beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 19/044 Beslissing van 7 januari 2020 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van: [verzoeker] wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. Ch. Dunnewijk, in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer C/01/345021 / FA RK 19-1566, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.1 De wrakingskamer heeft kennisgenomen van: - het proces-verbaal opgemaakt van de behandeling ter zitting van de enkelvoudige kamer van 3 december 2019 waarin het mondelinge wrakingsverzoek staat vermeld, - de schriftelijke reactie van de rechter van 11 december 2019 op het wrakingsverzoek van verzoeker; - de brief van verzoeker van 18 december 2019; - het dossier in de hoofdzaak. 1.2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 19 december
- Verzoeker is in persoon verschenen. De rechter is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. 2Het verzoek en het verweer 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met eerdergenoemd zaaknummer. Volgens verzoeker is de rechter vooringenomen. De gronden die verzoeker daarvoor heeft aangevoerd komen hierna aan de orde. 2.2 De rechter heeft blijkens het proces-verbaal aan het begin van de zitting d.d. 3 december 2019 aangegeven dat een processtuk, een brief van 23 november 2019 van verzoeker, niet in haar dossier aanwezig was. De advocaat van de wederpartij heeft toen haar exemplaar van de brief van 23 november 2019 aan de rechter gegeven. Vervolgens is de rechter verder gegaan met de behandeling van de zaak en is zij onderbroken door verzoeker omdat hij bezwaar maakte tegen het overleggen van de brief van 23 november
- De rechter heeft in reactie daarop het volgende gezegd: “Ik was aan het woord. U kunt reageren zodra ik u het woord geef”. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker de rechter gewraakt. 2.3 De rechter heeft bij brief van 11 december september 2019 aangegeven dat verzoeker het wrakingsverzoek ter zitting niet heeft gemotiveerd. Voor de volledigheid merkt de rechter nog wel op dat zij aansluitend aan de hiervoor genoemde zaak ook de echtscheidingszaak van verzoeker heeft behandeld. 2.4 Verzoeker heeft in zijn brief van 18 december 2019 het volgende opgenomen. Tijdens de zitting en bij het inventariseren van de aanwezigen werd door de rechter schamper en laatdunkend opgemerkt dat verzoeker in die zaak ook optreedt als advocaat. Daarbij werd ook letterlijk 'de neus opgetrokken' voordat het gesprek met de wederpartij werd voortgezet. Uit een dergelijke houding kan volgens verzoeker niets anders worden afgeleid dan dat er tenminste sprake is van vooringenomenheid van de rechter. De vooringenomenheid blijkt volgens verzoeker ook uit het feit dat kort daarna, op het moment dat door de rechter stukken werden geaccepteerd voordat enig debat over de toelaatbaarheid van die stukken werd geduld, hem het woord werd onthouden. De houding en reactie van de rechter hebben bij verzoeker de indruk gewekt dat hij niet serieus werd genomen en dat sprake is van vooringenomenheid. Verder voert verzoeker aan dat ook ten aanzien van de datum van de behandeling van de zaak onjuist en onzorgvuldig is gehandeld. Voorts stelt verzoeker dat zijn gevoel en de wijze waarop de zaak door de rechter werd behandeld is bevestigd door hetgeen in de aansluitende echtscheidingsprocedure met nummer C/1/344883 heeft plaatsgevonden. 3De beoordeling 3.1 Voor de beoordeling van wrakingsverzoeken als deze is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 3.2 In artikel 36 Rv is bepaald dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit artikel 37 Rv volgt dat het verzoek moet wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. 3.3 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. 3.4 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen door de brief van 23 november 2019 te accepteren. De beslissing van de rechter om de brief van 23 november 2019 te accepteren moet naar het oordeel van de wrakingskamer worden aangemerkt als een processuele beslissing. Als uitgangspunt geldt dat een als negatief ervaren processuele beslissing op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. De juistheid van de rechterlijke beslissing kan alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar om te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat laatste is slechts het geval als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard. Van een dergelijke onbegrijpelijkheid is in dit geval geen sprake. 3.5 Naar aanleiding van de in de brief van 18 december 2019 en tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer gegeven toelichting van verzoeker dat de rechter vooringenomen is omdat zij negatief reageerde op het feit dat verzoeker optreedt als zowel procespartij als gemachtigde wordt als volgt overwogen. In het proces-verbaal van de zitting staat niet vermeld dat de rechter een opmerking heeft gemaakt over het feit dat verzoeker optreedt als zowel partij als gemachtigde. Uit het proces-verbaal blijkt ook niet dat verzoeker expliciet heeft aangegeven dat de rechter door de wijze van bejegening vooringenomen is. In de gestelde omstandigheden had dit wel van hem mogen worden verwacht. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer niet gesteld of onderbouwd dat het proces-verbaal onjuist is. Omdat verzoeker de hiervoor genoemde omstandigheid pas in de brief van 18 december 2019 en tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, kan dat niet leiden tot wraking van de rechter. Artikel 37 Rv schrijft namelijk voor dat alle omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. De door verzoeker aangevoerde nadere grond was hem echter al vóór indiening van het verzoek bekend en is derhalve te laat ingediend. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog dat de wrakingsprocedure niet bedoeld is voor klachten over de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. 3.6 Tijdens de mondelinge behandeling bij de wrakingskamer heeft verzoeker aangegeven dat zijn wrakingsverzoek, anders dan de brief van 18 december 2019 lijkt te suggereren, niet is gedaan naar aanleiding van de processuele handelingen voorafgaand aan de procedure en de echtscheidingsprocedure. De wrakingskamer zal daar inhoudelijk dan ook niet op ingaan. 3.7 Omdat ook overigens niet is gebleken van concrete feiten of omstandigheden waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, wijst de wrakingskamer het wrakingsverzoek af. 4De beslissing De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van mr. Ch. Dunnewijk af. Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.S. Abbing, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.