← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2020:6954

beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer : 7511153 Rolnummer : 19-1042 Uitspraak : 17 september 2020 Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 in de zaak van: 1 [eiser sub 1] ,

  1. [eiser sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisers, gemachtigde: J. Gyzel, DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., tegen: de vennootschap naar buitenlands recht Ryanair DAC, gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland, verweerster, gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers, Dirkzwager advocaten & notarissen N.V. 1Het verloop van het geding 1.
  2. Dit blijkt uit het volgende: de tussenbeschikking van 23 april 2020; de akte uitlating standpunt van de zijde van verweerster. 1.
  3. Tot slot is wederom een datum voor beschikking bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  4. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in de tussenbeschikking van 23 april
  5. 2.
  6. Eisers vorderen financiële compensatie voor vlucht FR4061 die op 28 september 2018 zou vertrekken van Catania, Italië naar Eindhoven. Aangezien vlucht FR4061 is geannuleerd vorderen eisers financiële compensatie van € 400,00 per persoon. 2.
  7. Verweerster heeft bij dupliek gesteld dat zij de vordering van eisers reeds heeft voldaan door middel van een betaling van € 814,
  8. Bij voornoemde tussenbeschikking is verweerster in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het standpunt van eisers dat de betaling van 28 november 2018 van € 814,50 dat verweerster aan eisers heeft voldaan, betrekking had op compensatie en additionele kosten voor de vertraagde heenvlucht FR4062 op 21 september 2018 van Eindhoven naar Catania, Italië. Verweerster heeft bij akte erkend dat de betaling van € 814,50 ziet op de heenvlucht met vluchtnummer FR4062 van 21 september
  9. Het gevorderde in deze procedure met betrekking tot de terugvlucht FR4061 is dus niet reeds door verweerster voldaan. 2.
  10. Verweerster heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een buitengewone omstandigheid, namelijk de staking van (een deel van) het personeel. De kantonrechter blijft bij het oordeel dat verweerster niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR4061 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. Daartoe is overwogen dat verweerster heeft aangevoerd dat zij op het moment van staking in onderhandeling was met de vakbonden, maar hieruit niet per definitie volgt dat de staking voor verweerster onvoorzienbaar was en ook niet dat verweerster daadwerkelijk geen invloed had om de staking te voorkomen. Het beroep van verweerster op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, kan dan ook niet slagen. De vordering van eisers tot betaling van een compensatie van € 800,00 (€ 400,00 per passagier) zal worden toegewezen. 2.
  11. Indien een passagier kiest voor restitutie van de reissom in de zin van artikel 8 van de Verordening, leidt dit er niet toe dat de passagier door deze keuze de (vergoeding van de kosten voor) verzorging als bedoeld in artikel 9 van de Verordening prijsgeeft. De bedoelde bijstand conform artikel 8 van de Verordening en het recht op verzorging conform artikel 9 van de Verordening, zijn – zo volgt uit artikel 5 lid 1 van de Verordening – namelijk zelfstandige verplichtingen die op de luchtvervoerder rusten. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub a en b van de Verordening hebben passagiers bij annulering van hun vlucht recht op bijstand als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van de Verordening. De volgende kosten worden, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval beoordeeld als noodzakelijk, passend en redelijk teneinde het verzuim van de luchtvaartmaatschappij om de verzorging van de passagier voor haar rekening te nemen, goed te maken (zie McDonagh/Ryanair (C-12/11 ECLI:EU:C:2013:43)): - Vervangende vliegtickets minus restitutie € 361,38 (€ 558,68 -€ 196,85) In totaal: € 361,38 2.
  12. Tegen de gevorderde wettelijke rente is door verweerster geen afzonderlijk inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze ook zal worden toegewezen. 2.
  13. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. 2.
  14. Verweerster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. 5De beslissing De kantonrechter: veroordeelt verweerster om aan eisers te betalen de som van € 1.161,83, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2018 tot aan de dag van voldoening; veroordeelt verweerster in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot heden vastgesteld op € 231,00 aan griffierecht en € 360,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast); wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Kobussen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.