vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/990004-15 Datum uitspraak: 13 februari 2020 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1984] , wonende te [postcode] , [straatnaam 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 september 2016, 30 november 2016, 20 februari 2017, 22 februari 2017, 14 juni 2017, 2 oktober 2017, 12 juni 2018, 5 november 2018, 6 november 2018, 27 november 2018, 24 januari 2019, 20 februari 2019, 27 februari 2019, 26 juni 2019, 17 september 2019, 18 september 2019, 19 september 2019, 25 september 2019, 1 oktober 2019, 2 oktober 2019, 8 oktober 2019, 9 oktober 2019, 10 oktober 2019, 29 oktober 2019, 31 oktober 2019 en 6 februari 2020. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna in enkelvoud: de officier van justitie) en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 augustus 2016. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 februari 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. (zaakdossier Bananen) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 te Amsterdam en/of Bunschoten-Spakenburg en/of Hillegom en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 3.150 kilogram en/of (ongeveer) 628 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 14 juli 2015 te Bunschoten-Spakenburg en/of Hillegom en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 3.150 kilogram en/of (ongeveer) 628 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, -een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of -zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of -voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft hij/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: -een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(
- en)en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(
- en)met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of -met een of meer perso(o)n(
- en)contact opgenomen en/of ontmoeting(
- en)gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer betaling(
- en)(laten) verricht(
- en)ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -(een) deklading(
- en)(bananen) laten regelen en/of -een ruimte laten regelen voor de aflevering en/of opslag van (
- de)container(
- s)met daarin de deklading(
- en)en de genoemde hoeveelheden cocaïne en/of voornoemde ruimte(
- n)bezocht op het moment van aflevering en/of -een of meer electrotrucks gehuurd en/of laten huren en/of bemiddeld in het huren hiervan; 2. (zaaksdossier Ananassen) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 april 2016 te Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, -een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of -zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of -voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers is/heeft hij / hebben/zijn verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: -een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(
- en)verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(
- en)met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of -met een of meer perso(o)n(
- en)contact opgenomen en/of ontmoeting(
- en)gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer betaling(
- en)(laten) verricht(
- en)ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -het bedrijf [bedrijf 22] als ontvanger van te importeren ananassen uit Panama laten oprichten en/of -een of meermalen afgereisd naar Panama en/of Colombia en/of -(een) deklading(
- en)(ananassen) laten regelen en/of -(een) ruimte(
- n)geregeld voor de aflevering en/of opslag van (
- de)container(
- s)met daarin de deklading(
- en)en/of die ruimte(
- n)(meermalen) bezocht (ten tijde van de aflevering); 3. (zaaksdossier Raamsdonksveer) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 1015,46 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer (tot op heden onbekend gebleven) mededader(
- s)op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft/hebben afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (ongeveer) 1015,46 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; bij / tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichting heeft verschaft door -een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(
- en)verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(
- en)met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of -met een of meer perso(o)n(
- en)contact opgenomen en/of ontmoeting(
- en)gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer betaling(
- en)(laten) verricht(
- en)ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -opdracht gegeven om een chauffeur/transportbedrijf en/of een of meer vervoersmiddel(
- en)te regelen en/of een ruimte te regelen voor de aflevering en/of opslag van (
- de)container(
- s)met daarin de deklading(
- en)en/of -de vrachtwagen op de snelweg met de container begeleid toen deze naar de die ruimte reed en/of -een of meermalen afgereisd naar Colombia; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1015 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, -een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of -zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of -voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers is/heeft hij / hebben/zijn verdachte en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk: -een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(
- en)verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(
- s)en/of één of meer andere perso(o)n(
- en)met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of -met een of meer perso(o)n(
- en)contact opgenomen en/of ontmoeting(
- en)gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -een of meer betaling(
- en)(laten) verricht(
- en)ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of -opdracht gegeven om een chauffeur/transportbedrijf en/of een of meer vervoersmiddel(
- en)te regelen en/of een ruimte te regelen voor de aflevering en/of opslag van (
- de)container(
- s)met daarin de deklading(
- en)en/of -de vrachtwagen op de snelweg met de container begeleid toen deze naar de die ruimte reed en/of -een of meermalen afgereisd naar Colombia; 4. (zaakdossier Witlof) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 21 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (van) voorwerpen, te weten -40.900 euro, althans (een) geldbedrag(
- en)en/of -een (personen)auto (merk Audi, type Q5) - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die voorwerpen voorhanden hebben gehad en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf; 5. (zaaksdossier Witlof) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2016 te Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (van) voorwerpen, te weten -een of meer geldbedrag(en), tot een totaalbedrag van 23.224,64 euro, althans (een) geldbedrag(en), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die voorwerpen voorhanden hebben gehad en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf; 6. (zaaksdossier Deklading) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 21 juni 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Hillegom en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (van) een of meer geldbedrag(en), althans een of meer voorwerp(en), te weten -256.950 euro en/of 213.050 euro en/of -141.900 euro - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die voorwerpen voorhanden hebben gehad en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt; 7. (zaaksdossier Samen) hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 21 juni 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of Hillegom en/of Amsterdam en/of Bilthoven en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen en/of Maarssen, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en een of meer natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk -het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(
- en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of -het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet en/of -het (gewoonte)witwassen van een of meer voorwerp(en); Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. De officier van justitie kan in de vervolging (ten aanzien van alle zaaksdossiers) worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Feit 1: zaaksdossier Bananen Het standpunt van de officier van justitie. Primair De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen cocaïne naar Nederland is vervoerd vanuit Antwerpen, zodat om die reden vrijspraak van het primair ten laste gelegde wordt gevorderd. Subsidiair Naar het oordeel van de officier van justitie is het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingshandelingen gepleegd die ertoe geleid hebben dat via [bedrijf 25] in de tenlastegelegde periode twee ladingen bananen met cocaïne in Antwerpen zijn ingevoerd met als bestemming [bedrijf 25] in Geleen. Het standpunt van de verdediging. Primair Er heeft geen invoer van cocaïne naar Nederland plaatsgevonden, de aangetroffen cocaïne is immers in Antwerpen achtergebleven. Vrijspraak dient daarom te volgen voor het primair tenlastegelegde. Subsidiair Vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] bij dit feit betrokken is, dient hij vrijgesproken te worden. Het oordeel van de rechtbank Inleiding. De rechtbank zal hieronder veelvuldig verwijzen naar documenten uit het dossier. Dit betreft administratie, waaronder facturen, transportdocumenten, e-mails en