te helpen die als gevolg van de COVID-19 uitbraak in de problemen zijn gekomen. Dat is hier niet het geval. Verzoekster wil verweerder wel twee weken de tijd geven om met hem een betalingsregeling te treffen en zij verzoekt de rechtbank de behandeling van het faillissementsverzoek twee weken aan te houden. 2.4. De rechtbank overweegt als volgt. 2.5. Op grond van artikel 2.2. van de Tijdelijke Wet kan de rechtbank op verzoek van een schuldenaar in afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Faillissementswet de behandeling van een jegens de schuldenaar ingediend verzoek tot faillietverklaring aanhouden gedurende een termijn van ten hoogste twee maanden. Deze termijn kan ten hoogste twee maal op verzoek van de schuldenaar worden verlengd met telkens een termijn van ten hoogste twee maanden. Op grond van artikel 2.2. lid 2 Tijdelijke Wet dient de schuldenaar bij zijn verzoek summierlijk aannemelijk te maken dat hij verkeert in de toestand waarin hij uitsluitend of hoofdzakelijk als gevolg van de uitbraak van het COVID-19-virus zijn onderneming niet zoals gebruikelijk heeft kunnen voortzetten en daardoor tijdelijk niet in staat is om voort te gaan met het betalen van zijn schulden. Deze toestand wordt in ieder geval vermoed aanwezig te zijn als de schuldenaar informatie over zijn financiële positie overlegt waaruit blijkt dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.