beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer: WR 20/016 Beschikking van 13 augustus 2020 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonend op een bij deze rechtbank bekend adres, verzoekster, gemachtigde: dhr. [gemachtigde] tegen mr. J. van der Weij, in haar hoedanigheid van kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met het nummer [nummer] . Partijen zullen hierna respectievelijk verzoekster en de rechter worden genoemd. 1Procesverloop 1.
- De wrakingskamer heeft kennisgenomen van: - het proces-verbaal van de behandeling van de zitting van 18 juni 2020 met daarin het verzoek en de gronden tot wraking; - de schriftelijke reactie van de rechter van 29 juni 2020 op het wrakingsverzoek; - het dossier van de hoofdzaak. 1.
- De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 6 augustus
- De gemachtigde van verzoekster is ter zitting verschenen en heeft het wrakingsverzoek toegelicht. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter voorafgaand aan de zitting haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht. De rechter is niet ter zitting verschenen. 2Het wrakingsverzoek en het verweer 2.
- Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer [nummer] . 2.1.
- Het verzoek houdt kort gezegd in dat de rechter partijdig heeft gehandeld door in strijd met het fair trial beginsel een verzoek tot aanhouding van de zaak, gebaseerd op de omstandigheid dat stukken ontbreken, niet te honoreren. Ter zitting is deze wrakingsgrond herhaald. De gemachtigde heeft hierbij als reactie op het schriftelijke standpunt van de rechter aangevoerd dat de rechter ter zitting heeft aangegeven waarde te zullen hechten aan de ontbrekende stukken, maar dat zij bij haar beslissing onmogelijk waarde kan toekennen aan stukken waarover zij, de rechter, niet beschikt. 2.
- De rechter heeft in haar schriftelijke reactie van 29 juni 2020 aangegeven niet in de wraking te berusten. Volgens de rechter is de beslissing om de zaak niet aan te houden, maar over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, een procesrechtelijke beslissing die geen grond voor wraking oplevert. De rechter wijst er bovendien op dat zij bij haar gewraakte beslissing heeft aangegeven dat zij bij haar beslissing in de hoofdzaak zou beoordelen of, en ja welke, gevolgen verbonden moeten worden aan het standpunt van verzoekster dat deze niet alle stukken heeft. 3De beoordeling 3.
- Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in deze procedure te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen lijden. 3.2 De wrakingskamer stelt voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.
- Verzoekster vindt de rechter partijdig, omdat deze een verzoek tot aanhouding van de zaak vanwege ontbrekende stukken niet heeft gehonoreerd en de zaak inhoudelijk heeft willen behandelen. 3.4 De wrakingskamer stelt vast dat de wrakingsgrond is gebaseerd op een (in de ogen van verzoekster onjuiste) processuele beslissing van de rechter. 3.4.1 In beginsel levert een voor een partij onwelgevallige processuele beslissing op zichzelf geen grond voor wraking van de rechter op. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de rechterlijke (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. 3.4.2 Dit kan alleen anders zijn indien de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, in die zin dat de beslissing objectief gezien bij de verzoeker tot wraking de gerechtvaardigd vrees heeft kunnen wekken dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekster. 3.4.2 De aangevoerde grond haalt deze hoge drempel niet, met name niet nu de rechter bij de gewraakte beslissing al heeft uitgesproken te zijner tijd bij haar beslissing te zullen beoordelen of, en zo ja welke, gevolgen verbonden moeten worden aan het standpunt van verzoekster dat zij niet over alle stukken beschikt. Met deze overweging geeft de rechter onmiskenbaar aan dat zij zich bij haar beslissing mede zal uitspreken over het gestelde gemis van stukken en welke gevolgen dat dan moet hebben. Anders dan verzoekster stelt gaat het daarbij niet om een waardering van die ontbrekende stukken. De hiervoor onder 2.1.1 door de gemachtigde van verzoekster weergegeven interpretatie van deze mededeling berust dan ook op een onjuiste lezing ervan. 3.
- Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen. 4De beslissing De wrakingskamer: wijst af het verzoek tot wraking van mr. J. van der Weij in de zaak met het zaaknummer [nummer] . Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, voorzitter, mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in tegenwoordigheid van de griffier D.A. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus
- de griffier de rechter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.