overeenkomsten. Daarnaast put zij uit bevindingen van verbalisanten. De rechtbank zal bij elke bron die zij noemt in een voetnoot de vindplaats noemen. Daar waar de rechtbank bewijs voor het tenlastegelegde feit 1 haalt uit verklaringen of taps/chats, zal zij de relevante delen daaruit opnemen bij de bewijsmiddelen en bij het vonnis voegen. Met betrekking tot de in de voetnoten genoemde documenten zal de rechtbank grotendeels volstaan met het noemen van de relevante inhoud daarvan. De rechtbank zal beginnen met het eerste tenlastegelegde feit (zaaksdossier Bananen) in een breder verband beschouwd. Dit is nodig omdat het samenwerkingsverband van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn doorwerking heeft in nagenoeg alle deeldossiers. Dat betekent dat de inleiding veelomvattend is. Een andere reden voor de lengte van de inleiding is gelegen in de grootte van het complete dossier. Dat komt weer door het uitgebreide en zeer actieve netwerk waarin een en ander zich afspeelde. Op grond van de in de bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de in de tekst genoemde voetnoten komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en conclusies. De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden daarin voor zover aan de orde hun weerlegging. A. Bewijsoverweging: zaaksdossier Bananen Feitelijke invoer Op 7 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 3.597,08 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam motorschip 1] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (UK) op 6 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. Op 14 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 627,65 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [naam motorschip 2] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (UK) op 13 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. Feit van algemene bekendheid is dat de haven van Antwerpen voor zeeschepen uitsluitend te bereiken is via het Nederlandse gedeelte van de Westerschelde. De voornoemde twee hoeveelheden cocaïne zijn aldus per schip binnen het grondgebied van Nederland gebracht. De rechtbank is daarom, anders dan de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bestanddeel “binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht” bewezen kan worden verklaard. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door meerdere rechterlijke uitspraken, zie onder meer de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX5435, alsmede van 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3076. Betrokkenheid en wetenschap verdachten De rechtbank zal schetsen of en op welke wijze verdachten betrokken zijn bij de invoer van de hierboven genoemde cocaïne. Daar waar verdachten betrokken waren bij de invoer van deze ladingen is hun handelen slechts als misdrijf te bewijzen als zij het opzet hadden op het invoeren van de hoeveelheid cocaïne. Daarvoor is onder meer vereist dat zij moeten hebben geweten van de in de containers aanwezige hoeveelheden cocaïne. De rechtbank zal hieronder dan ook nader ingaan op de vraag of verdachten die wetenschap hadden. Alle verdachten hebben als verweer gevoerd dat bij hen die wetenschap ontbrak. De rechtbank zal hieronder benoemen wat zij heeft aangetroffen in het dossier en daarbij telkens tussentijds haar conclusies bespreken. Voor de leesbaarheid van de tekst zullen die gedeelten bij dit zaaksdossier vetgedrukt zijn. Begin samenwerking [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] Op 12 november 2014 is [bedrijf 23] (hierna ook: [bedrijf 23] of [bedrijf 23] ) opgericht, op naam van [partner medeverdachte 1] . Op 1 november 2014 werd een bankrekening ( [rekeningnummer 15] ) op naam van [bedrijf 23] geopend bij de [bank] . In de Medion laptop die is aangetroffen bij een zoeking op 7 juni 2016 op de [straatnaam 2] te Heemstede (kantoorpand [bedrijf 23] waar [medeverdachte 2] werkte) werden Spaanstalige facturen van een Colombiaans bedrijf aangetroffen die zagen op boxes fresh green cavendish banana. Deze facturen dateerden van respectievelijk 15 november 2014, 4 en 12 december 2014 en waren gericht aan [medeverdachte 1] . De bestemming leek - vrij vertaald - de haven van Antwerpen te zijn. Passend bij de aantallen zoals genoemd in de facturen van december 2014 zijn er een tweetal Sea Way Bills aangetroffen van [bedrijf 24] , een bedrijf in Medellín, Colombia, waarin staat vermeld dat er 960 boxes verzonden worden aan [bedrijf 23] [straatnaam 3] Amersfoort, met daarbij als contactgegevens: [telefoonnummer 1] [e-mailadres 1] en [e-mailadres 1] . Passend bij het aantal boxes vermeld op de factuur van 15 november is een certificaat aangetroffen van [bedrijf 24] waarop eveneens [bedrijf 23] staat vermeld. In dezelfde periode werden er door het bedrijf [bedrijf 25] (waarvoor in oktober en november 2014 nieuwe bankrekeningen en een nieuwe directeur werden geregistreerd) eveneens bananen ontvangen met als afzender [bedrijf 24] . Uit een aantal Sea Way Bills blijkt dat zeker twee van de bovengenoemde vrachten bananen voor [bedrijf 23] het schip ( [schipnaam 1] en [schipnaam 2] ) gedeeld heeft met de bananen voor [bedrijf 25] . In Bunschoten zijn op respectievelijk 4 december 2014, 24 december 2014 en 2 januari 2015 contante geldbedragen (€ 3.000,00, € 3.000,00 en € 15.000,00) gestort op de bankrekening van [bedrijf 23] . Er zijn op 6 januari 2015 bananen aangekomen in Amersfoort op het adres van [bedrijf 23] Op 12 januari 2015 heeft [medeverdachte 2] een bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 23] inzake vrachtkosten bananen. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] vanaf november 2014 bezig is met de aankoop en import van bananen uit Colombia en dat [medeverdachte 2] hier sinds in elk geval januari 2015 bij betrokken is. De rechtbank constateert eveneens dat er een verband bestaat tussen de bananen voor [bedrijf 25] en de bananen voor [bedrijf 23] : ze worden op hetzelfde moment door dezelfde afzender met hetzelfde schip verzonden. Vanaf het moment dat [medeverdachte 2] de betaling heeft verricht is in het dossier zichtbaar dat er naar afnemers van de bananen gezocht wordt. Er lijken zelfs advertenties van bananen op marktplaats gezet te worden. Op 15 januari 2015 stuurt [medeverdachte 2] een mail aan [bedrijf 1] over de vraag wat het kost om de bananen vanuit Turbo in Colombia naar Rotterdam te laten vervoeren. Hij vraagt daarna om input aan [medeverdachte 1] : “daar jij de verkoper kent.” Op 10 februari 2015 mailt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] een interne berekening die niet per ongeluk door gemaild mag worden. Hierin staan kort gezegd de te verwachten opbrengsten en de afsluiting: “Niet slecht voor 2 boerenlullen zonder de ballen verstand van Bananen.. die pas 2 maanden bezig zijn. En dat is nog maar het begin..!!!!!!!!!!!!!!” Op 16 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een voorstel naar afnemer [naam afnemer 1] waarin hij aankondigt de maanden april, mei en juni drie vrachten bananen per week te kunnen gaan leveren die aankomen in de haven in Antwerpen. Op diezelfde dag accepteert [naam afnemer 2] van [naam afnemer 1] het aanbod en worden verdere afspraken gemaakt. Op 17 februari 2015 wordt door [medeverdachte 2] een berekening aan [medeverdachte 1] gestuurd met daarin vermeld de kosten van [medeverdachte 5] Beoogd wordt om hem aan te nemen per 1 mei 2015 met een proefperiode van 6 maanden voor een brutosalaris van 3.500 euro per maand. Een andere importeur De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op dat moment (dus half februari 2015) zeer concrete plannen lijken te hebben voor de invoer van bananen via de haven in Antwerpen en dat ze daarvoor een werknemer ( [medeverdachte 5] ) nodig hebben. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de enige bananen die [bedrijf 23] zelf ingevoerd heeft de drie vrachten in december 2014 en januari 2015 betreffen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt ook dat het qua invoer door [bedrijf 23] daar bij gebleven is. Hij verklaarde dat ze de samenwerking met [betrokkene 1] beëindigden. Dit betekent dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in februari 2015 concrete voorstellen deden over bananen die zij niet zelf in Nederland zouden invoeren. Uit niets blijkt dat zij op dat moment zelf bezig waren met contacten in Zuid-Amerika om zelf transporten naar Nederland te organiseren. Desalniettemin achtten zij zichzelf in staat bananen te verkopen en verwachtten zij wel de aankomst van bananen in Antwerpen in de maanden april, mei en juni 2015. Met ingang van 23 februari 2015 worden zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder met de titel algemeen directeur van [bedrijf 23] Op 31 maart 2015 en 1 april 2015 zijn de heer [betrokkene 2] , de heer [medeverdachte 5] en de heer [betrokkene 3] ( [telefoonnummer 2] ) bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven geweest. Medewerkers van de Kamer van Koophandel hebben hun bevindingen van deze bezoeken op 31 maart 2015 en die van de volgende dag in een document weergegeven. In dit document staat dat [betrokkene 2] op 31 maart 2015 een bestuurswisseling door wilde geven, maar niet goed genoeg wist waar het over ging en dus weggestuurd werd. In de middag kwam hij terug met [medeverdachte 5] en [betrokkene 3] . Het ging om een directiewisseling van [bedrijf 26] (die een onderneming heeft: [naam