beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer: WR 20/015 Beslissing van 14 juli 2020 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker. 1Procesverloop Op 23 december 2019 heeft [naam] (hierna: [naam] ) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V. (hierna: [naam] ) gedagvaard en tegen [naam] vorderingen ingesteld. Tegen deze vorderingen heeft verzoeker, directeur van [naam] , verweer gevoerd. De zaak zou behandeld worden op de zitting van 31 maart 2020, door mr. J. Lie. Die zitting is echter geannuleerd in verband met de corona-crisis en de hiermee verband houdende maatregelen. Bij brief van 20 maart 2020 heeft de rechtbank [naam] en [naam] meegedeeld dat de zaak wordt behandeld op de zitting van 23 juni 2020, door mr. J.H. Wiggers. Bij brief van 2 juni 2020 heeft de rechtbank [naam] en [naam] laten weten dat vanwege de coronamaatregelen de zitting online zal worden gehouden, via Skype. Wegens later opgekomen verhindering van mr. Wiggers is deze zitting verplaatst naar de agenda van mr. M.F.M.T. Franke. De rechtbank heeft [naam] en [naam] op 23 juni 2020 omstreeks 08:50 uur laten weten dat de zitting later die ochtend niet doorgaat, omdat mr. Franke zich niet vrij voelt om de zaak te behandelen. Ter toelichting hierop heeft de rechtbank verzoeker, in antwoord op zijn e-mails van 23 juni 2020 (09:43 uur en 11:57 uur), bij e-mail van 26 juni 2020 om 07:53 uur laten weten dat mr. Franke niet vrij staat in deze zaak, omdat zij de ouders van [naam] al geruime tijd persoonlijk kent. Bij e-mail van 26 juni 2020 om 09:40 uur heeft verzoeker ‘alle rechters en de gehele rechtbank ’s-Hertogenbosch’ gewraakt. 2De beoordeling 2.1 De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds afwijzen indien het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter of is gericht tegen het hele college. Dit is bepaald in artikel 9.1, aanhef en onder d, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant. 2.2 Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 36 Rv). Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek feiten en omstandigheden moet bevatten die specifiek betrekking hebben op de persoon van één of meer bij de zaak betrokken rechters. Het door verzoeker gedane verzoek tot wraking van alle rechters van de rechtbank Oost-Brabant en de gehele rechtbank Oost-Brabant is dus geen wrakingsverzoek in de zin van de wet. Het verzoek heeft immers niet specifiek betrekking op de persoon van een bepaalde rechter. Om die reden kan verzoeker niet in zijn verzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar daaraan wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. 3De beslissing De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven op 14 juli 2020 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. M.E. Bartels, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. voorzitter De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (artikel 39 lid 5 Rv)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.