onderneming] ). [medeverdachte 5] vroeg of hij nou directeur werd van [naam onderneming] of van [bedrijf 26] Hij gaf niet blijk van enige kennis op dit punt en ook niet dat hij werkelijk wist waarvoor hij nou tekende, want toen het was uitgelegd moest hij nog een keer naar de hal om met [betrokkene 3] te overleggen. Het is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [medeverdachte 5] geen adres in Nederland had. Op 1 april 2015 kwamen ze weer terug voor een bestuurswisseling van [bedrijf 25] en [stichting] . Men liep tegen hetzelfde probleem met het adres aan. Inmiddels was [medeverdachte 5] wel naar de gemeente Heemstede geweest om zich in te schrijven, hiervan werd een uittreksel getoond door [betrokkene 3] . Dit was geen uittreksel van een woonadres. Verder speelde met betrekking tot [bedrijf 25] dat zij bestuurder was van een failliete onderneming en dat daardoor de curator groen licht zou moeten geven voor de wijziging. Op de middag van 31 maart 2015 zijn zoekslagen gedaan op een computer die is aangetroffen op het woonadres van [medeverdachte 2] . Het Export Summary Rapport bevat de volgende zoektermen: dinsdag 31 maart 2015 14:16: 30: [bedrijf 25] faillissement dinsdag 31 maart 2015 14:19:46: [betrokkene 2] oplichting - Last visit: 2015-03-31T12:16:30 – [bedrijf 26] Op 1 april 2015 om 12.02 uur mailt [naam afnemer 2] van [naam afnemer 1] aan [medeverdachte 1] op [e-mailadres 2] en in cc [medeverdachte 2] de vraag of volgende week inderdaad de eerste bananen binnen komen. Om 12.03 uur antwoordt [medeverdachte 2] aan [naam afnemer 1] (met in cc [e-mailadres 3] ): “Nee, door omstandigheden zouden ze pas volgende week vertrekken. Dit zal dan een miscommunicatie zijn geweest.” Het bovenstaande betekent dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kennelijk een leverancier van bananen hadden waardoor zij op de hoogte gehouden werden, terwijl [medeverdachte 5] nog geen rol had bij [bedrijf 23] of enig ander bedrijf. Ook blijkt uit het bovenstaande dat [medeverdachte 2] op 31 maart 2015 op een nauwe manier betrokken was bij de plannen waarin [medeverdachte 5] op de voorgrond werd geplaatst, hij voerde op de middag van de bezoeken van [medeverdachte 5] aan de KvK achter de computer onderzoek uit naar de informatie die daaruit naar voren kwam. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [bedrijf 23] in april of mei benaderd is door [bedrijf 25] om bananen af te nemen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [bedrijf 25] alleen via [medeverdachte 5] kende. Deze verklaringen passen niet bij de handel in bananen in de periode kort na januari 2015. Toen verkocht [bedrijf 23] bananen die zij zelf niet importeerde, en die naar later bleek door [bedrijf 25] werden ingevoerd. Op dat moment speelde [medeverdachte 5] nog geen rol en was dus het plan dat [bedrijf 23] zelf de bananen van [bedrijf 25] zou verkopen. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hielden zich hier intensief mee bezig. [betrokkene 3] - [bedrijf 25] , [bedrijf 23] en [bedrijf 2] [betrokkene 3] is een contact van [medeverdachte 1] . Zij kennen elkaar sinds in elk geval 2013. Volgens [betrokkene 3] heeft hij sinds juli 2015 geen contact meer met [medeverdachte 1] en hing de frequentie van contact af van de zaken die zij samen deden. In de periode van 1 maart 2015 tot en met 19 augustus 2015 heeft [medeverdachte 1] 607 keer telefonisch contact gehad met het toestel van [betrokkene 3] ( [telefoonnummer 3] ). Dit is hetzelfde nummer als het telefoonnummer dat door [betrokkene 3] is opgegeven bij de Kamer van Koophandel op 1 april 2015 (zie boven). Dat is in nog geen zes maanden (eigenlijk zelfs vijf, gelet op de verklaring van [betrokkene 3] ) meer dan 100 keer per maand. Ter vergelijking belde [medeverdachte 1] in diezelfde periode 2007 keer met [medeverdachte 2] (meer dan 335 keer per maand, gemiddeld dus tien keer per dag) en 258 keer met zijn partner [partner medeverdachte 1] (ongeveer 43 keer per maand). Met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] belde hij resp. 357 en 342 in diezelfde periode. [medeverdachte 1] heeft dus in de betreffende periode erg intensief contact gehad met [betrokkene 3] . [betrokkene 3] is op 3 november 2017 veroordeeld door de rechtbank in Antwerpen voor kortgezegd de invoer van 3.608,12 kilogram cocaïne. Deze veroordeling ziet op pakketten cocaïne in een op 29 juni 2015 in de haven geloste lading bananen bestemd voor de firma [bedrijf 2] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij eind 2014/begin 2015 eigenaar is geworden van de vennootschap [bedrijf 2] in Herentals. Hij is met dat bedrijf bananen gaan importeren. Hij heeft verklaard dat de namen [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] hem niets zeggen. Verder verklaarde hij dat [medeverdachte 1] hem heeft geholpen met het opzetten van een website voor [bedrijf 2] in april 2015. Uit onderzoek is gebleken dat de website van [bedrijf 2] , gevestigd aan de [straatnaam 4] in Herentals België ontworpen is door [bedrijf 3] . De domeinnaam van de website werd op 16 april 2015 geregistreerd door [medeverdachte 1] van [bedrijf 23] De website van [bedrijf 23] is ook ontworpen door [bedrijf 3] . De websites zijn qua tekst en vormgeving vrijwel identiek. In het dossier zitten mails uit Colombia over boekingen voor week 23 en 24. In beide mails worden bestanden bijgevoegd die zien op [bedrijf 25] en [bedrijf 2] . Van week 23 (rechtbank: 1-7 juni 2015) zitten ook twee cognossementen in het dossier gericht aan respectievelijk [bedrijf 25] ( [betrokkene 2] ) in Oudenbosch en [bedrijf 2] ( [betrokkene 3] ) in Herentals. Op beide cognossementen staat als scheepsnaam: [scheepsnaam] . De rechtbank constateert op basis van het bovenstaande dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] terwijl zij elkaar kenden in dezelfde periode zijn begonnen met het importeren van bananen. Nu [betrokkene 3] heeft aangegeven niet te weten wie [betrokkene 2] en [medeverdachte 5] zijn, maar wel wie [medeverdachte 1] is, en uit de stukken valt op te maken dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] elkaar zeer regelmatig spraken in die periode, gaat de rechtbank ervan uit dat [betrokkene 3] door [medeverdachte 1] in contact is gebracht met [medeverdachte 5] Uit het voorgaande blijkt verder dat in het najaar van 2014 zowel [bedrijf 25] , [bedrijf 23] als [bedrijf 2] bezig waren met het importeren van bananen. Vast staat dat [medeverdachte 1] van [bedrijf 23] en [betrokkene 3] van [bedrijf 2] elkaar kenden op dat moment. In maart 2015 verscheen [betrokkene 3] ( [bedrijf 2] ) met [betrokkene 2] ( [bedrijf 25] ) en [medeverdachte 5] (op dat moment beoogd werknemer van [bedrijf 23] ) bij de Kamer van Koophandel in Eindhoven. De rechtbank maakt hieruit op dat de bedrijven [bedrijf 25] , [bedrijf 23] en [bedrijf 2] in elk geval vanaf eind maart 2015 (maar waarschijnlijk al vanaf najaar 2014) bij elkaars reilen en zeilen betrokken waren en dit bleven totdat in ladingen voor zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 25] / [bedrijf 23] cocaïne werd aangetroffen. Dit onderschrijft de eerdere conclusie van de rechtbank dat [bedrijf 23] in februari 2015 als handelspartner contact had met [bedrijf 25] . Inzet [medeverdachte 5] In februari 2015 kwam [medeverdachte 5] als oude bekende weer in contact met [medeverdachte 2] . Meteen werden plannen gemaakt om [medeverdachte 5] ook aan het werk te zetten. Duidelijk is dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 5] op het spoor van [bedrijf 25] hebben gezet. [bedrijf 25] was op dat moment al in beeld als leverancier van de bananen die [bedrijf 23] wilde verkopen. Op 11 mei 2015 wordt [medeverdachte 5] algemeen directeur van [bedrijf 25] , [betrokkene 2] is dan al sinds 25 november 2014 enig aandeelhouder en bestuurder. Op 28 mei arriveren uiteindelijk de eerste door [bedrijf 23] aan [naam afnemer 1] verkochte bananen bij [naam afnemer 1] . Er ontstaat op 29 mei 2015 bij [naam afnemer 1] verwarring over de afzender die op de vrachtbrief (CMR) staat: [bedrijf 25] uit Geleen. [medeverdachte 2] reageert diezelfde ochtend geruststellend: “Wij hebben met [bedrijf 25] een overeenkomst dat we alle vrachten van hun overnemen. Je zult conform afspraak een factuur ontvangen van [bedrijf 23] Heemstede. Groeten [medeverdachte 2] ” De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de rol van [medeverdachte 5] bij [bedrijf 25] en hun betrokkenheid daarbij acht de rechtbank gelet op het bovenstaande ongeloofwaardig. De verklaring van [medeverdachte 5] past daarentegen wel bij bovenstaande bevindingen. In het eerste verhoor van [medeverdachte 5] , de dag dat hij door de politie was opgehaald van het vliegveld toen hij terugkwam uit Zuid-Afrika, dus zonder dat hij eerst het dossier had gelezen, verklaarde hij dat [bedrijf 25] van [medeverdachte 1] was en dat ze ( [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) hem er director van maakten. Het was een Belg die het verkocht, een klein vies ventje. [medeverdachte 1] had toegang tot [bedrijf 25] . In zijn tweede verhoor een dag later verklaarde hij dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen de partijen in Geleen afhandelden. Hij is nooit in Geleen geweest. Hij kent een [betrokkene 3] die alles zou regelen met betrekking tot het overzetten van [bedrijf 25] . Bovendien zijn in de laptop van [medeverdachte 1] de mailgegevens met inlogcodes van [bedrijf 25] en een aantal andere bedrijven aangetroffen. Ook de inloggegevens van beide bankrekeningen van [bedrijf 25] stonden in de laptop van [medeverdachte 1] . Op basis van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 5] [bedrijf 25] doelbewust hebben laten overnemen en hem verder buiten alles hebben gehouden. [medeverdachte 5] werd slechts op papier bestuurder van [bedrijf 25] maar had er feitelijk niets mee te maken. [medeverdachte 1] daarentegen had toegang tot de mail en bankzaken van [bedrijf 25] . Tussenconclusie De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het voorjaar van 2015 iets te verbergen hadden en dat zij samen een constructie op hebben gezet om dat te doen. Hiervoor hebben ze [medeverdachte 5] gebruikt. Inzet [bedrijf 4] De eerste lading bananen die aan [naam afnemer 1] was beloofd arriveerde op 28 mei 2015 bij [naam afnemer 1] , en kwam van [bedrijf 25] in Geleen. Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 4] ) blijkt dat het telefoonnummer zich op 28 mei 2015 tussen 10:15 en 10:56 in Geleen bevond, het heeft masten aangestraald binnen het bereik van de [straatnaam 5] aldaar. Op 28 mei 2015 om 10:41 uur mailt [medeverdachte 2] ( [e-mailadres 4] ) aan [naam afnemer 2] : Onderwerp: FWD: Foto 1 Beste [naam afnemer 2] . Zoals afgesproken de fotos (4 totaal). De vrachten , totaal 64 Pallets worden vandaag bij jullie aangeleverd door de firma [firmanaam] . Met vriendelijke groet [medeverdachte 2] . Ps factuur zorgt [medeverdachte 1] voor namens [bedrijf 23] Heemstede. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 2] een foto doormailt (Fwd) aan de klant op het moment dat de telefoon van [medeverdachte 1] in Geleen is. Deze bevindingen onderstrepen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de beschikking hebben over de bananen van [bedrijf 25] in Geleen. [bedrijf 4] Op 1 juni 2015 wordt [bedrijf 4] (hierna ook: [bedrijf 4] ) gevestigd, dit is op 2 juni 2015 geregistreerd. In zijn eerste verhoor op heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij eenmanszaak [bedrijf 4] moest vestigen. Hij moest transacties doen namens [bedrijf 23] en die kocht van [bedrijf 4] . [bedrijf 4] kocht van de leverancier. Volgens [medeverdachte 5] ging het om papieren transacties. In het dossier bevinden zich verschillende versies van een factuur van [bedrijf 4] aan [bedrijf 23] van 8 juni 2015. Deze versies zijn op 7 juni 2016 digitaal aangetroffen op de Medion laptop aan de [straatnaam 2] in Heemstede en op de laptop van [medeverdachte 1] . Verder zijn drie versies van die factuur op papier (waarvan een met opvolgend factuurnummer) aangetroffen in het kantoorpand aan de [straatnaam 6] in Amersfoort. De facturen zaten in een grijze ordner met op de ordnerrug: [bedrijf 23] ( [bedrijf 25] doorgestreept) Betaal Fact 2015. Deze factuur betreft in alle versies 960 en 2112 boxes Cavendisch CAT 2 en heeft telkens als totaalbedrag € 19.880,88. Per saldo komt de rechtbank in het dossier vier verschillende versies van dezelfde factuur met dezelfde bijzondere schrijfwijze van ‘Cavendish’ tegen in de stukken. In voornoemde ordner zat ook een factuur van 10 juni 2015 met betrekking tot 2784 Boxes Cavendisch CAT 2. Deze factuur heeft hetzelfde factuurnummer als die met het afwijkende nummer d.d. 8 juni 2015. Verder zaten er in de ordner twee facturen d.d. 19 juni 2015 en twee d.d. 26 juni 2015. Alle facturen betreffen Cavendisch/Cavendish bananen in verschillende hoeveelheden. De factuurnummers lijken niet helemaal te kloppen en op de facturen d.d. 26 juni 2015 is ook handgeschreven dat de factuur niet correct is in verband met de BTW over de commissie. De facturen van 19 juni 2015 zijn eveneens aangetroffen in de Medion laptop op de [straatnaam 2] . Onder de facturen staat ‘Met vriendelijke groeten, [medeverdachte 5] .’ Uit onderzoek naar de bankrekening van Handelsmaatschappij [bedrijf 4] bij de [naam bank] ( [rekeningnummer 1] ) blijkt dat deze rekening op 15 april 2015 geopend is door [medeverdachte 5] . De betaalpas is aangevraagd op 4 juni 2015. Op 8 juni 2015 werd door [bedrijf 23] onder vermelding van factuur [factuurnummer] een bedrag van € 19.880,88 overgemaakt aan [bedrijf 4] . Op 9 juni 2015 werd een bedrag van € 1,00 overgeschreven naar de bankrekening van [medeverdachte 1] met nummer [rekeningnummer 2] met als omschrijving: test. Op 9 juni 2015 werd ook een bedrag van € 19.113,88 (factuur [factuurnummer] ) en een bedrag van € 17,00 (restant overbetaling) overgeschreven naar de bankrekening van [bedrijf 25] [rekeningnummer 3] . Uit dit onderzoek blijkt verder dat er ook op 22 juni 2015 en 26 juni 2015 substantiële bedragen zijn ontvangen van [bedrijf 23] en doorbetaald aan [bedrijf 25] . De rechtbank constateert dat de betalingen van [bedrijf 23] aan [bedrijf 4] min of meer overeenkomen met de hierboven vermelde aangetroffen facturen. Er is niets aangetroffen dat wijst op de aankoop van de bananen door [bedrijf 4] . [bedrijf 4] komt niet voor als geadresseerde of afzender op transportdocumenten, er zijn geen facturen aan [bedrijf 4] en er zijn geen overeenkomsten gevonden tussen [bedrijf 4] en haar leverancier(s). Op 6 juli 2015, wanneer met [bedrijf 5] wordt gemaild over het inklaren van de door [bedrijf 25] aangekochte en aangeleverde vracht, wordt door een [medeverdachte 5] (die daarvoor voor zover bekend niet eerder onder die naam gemaild had vanaf het emailadres [e-mailadres 5] ) toestemming gegeven om die vracht te laten inklaren voor de firma [bedrijf 4] uit Heemstede. Deze mail ziet op de vracht die uiteindelijk op 9 juli 2015 in Geleen aan moest komen en waarin in de haven van Antwerpen 3.597,08 kilogram cocaïne is aangetroffen. De mailsessie vanaf 6 juli 2015 met [bedrijf 5] begint met de volgende tekst: “Hierbij geef ik u bij deze formeel toestemming om de door [bedrijf 25] aangekochte en aangeleverde vracht, te laten inklaren voor de firma [bedrijf 4] uit Heemstede Nederland, met [BTW nr] . Eea als gevolg van het tijdelijk niet actief zijn van ons eigen BTW nr. buiten onze schuld. Wij verontschuldigen ons bij u voor de overlast, en vertrouwen erop dat eea op deze wijze is verholpen, en streven ernaar om alles voor volgende week opgelost en geheractiveerd te hebben. Graag ontvang ik van u een bevestiging dat alles zo in orde is. Met vriendelijke groet, [medeverdachte 5] . [bedrijf 25] (…)” In telefoongesprekken van 12 augustus 2015 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wordt gesproken over deze mailsessie. In het antwoord van [bedrijf 5] wordt gevraagd om een factuur waaruit blijkt dat [bedrijf 25] de goederen heeft verkocht aan [bedrijf 4] . De rechtbank maakt hieruit op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kennis hebben van het feit dat er in juli 2015 gemaild is met [bedrijf 5] over een factuur van [bedrijf 25] aan [bedrijf 4] (die de rechtbank niet heeft aangetroffen). Op 10 juli 2015 wordt de loods aan de [straatnaam 5] in Geleen doorzocht. In een ruimte die kennelijk als kantoor was ingericht werd in een kast administratieve bescheiden aangetroffen (transportformulieren) en een visitekaartje van een fruitbedrijf. In een vuilcontainer werden snippers van een verscheurd transportformulier en stickers van vermoedelijk andere zendingen goederen aangetroffen. Dit werd in beslag genomen. Er werden 36 vrachtbrieven aangetroffen. Op deze vrachtbrieven staat voor de zendingen die vertrokken vanaf de loods in Geleen telkens vermeld als afzender [bedrijf 25] , al dan niet met daarbij handgeschreven [bedrijf 23] Geleen. De rechtbank maakt hieruit op dat ook in de loods aan de [straatnaam 5] niets op papier is aangetroffen dat duidt op de betrokkenheid van [bedrijf 4] . Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van [bedrijf 4] bij bananen, anders dan de bovengenoemde mail van 6 juli 2015 en de daarop volgende mails met [bedrijf 5] . Daar waar de namen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 5] worden genoemd als contactpersonen voor transporteurs of derden zoals Van Gansewinkel, is dat steeds namens [bedrijf 25] of [bedrijf 23] . Het bovenstaande wijst er op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die betrokken waren bij [bedrijf 25] , ook betrokken waren bij [bedrijf 4] . Zij beschikten ook over de inloggegevens van de mail van [bedrijf 4] . Dit past bij de verklaringen van [medeverdachte 5] De rechtbank hecht gelet hierop meer waarde aan de verklaringen van [medeverdachte 5] dan aan die van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 5] [bedrijf 4] hebben laten oprichten teneinde zelf uit beeld te blijven. Dit past ook bij de eerdere constatering dat [medeverdachte 5] bij [bedrijf 25] naar voren is geschoven door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het feit dat [bedrijf 4] naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte, is voor de rechtbank een duidelijk signaal dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daar wetenschap van hadden. Stortingen [bedrijf 25] had in 2014-2015 twee bankrekeningen: - [naam bank] rekening [rekeningnummer 3] , geopend op 1 oktober 2014, zakelijk vertegenwoordiger [betrokkene 2] , pasnummer-volgnummer: [pasnummer] ; - [straatnaam 8] te Erkelenz (Duitsland) [rekeningnummer 4] , geopend op 13 november 2014, gemachtigde [betrokkene 4] . Op beide bankrekeningen zijn contante geldbedragen gestort en daarvan werd onder meer betaald aan [bedrijf 24] te Colombia. Vanaf 3 juni 2015 lijkt er het een en ander veranderd te zijn: Op 3 juni 2015 worden de laatste stortingen bij de [straatnaam 8] in Erkelenz gedaan (totaal € 20.000,00), en op 3 juni 2015 wordt datzelfde bedrag overgemaakt naar de [naam bank] rekening van [bedrijf 25] . Op 3, 4 en 5 juni 2015 worden er ook bedragen gestort op de [naam bank] rekening van [bedrijf 25] , maar niet meer zoals eerder in het zuiden van het land. Nijkerk, Heemstede, Baarn en Bunschoten zijn de locaties van de stortingen die dagen. Daarna volgen geen stortingen meer op de [straatnaam 8] rekening van [bedrijf 25] , maar wel de volgende stortingen op de [naam bank] -rekening van [bedrijf 25] : 3 juni 2015: € 10.000,00 om 13.30 in Nijkerk 4 juni 2015: € 10.000,00 om 10.22 in Heemstede € 5.000,00 om 13.26 in Baarn 5 juni 2015: € 4.950,00 om 09.06 in Bunschoten en dan op 5 juni 2015 een betaling van € 40.265,28 aan [bedrijf 24] 11 juni 2015: € 15.000,00 om 10.49 in Bunschoten 12 juni 2015: € 15.000,00 om 14.14 in Bunschoten 15 juni 2015: € 15.000,00 om 11:07 in Bunschoten en dan op 15 juni 2015 een betaling van € 33.711,65 aan [bedrijf 24] 26 juni 2015: € 15.000,00 om 19.21 in Bunschoten 27 juni 2015: € 3.000,00 om 10.14 zonder locatie (locatie blijkt Baarn te zijn) € 4.000,00 om 10.09 idem € 4.000,00 om 10.07 idem € 4.000,00 om 10.03 idem 29 juni 2015: € 15.000,00 om 11:12 in Heemstede en dan op 29 juni 2015 een betaling van € 40.651,47 aan [bedrijf 24] 3 juli 2015: € 15.000,00 om 14.54 in Heemstede en dan op 7 juli 2015 een betaling van € 34.364,39 en € 2.379,07 aan [bedrijf 24] Op 7 juli 2015 werd de eerste lading cocaïne bestemd voor [bedrijf 25] inbeslaggenomen in Antwerpen. Na 7 juli 2015 vinden er alleen nog maar automatische afschrijvingen plaats op de Nederlandse bankrekening. En op de Duitse bankrekening vinden alleen nog maar renteafschrijvingen plaats. Vanaf begin mei 2015 houdt [medeverdachte 2] met [bedrijf 23] kantoor aan de [straatnaam 2] te Heemstede. [medeverdachte 1] houdt met [bedrijf 23] al langer kantoor aan de [straatnaam 3] in Amersfoort. [medeverdachte 2] woont in [plaatsnaam 1] en [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] . [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 4] liggen dichtbij [plaatsnaam 2] . Het valt de rechtbank op dat deze stortingen passen bij een ander ‘stortingspatroon’, te vinden in deeldossier Ananassen in samenhang met Deklading. Kort gezegd komen de bevindingen in die dossiers met betrekking tot deze periode (vanaf mei 2015) op het volgende neer. Stortingen Duitsland In mei 2015 heeft [medeverdachte 1] met een relatie van hem in Duitsland, medeverdachte [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) via Whatsapp contact over een plan waarvan niet zeker is of het doorgaat. Het heeft iets te maken met fruit kopen en dat ze moeten afwachten. Op 4 juni 2015 meldt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] dat hij heeft gezegd ‘ieder 30 K moeten die 2000 betalen’ en dat ‘die 60 of 90 per week willen doen’. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 6] : ‘Jij krijgt cash en overmaken naar België ’ en ‘Kan over drie dagen kan iedere dag zonder problemen in bank storten 30000’. [medeverdachte 6] stelt allerlei vragen en ook: ‘Oke wanneer moet dat dan van start gaan. Want ik moet er immers ook zijn dan’. [medeverdachte 1] reageert met: ‘WEET NIET !!! Wachten en maak geen enkele fout met overmaken omdat die mensen zoeken ons op’. [medeverdachte 6] lijkt niet te kunnen wachten, maar [medeverdachte 1] bericht pas op 11 juni 2015 dat die 90 willen doen vandaag. Ze spreken af voor morgen, dus 12 juni 2015, om 10.00 uur net over de grens bij Groningen. De Whatsappsessie is integraal opgenomen in het dossier Ananassen. Daaruit volgt dat in de zomer van 2015 [medeverdachte 1] regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever aan [medeverdachte 6] heeft overhandigd en dat [medeverdachte 6] deze bedragen heeft gestort en overgemaakt naar een Belgisch bedrijf, [bedrijf 6] . Er ontstond regelmatig stress over het tempo waarmee het geld op de Belgische rekening belandde. Uiteindelijk ging het mis met de stortingen van 19-21 augustus 2015 waarvan € 40.000,00 wel in België terecht kwam, maar € 52.000,00 niet. Dit leidde tot een ontmoeting op 11 september 2015 waarbij [medeverdachte 6] € 30.000,00 terug betaalde aan degene van wie het geld kwam; verdachte [verdachte] . Deze ontmoeting is geobserveerd. [medeverdachte 2] was van deze situatie op de hoogte. De resterende € 22.000,00 heeft [medeverdachte 1] via [bedrijf 23] (in overleg met [medeverdachte 2] ) aan [medeverdachte 6] geleend en aan [verdachte] overhandigd op 14 september 2015. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] eind mei 2015 met [medeverdachte 6] al communiceerde over geld dat gestort moest worden in opdracht van [verdachte] . Verder constateert de rechtbank dat de stortingen die op de [naam bank] -rekening van [bedrijf 25] werden gedaan volledig passen in het stortingspatroon van [medeverdachte 6] in Duitsland. De Whatsappberichten sluiten ook aan bij die bevindingen, die geven immers aan wanneer [medeverdachte 1] contact heeft gehad met [verdachte] (berichten dan wel ontmoetingen). Wanneer de gegevens naast elkaar gelegd worden leidt dit tot de volgende constateringen: Uit de apps van 4 juni 2015 blijkt dat [medeverdachte 1] contact gehad heeft met [verdachte] . In die periode (3, 4 en 5 juni 2015) is er geld gestort op de [naam bank] -rekening van [bedrijf 25] in [plaatsnaam 2] (woonplaats [medeverdachte 1] ) en omgeving en in [plaatsnaam 5] (kantoor [medeverdachte 2] ). Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op 11 juni 2015 weer contact met [verdachte] . Op 11, 12 en 15 juni volgens er stortingen van telkens € 15.000,00 in Bunschoten op de rekening van [bedrijf 25] (zie boven). Daarnaast brengt [medeverdachte 1] op 12 juni 2015 contanten naar [medeverdachte 6] , die die ochtend € 28.400,00 stort. Op diezelfde dag wordt een bedrag van € 27.500 overgeboekt naar [bedrijf 6] met als vermelding CONSULTING INVOICE [Invoice nummer] . Het rekeningnummer van [bedrijf 6] is volgens het bankafschrift van [medeverdachte 6] [rekeningnummer 5] . Een en ander betekent dat er van 11 tot en met 15 juni 2015 herleidbaar € 73.400 is gestort. Op 11 juni appte [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] dat die 90 willen doen en dat [medeverdachte 6] 30 moet storten. [medeverdachte 6] vraagt [medeverdachte 1] om rekeningen. In de laptop van [medeverdachte 1] zijn drie facturen aangetroffen van [bedrijf 6] aan [bedrijf 7] op het adres van [medeverdachte 6] . Deze dateren echter van 25 juni, 26 juni (consulting Invoice) en van 16 juli 2015 en hebben een ander rekening(factuur)nummer dan de hierboven genoemde factuur. In de laptop van [medeverdachte 1] is in de verwijderde items een notitie aangetroffen die volgens de metagegevens opgemaakt is op 20 juni 2015 te 16:08. Bovenaan deze notitie staat: Dingen voor volgende week die geregeld moeten worden. Op de tweede helft van het blad staat: [bedrijf 25] bij storten nieuwe betaling overkant Duitsland storting met overboeking Facturen in orde maken En eventueel nieuwe boeking organiseren Op 23 juni 2015 laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] weten dat hij ‘die’ een bericht gestuurd heeft en dat hij op antwoord wacht. Op 26 juni 2015 laat [medeverdachte 1] weten aan [medeverdachte 6] dat hij vandaag een afspraak heeft en dat hij misschien geld krijgt het is dan al te laat om [medeverdachte 6] nog te zien die dag. Op 26 juni 2016 om 19.21 uur wordt er wel weer € 15.000,00 gestort op de [naam bank] rekening van [bedrijf 25] in Bunschoten. Op 27 juni 2015 laat [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] weten dat hij nu 50K heeft. In de ochtend van 27 juni 2015 wordt er ook in vier delen € 15.000,00 gestort in Baarn op de [naam bank] -rekening. [medeverdachte 1] laat aan [medeverdachte 6] weten dat ze elkaar treffen in Amersfoort en dat hij vanuit Antwerpen komt. Op 28 juni 2015 wordt er op de rekening van [medeverdachte 6] € 22.300,00 en op 29 juni 2015 € 22.725,00 gestort. Op diezelfde dag wordt er € 32.300,00 overgemaakt aan [bedrijf 6] onder vermelding van Rek-Nr [rekeningnummer 6] . De factuur in de laptop van [medeverdachte 1] komt hier mee overeen qua bedrag en factuurnummer. Op 29 juni 2015 heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 6] en zegt hij dat hij morgen weer bij die mensen is. [medeverdachte 6] vraagt of ze in Holland zijn en [medeverdachte 1] bevestigt dit. Op de rekening van [bedrijf 25] wordt die dag € 15.000,00 gestort in Heemstede. Op 3 juli wordt er ook nog € 15.000,00 gestort in Heemstede. Op zondag 19 juli 2015 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] of hij kan storten. [medeverdachte 1] is nu in Antwerpen. Ze spreken af elkaar morgen te ontmoeten, [medeverdachte 1] vertrekt om 8 uur vanaf Antwerpen. Ze overleggen over hoeveel mogelijk is en [medeverdachte 1] sluit af met dat hij 100 brengt en dat [medeverdachte 6] dat in twee dagen doet. Daar verdienen ze samen 5000 aan. Op 21 juli 2015 wordt op de rekening van [medeverdachte 6] € 42.700,00 en € 20.000,00 gestort. Op die dag wordt ook € 41.200,00 overgemaakt aan [bedrijf 6] onder vermelding van Rek. Nr. [rekeningnummer 7] . Opvallend is dat er in de laptop van [medeverdachte 1] een factuur van 16 juli 2015 zit met nummer 16072015103 voor mediation export/sales food products 3 cargo voor een bedrag van € 41.200,00. Deze komt qua bedrag en datum overeen, maar niet qua factuurnummer. Op 22 juli 2015 bericht [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] dat hij foto’s moet sturen omdat hij pas geld krijgt als [medeverdachte 6] foto’s van de overboeking stuurt. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij vanaf Maastricht komt en ze spreken af in Emmerich. Op 22 juli 2015 wordt een bedrag van € 27.400,00 gestort en op 23 juli 2015 wordt een bedrag van € 46.200,00 overgemaakt naar [bedrijf 6] onder vermelding van Rek. Nr. [rekeningnummer 8] . [medeverdachte 6] vraagt [medeverdachte 1] dan ook om rekeningen omdat de bank rekeningen wil zien. Dan volgen er bijna dagelijkse stortingen in Duitsland: 24 juli 2015: € 10.000,00 om 14:58 25 juli 2015: € 8.900,00 om 11:19 27 juli 2015: € 10.500,00 28 juli 2015: € 16.700,00 om 13.22 Op 29 juli 2015 volgen er twee overboekingen naar [bedrijf 6] : € 17.800,00 onder vermelding van Rek. Nr [rekeningnummer 9] € 28.400,00 onder vermelding van Rek. Nr. [rekeningnummer 10] In augustus wil [medeverdachte 6] graag verder, desnoods zonder [medeverdachte 1] , maar [medeverdachte 1] zegt dat ze alleen een op een met hem willen en dat ze moeten afwachten. Op 18 augustus vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] hoeveel hij op een dag kan storten. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij met die is nu. Hij bericht: ‘Misschien 100 vandaag’. Ze spreken af om 1900 in Amersfoort. Er volgen stortingen: 19 augustus 2015: € 24.800,00 20 augustus 2015: € 40.000,00 21 augustus 2015: € 22.600,00 en een overboeking naar [bedrijf 6] van € 40.000,00 onder vermelding van Rek. Nr. [rekeningnummer 11] . Verder blijkt uit de afschriften van [medeverdachte 6] dat er op 11 september 2015 een bedrag van € 30.000,00 op zijn rekening is overgemaakt en dat hij dat bedrag heeft opgenomen op 11 september 2015. 11september 2015 Op 11 september 2015 is er in de namiddag een treffen tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] . Dit vindt plaats bij [tankstation] aan de [snelweg 1] . Door [medeverdachte 6] is een envelop met daarin € 30.000,00 euro overhandigd aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft deze envelop aan [medeverdachte 4] gegeven. [medeverdachte 4] maakte deel uit van het gezelschap van [verdachte] en [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft ter plaatse gesproken met zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 6] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een bedrag dat bij [verdachte] vandaan kwam en dat naar hem terug moest. Duidelijk is dat [medeverdachte 1] in de gesprekken met [medeverdachte 2] kort voorafgaand aan die ontmoeting met de namen Andries en Adriaan doelde op [verdachte] . [verdachte] – [bedrijf 25] De rechtbank stelt op basis van het bovenstaande vast dat de stortingen die gedaan zijn op de Nederlandse bankrekening van [bedrijf 25] vanaf 3 juni 2015, gedaan zijn door [medeverdachte 1] in opdracht van [verdachte] . Vast staat dat het geld dat werd gestort op de rekeningen van [bedrijf 25] werd gebruikt om geld over te maken aan [bedrijf 24] en aan andere bedrijven voor aan de import gelieerde kosten (transport, inklaren). Nu [medeverdachte 1] beschikte over de inloggegevens van beide bankrekeningen en hij in elk geval de stortingen vanaf 3 juni 2015 voor zijn rekening heeft genomen, gaat de rechtbank er ook van uit dat hij de bedragen die daarna zijn overgemaakt heeft overgemaakt. De rechtbank gaat er gelet op de Whatsappberichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] vanuit dat [medeverdachte 1] de opdracht hiertoe en de daarvoor benodigde gegevens van [verdachte] heeft gekregen. [betrokkene 2] De betrokkenheid van [verdachte] komt verder in beeld wanneer wordt gekeken naar de rol van eerdergenoemde [betrokkene 2] . In het dossier duikt [betrokkene 2] op in oktober 2014. Op 1 oktober 2014 vraagt hij een zakelijke rekening aan bij de [naam bank] voor [bedrijf 25] . Op respectievelijk 24, 25 en 26 november 2015 wordt [betrokkene 2] bestuurder van een aantal rechtspersonen, waaronder [bedrijf 25] (waarvan hij ook enig aandeelhouder wordt). Op dat moment is [bedrijf 25] al bananen aan het invoeren, zo blijkt uit een Sea Way Bill van 21 november 2014. Als bestemmingsadres is daarop ingevoerd [straatnaam 5] in Geleen en het wordt verscheept door [bedrijf 24] te Medellín, Colombia. De [straatnaam 5] is met ingang van 1 oktober 2014 gehuurd door [bedrijf 8] , de overeenkomst is getekend door gemachtigde [betrokkene 4] . Deze [betrokkene 4] heeft op 13 november 2014 de hierboven genoemde bankrekening ( [rekeningnummer 4] ) in Duitsland geopend voor [bedrijf 25] In diezelfde periode (juli 2014 – februari 2015) worden door [betrokkene 4] op de privérekening van [betrokkene 4] bij diezelfde [straatnaam 8] in Duitsland een groot aantal stortingen gedaan, gevolgd door overboekingen aan [bedrijf 6] Bij de stukken van [betrokkene 2] is een schermafdruk (d.d. 21-2-2015) gevonden van een bericht d.d. 10/12/2014 van [bank 2] met betrekking tot het nummer waarop de Security SMS zal worden ontvangen: + [rekeningnummer 12] . Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de overboekingen van [medeverdachte 6] op de rekening van [bedrijf 6] staat, volgt dat [bedrijf 6] een bankrekening bij [bank 2] had. In de loods aan de [straatnaam 5] in Geleen is een visitekaartje aangetroffen van [getuige 1] van [bedrijf 9] . In Colombia is een tweetal getuigen gehoord, waaronder bovengenoemde [getuige 1] . Deze laatste verklaart dat het hem bekende nummer van [bedrijf 6] gevestigd te Diepenbeek in België [telefoonnummer 5] is. Hij verklaart tevens dat hij met betrekking tot [bedrijf 6] contact onderhield met [afnemer] . [afnemer] heeft verklaard dat [bedrijf 6] bananen van hen kocht en dat hij betalingen ontving van [bedrijf 6] van bankrekening [rekeningnummer 13] . Hij heeft als telefoonnummer opgegeven: [telefoonnummer 6] . Beide heren verklaren overigens ook over de leveringen aan [bedrijf 25] . [betrokkene 2] heeft blijkens een bij zijn stukken aangetroffen bankafschrift op 6 november 2015 op zijn eigen bankrekening een betaling van € 800,00 ontvangen van de rekening van [bedrijf 6] te Diepenbeek ( [rekeningnummer 5] ). De rechtbank maakt uit deze gegevens op dat [bedrijf 6] gebruik maakte van [bank 2] rekening [rekeningnummer 13] en telefoonnummer + [rekeningnummer 12] . Delen van deze gegevens komen terug bij de stukken van [betrokkene 2] , via het kaartje in de loods van [bedrijf 25] in Geleen en uit de stortingen van [medeverdachte 6] voor [verdachte] . [betrokkene 4] voornoemd was betrokken bij [bedrijf 25] , maar ook bij [bedrijf 6] eind 2014, begin 2015. In de zomer van 2015 was [medeverdachte 1] betrokken bij beide ondernemingen in opdracht van [verdachte] . [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij de rekening in Duitsland voor [bedrijf 25] heeft geopend op verzoek van de kopers en dat zij de bankpasjes en de codes van hem gekregen hebben. [betrokkene 2] heeft [bedrijf 25] overgenomen, [betrokkene 4] is met hem naar de Kamer van Koophandel en de notaris geweest. [betrokkene 4] weet niet of [betrokkene 2] het voor zichzelf deed. Hij werd aangedragen door [betrokkene 5] , die zijn [stichting] ook heeft gekocht. Hij zat met [betrokkene 5] op kantoor op [straatnaam] in Susteren. [verdachte] heeft op 18 september 2019 ter zitting verklaard dat hij zichzelf en [betrokkene 5] herkent op foto’s die zijn gemaakt bij de deur van het kantoorpand aan [straatnaam] te Susteren in april 2015. [betrokkene 2] is meermalen door de politie verhoord en ook bij de rechter-commissaris. Hij heeft kort gezegd verklaard dat hij benaderd is door Alex en dat hij op verzoek van Alex het bedrijf [bedrijf 25] heeft overgenomen. Hij kent [betrokkene 4] , hij verklaart dat hij een kopie van zijn paspoort thuis had liggen. Deze kopie is inderdaad aangetroffen in zijn stukken. Hij had contact met [betrokkene 3] via Alex . Hij is met [betrokkene 3] naar de [bank 2] geweest voor het openen van een rekening voor [bedrijf 25] en de bankkaarten gingen naar Alex . Hij is ook met [betrokkene 3] naar Duitsland geweest voor het openen van een rekening bij de Sparkasse. Hij kreeg toen direct een pas mee en die heeft Alex meegenomen. In zijn eerste verhoor wordt hem de fotomap getoond. Uit deze map herkent hij in zijn eerste verhoor niemand. In zijn tweede verhoor een dag later worden hem losse foto’s getoond. Hij herkent daarop [betrokkene 4] en die Zuid-Afrikaan die de firma heeft overgenomen. In zijn derde verhoor herkent hij zonder twijfel uit dezelfde fotomap als in zijn eerste verhoor Alex ( [verdachte] ). Hier blijft hij bij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris. Betrouwbaarheidsverweer van [verdachte] met betrekking tot getuige [betrokkene 2] Namens verdachte [verdachte] is aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 2] waarin [verdachte] wordt herkend als iemand die samen met hem bemoeienis had in het bedrijf [bedrijf 25] onbetrouwbaar is. Hij baseert dit op de wijze waarop [betrokkene 2] verklaart en in het bijzonder op het feit dat hij aanvankelijk tot twee keer toe [verdachte] niet herkent en daarna ineens wel herkent. De verklaringen zijn innerlijk tegenstrijdig en het zomaar uitkiezen van een verklaring is in strijd met de regelen der kunst. Bij de latere verklaring heeft de kracht van herhaling wellicht zijn werk gedaan. De verklaringen moeten dus worden uitgesloten, dan wel niet gebezigd worden in een bewijsconstructie. De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van [betrokkene 2] in zijn derde verhoor ruim voldoende ondersteuning vindt in hetgeen hierboven aan feiten en omstandigheden staat beschreven. Zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 2] verklaren dat de rekeningen in opdracht van een ander/anderen moesten worden geopend en dat de bankpassen met diegene zijn meegegaan. [betrokkene 4] benoemt dat de koper van [bedrijf 25] behoort tot iemand van de groep van [betrokkene 5] , bij wie hij op kantoor zat. Hij benoemt ook dat de personen uit die groep zich wellicht niet altijd van hun eigen naam bedienen. Hij kent de naam [verdachte] . Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 4] verklaren dat er post voor hem arriveerde op de [straatnaam 9] in Echt. [verdachte] heeft verklaard bij [betrokkene 5] op kantoor in Susteren te zijn geweest. [betrokkene 4] heeft hier ook zijn kantoor gehad. Bovendien is gebleken dat [betrokkene 4] in het najaar van 2014 en begin 2015 geld op zijn Duitse privérekening heeft gestort en overgemaakt aan [bedrijf 6] . Hierboven is reeds vastgesteld dat [verdachte] degene is geweest voor wie in de zomer van 2015 grote sommen geld in Duitsland gestort moesten worden en daarna overgemaakt aan [bedrijf 6] . [medeverdachte 6] wist van [medeverdachte 1] dat de stortingen waren voor de aankoop van bananen, zo blijkt uit de Whatsapp gesprekken. In oktober 2015 is in Turbo (Colombia) in een partij bananen bestemd voor [bedrijf 6] te Diepenbeek 300 kilogram cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Het bovenstaande betekent dat het verweer door de rechtbank wordt verworpen en dat de verklaringen van [betrokkene 2] kunnen worden gebezigd voor het bewijs en dat het verweer op dit punt wordt verworpen. Betrouwbaarheidsverweer van [verdachte] met betrekking tot [medeverdachte 1] De rechtbank gebruikt bij de bespreking van dit zaaksdossier enkele passages uit de verklaring van [medeverdachte 1] in haar bewijsmiddelen. Namens [verdachte] is een betrouwbaarheidsverweer gevoerd. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat de door [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen en de door hem ingediende schriftelijke verklaring (hierna tezamen kortweg: de verklaringen van [medeverdachte 1] ) in hun geheel als onbetrouwbaar van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Nu in dit deel van het vonnis geen verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs worden gebezigd die zien op [verdachte] en het verweer daartegen gericht is, zal de rechtbank dit verweer met betrekking tot dit tenlastegelegde feit 1 reeds hierom verwerpen. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de door de rechtbank hier gebezigde passages uit de verklaringen van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld. Daarnaast wordt verwezen naar de overwegingen strekkende tot verwerping van het ten aanzien van [medeverdachte 1] gevoerde betrouwbaarheidsverweer zoals gegeven bij de tenlastelegging voor zover verband houdende met het zaaksdossier Raamsdonksveer, die als hier herhaald en ingelast kunnen worden beschouwd en die de verwerping van het verweer zelfstandig dragen. Conclusie met betrekking tot het opzet van verdachten De rechtbank stelt vast dat [betrokkene 2] is ingezet om [verdachte] buiten beeld te houden. [verdachte] was degene die de scepter zwaaide met betrekking tot de handel van [bedrijf 25] , hij regelde de financiering van de ladingen bananen en de bijkomende kosten. Hij had er kennelijk echter een groot belang bij zelf buiten beeld te blijven. [betrokkene 2] is op enig moment vervangen door [medeverdachte 5] en [verdachte] heeft [medeverdachte 5] gevonden via zijn tussenpersonen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Vast staat dat [verdachte] contact had met [medeverdachte 1] in mei 2015. Nu niet valt in te zien hoe [verdachte] in maart 2015 [medeverdachte 5] met [betrokkene 2] naar de Kamer van Koophandel kon sturen zonder dat hij [medeverdachte 5] geïntroduceerd heeft gekregen, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 5] voor die positie naar voren heeft geschoven. [medeverdachte 1] zal hierover contact gehad hebben met [verdachte] . Dit ligt ook voor de hand nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in februari 2015 reeds bananen van [bedrijf 25] aan het verkopen waren. [verdachte] is de drijvende kracht achter de handel van [bedrijf 25] geweest en heeft ervoor gezorgd dat hij buiten beeld bleef omdat er grote hoeveelheden cocaïne mee moesten komen met de bananen. Om dit buiten beeld blijven goed te organiseren heeft hij [medeverdachte 1] (en daarmee ook [medeverdachte 2] ) ingeschakeld. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren van de reden hiervoor op de hoogte, zij werkten er ten volle aan mee. Zij hebben [medeverdachte 5] hiervoor bewust gebruikt. [medeverdachte 1] heeft vanaf halverwege mei 2015 besproken met [medeverdachte 6] dat er vooruitzichten waren die te maken hadden met stortingen door [medeverdachte 6] . [medeverdachte 1] was toen dus bezig met stortingen in Duitsland voor [verdachte] . [medeverdachte 6] was een oude bekende van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 6] bij [verdachte] geïntroduceerd. Vanaf het moment dat het startte in juni 2015 ging het om substantiële bedragen. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in elk geval in februari 2015 zaken deden met [verdachte] . Er zijn zeker aanwijzingen voor eerdere betrokkenheid (zoals het gelijktijdig laten verschepen van bananen door [bedrijf 23] en [bedrijf 25] en het gelijktijdig starten met importeren van bananen door [bedrijf 23] , [bedrijf 25] en [bedrijf 2] ), maar nu dit buiten de scope van dit onderzoek en deze tenlastelegging valt, zal de rechtbank hier niet verder op ingaan. Vanaf in ieder geval mei 2015 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dan ook betrokken geweest bij het creëren van een rookgordijn ten behoeve van [verdachte] . Zij hebben vanaf dat moment geweten dat zij betrokken waren bij het invoeren van bananen uit Zuid-Amerika waarbij de ware spelers (inclusief zijzelf) buiten beeld moesten blijven. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wetenschap hebben gehad van de reden van de beoogde schimmigheid: het invoeren van cocaïne. Het inschuiven van [bedrijf 4] bij de bewuste lading is een duidelijk signaal dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook op de hoogte waren van in welke lading de cocaïne zat. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moeten deze kennis hebben verkregen van [verdachte] . Uiteindelijk is ook in twee ladingen bestemd voor [bedrijf 25] een zeer grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben samen bewust hun werk gemaakt van verschaffen van een legale dekmantel voor de praktijken van [verdachte] . Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging opzettelijk cocaïne hebben ingevoerd in juli 2015. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank duidelijk dat het bij [medeverdachte 5] aan wetenschap en dus opzet ontbrak in zaaksdossier Bananen. [medeverdachte 5] zal dus met betrekking tot feit 1 worden vrijgesproken. Algemene beschouwingen op het dossier als geheel Algemene overwegingen over opzet Voordat verder wordt gegaan met de bespreking van de verschillende feiten en dus zaaksdossiers zal de rechtbank eerst nader ingaan op het beeld dat ontstaat wanneer het complete dossier wordt bezien. Dit is van belang omdat hieruit door de rechtbank mede het opzet van de betrokken verdachten op de aan hen tenlastegelegde Opiumwetdelicten wordt afgeleid. De rechtbank constateert dat het dossier zich concentreert op het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Er is sprake van het opzetten van verschillende handelslijnen ten behoeve van de import van producten uit Zuid- en Midden-Amerika. De rechtbank merkt uitdrukkelijk op dat zij niet uitsluit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] buiten dat met verschillende andere producten uit wellicht andere landen bezig waren. Dit doet echter aan de vaststellingen en conclusies van de rechtbank over de werkzaamheden van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot de producten uit Zuid- en Midden-Amerika niet af. Werkwijze [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn nadat de bananen van die op 9 juli 2015 zouden worden bezorgd niet meer in actie gekomen voor [bedrijf 25] . Ook hieruit blijkt dat zij op de hoogte waren van het transport dat cocaïne bevatte. Het abrupt beëindigen van een bestaande handelslijn is opvallend. Vanaf het moment dat de telefoontaps op de lijnen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden aangesloten (pas vanaf 11 augustus 2015) blijkt wel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volop doorgaan met het organiseren van de verkoop van producten uit Zuid-Amerika. Vanaf het moment dat de taps lopen is er een lopend werkproces. Niets hoeft nog onderling te worden afgestemd, men heeft aan een half woord van elkaar genoeg. Dit blijkt onder meer uit het feit dat ze dan spreken over/met: de codenamen voor personen; de berichten van/contacten met die personen; de kleine telefoontjes; de bananen en de ananassen; dat [medeverdachte 5] er buiten gehouden moet worden; de geldstromen. Een sprekend voorbeeld is een gesprek van 11 augustus 2015 om 13.10 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] : [medeverdachte 1] zegt uit de buurt van Eindhoven te komen want hij had vanmorgen even een afspraak met die accountant en met [betrokkene 13] (fon) er bij. [medeverdachte 1] zegt dat die nog erger is dan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 1] moest letterlijk en figuurlijk alles voorkauwen. [medeverdachte 2] zegt dat dat alleen maar lekker is. [medeverdachte 2] zegt dat hij [medeverdachte 1] wat dat betreft een handje kan geven. [medeverdachte 1] zegt dat alles daar nu klaar en geregeld is. "Hij" weet wat hij moet doen. [medeverdachte 1] is nu onderweg terug. [medeverdachte 2] vraagt of [medeverdachte 1] die Bill of Lading binnen heeft van die ananassen. [medeverdachte 1] zegt van wel en heeft die al lang. [medeverdachte 1] wacht nog op de pre factuur. Als die binnen is kunnen ze gaan bellen. [medeverdachte 1] zegt dat "hij" alles in de gaten zal houden en [medeverdachte 1] heeft hem gezegd dat als die binnen is er gelijk actie ondernomen moet worden. [medeverdachte 1] krijgt dan een berichtje en kan dan mee kijken. [medeverdachte 2] zegt dat er niets gedaan mag worden zonder dat [medeverdachte 1] het ziet. [medeverdachte 1] zegt dat er inderdaad niks gedaan of beantwoord mag worden zonder dat hij het weet. [medeverdachte 1] zegt dat "hij" dat nu snapt. [medeverdachte 2] vraagt of [medeverdachte 1] die afspraak met die andere jongens, Rotterdam, nog gemaakt heeft. [medeverdachte 1] heeft hen nog niet gehoord maar denkt dat die in de loop van de dag wel zullen bellen. [medeverdachte 2] zegt dat die dan al weer een slechte start hebben want ze zouden gisteravond of vanmorgen wat laten horen. [medeverdachte 1] zegt dat ze vandaag zouden bellen. [medeverdachte 2] zegt gisteravond of vanochtend. [medeverdachte 1] heeft niets gehoord en wacht af. [medeverdachte 2] zegt dat dit de eerste keer is dat ze hun afspraak niet nakomen. [medeverdachte 1] zegt dat de tussenpersoon zei dat ze vanavond of morgenochtend zouden bellen om een afspraak te maken. [medeverdachte 2] vraagt of zij elkaar vandaag nog moeten zien en [medeverdachte 1] zegt in principe niet. [medeverdachte 1] wil morgen naar kantoor toe komen want dan heeft hij de hele dag. (…) [medeverdachte 2] vraagt of [medeverdachte 1] nog contact met Es (fon) gehad heeft over dat zout en die sojabonen. [medeverdachte 1] heeft Es gisteravond een bericht gestuurd en ze zijn bezig. [medeverdachte 1] zegt op die mensen aan de andere kant te wachten voor die sojabonen zeg maar. (...) [medeverdachte 2] vraagt of Gé (fon) nog iets had voor die soja? [medeverdachte 1] heeft daar niets van gehoord maar ze zijn er wel mee bezig. Als ze informatie hebben bellen ze [medeverdachte 1] gelijk op. Spreken elkaar later In dit gesprek komt de positie van [medeverdachte 5] aan de orde, ananassen, de stand van zaken met betrekking tot S en G (codenamen) en het krijgen van berichten van hen. Hieronder zal de rechtbank de kenmerken van de werkwijze van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bespreken, zoals deze blijken uit het gehele dossier. Er wordt in de voetnoten vooral verwezen naar taps, maar ook naar andere stukken. De rechtbank zal niet uitputtend de taps noemen die gaan over de desbetreffende onderwerpen, maar steeds een aantal ter onderbouwing van hetgeen benoemd wordt. Importeren van producten uit Zuid- en Midden-Amerika Onderzoek 26Gadolinium beslaat een groot aantal zaaksdossiers. Hieronder zijn de zaaksdossiers opgesomd waarin sprake was van het importeren van een legaal product in of via Nederland. De rechtbank merkt op dat alle betreffende producten werden geïmporteerd vanuit een Zuid- of Midden-Amerikaans land. zaaksdossier product land van herkomst Bananen bananen Colombia Ananassen ananassen Panama Gerard hout Brazilië Simon meubels Colombia Glycerine glycerine Colombia Raamsdonksveer ananassap Costa Rica Codenamen en communicatie met die personen (onder meer de Blackberry toestellen) Uit de taps komt naar voren dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bepaalde letters of namen beginnend met die letters gebruiken voor handelscontacten. In dit onderzoek heeft de focus gelegen op A ( Aad , Adriaan , Andries ), S ( [naam 1] ) en G ( Gerard ). Uit de taps blijkt niet van enig rechtstreeks telefonisch contact met deze personen. Toch is het zo dat [medeverdachte 1] regelmatig berichten van hen ontvangt en zo nu en dan ontmoetingen met hen heeft. Uit bovenstaande overwegingen over het zaaksdossier Bananen blijkt dat met Adriaan / Andries [verdachte] wordt bedoeld. In dit onderzoek is vastgesteld dat [medeverdachte 1], maar ook [verdachte] beschikten over een of meerdere Blackberry/PGP-toestellen. Het is dus zeer wel mogelijk dat zij onderling contact hebben gehad buiten de getapte lijnen om. Op 15 september 2015 vertelt [medeverdachte 1] ook aan [medeverdachte 2] dat hij bijna zijn telefoon in een envelop aan Adriaan had terug gegeven. ‘Ik zeg dat is mijn telefoon, want ik zeg die praktijken daar ben ik niet van gediend.’ In de verschillende zaaksdossiers wordt zichtbaar dat er sprake is van het gebruik van Blackberry-toestellen. [medeverdachte 1] heeft hierover bijvoorbeeld in relatie tot [medeverdachte 7] over verklaard dat hij van Gerard (in datzelfde verhoor wees hij op een foto [medeverdachte 7] aan als Gerard ) een witte Blackberry telefoon heeft gehad. Bovendien is onder [medeverdachte 1] een Blackberry in beslag genomen die toen recent in gebruik leek te zijn genomen en waarin berichten stonden over glycerine. In zaaksdossier Simon blijkt dat [medeverdachte 5] in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op zondag 18 oktober 2015 naar Antwerpen moest om iets op te halen, maar ook om iets voor Simon vanuit Amsterdam naar Antwerpen te brengen. [medeverdachte 5] verklaarde daarover dat hij ’s avonds een telefoon naar Antwerpen moest brengen en dat het een Blackberry was in een gesealde Blackberry doos. Over de tap komt ook zeker drie maal (in verschillende zaaksdossiers) naar voren dat de ‘telefoon’ het niet doet. Blackberry toestellen zijn regelmatig voorzien van PGP encryptie. Van deze Pretty Good Privacy Blackberry toestellen, die alleen gebruikt kunnen worden door via een bepaalde server afgeschermd met elkaar contact te hebben, wordt veel gebruik maakt in het criminele circuit. Daarnaast is er een alternatief op het gebruik maken van de PGP-server. Dan wordt er gebruik gemaakt van een Micro SD kaart met een encryptiemodule van het merk Certgate (ook bekend onder merknaam BC no 1). Het voordeel ten opzichte van PGP is dat de berichten rechtstreeks van de ene telefoon naar de andere gaan. Uit het lichaam van [verdachte] is na zijn aanhouding zo’n Micro SD kaart tevoorschijn gekomen. In de woning van [medeverdachte 3] is een doosje aangetroffen van het merk No. 1 BC, met pasje en gebruikershandleiding. Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 3] 29 Blackberry toestellen aangetroffen. Verder blijkt dat [medeverdachte 1] zowel tegen [medeverdachte 6] als tegen [medeverdachte 2] zegt dat men alleen contact met hem wil. [medeverdachte 1] houdt [medeverdachte 2] wel continu op de hoogte van zijn contacten met de bewuste personen, [medeverdachte 2] vraagt er ook steeds naar. Overig versluierd taalgebruik De rechtbank ziet hetzelfde als verbalisanten in de getapte telefoongesprekken met betrekking tot het vragen naar marges door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] . Een concreet voorbeeld zijn de gesprekken van 6 oktober 2015. Wanneer het over de lading foeilelijke meubels gaat (gesprek rond 09 uur in de ochtend) bevestigt [medeverdachte 1] desgevraagd aan [medeverdachte 2] dat er wel een grote marge op zit. In datzelfde gesprek vraagt concludeert [medeverdachte 2] dat het verhaal met Gerard (hout is betaald, dus kan niet afgeblazen worden) dan een kleine zaak is met een kleine marge erop. Later die dag rond 16 uur spreken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar weer. Dan gaat het weer over het hout van Gerard . [medeverdachte 2] vraagt of er een tweede vracht achteraan komt, [medeverdachte 1] zegt van niet. [medeverdachte 2] vraagt of er dan wel een grote marge op zit, [medeverdachte 1] zegt van niet. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 2] dat wist. Er wordt bijvoorbeeld ook door [medeverdachte 1] overlegd over wat voor term gebruikt zal worden voor goederen. “ [medeverdachte 5] vraagt wat die moet rijden wat zal ik zeggen”, “dat ik niet iets zeg waar het niet op lijkt.” Overigens leidt dit juist in dat dossier tot wat verwarring tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , omdat [medeverdachte 2] in de eerste instantie denkt dat met ‘groen’ geld bedoeld wordt. Vermoeden van afluisteren/angst voor meelezen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben het er regelmatig over dat ze dingen niet over de telefoon kunnen bespreken. Ook vermoedt [medeverdachte 2] dat hij afgeluisterd wordt. [medeverdachte 2] vraagt zich ook af of hij dingen naar [medeverdachte 1] kan mailen. Kleine telefoontjes / één-op-éénlijnen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gebruiken zonder enige aarzeling of nadere uitleg een één op één lijn die zij de ‘kleine telefoontjes’ noemen. Zij schakelen met enige regelmaat. [medeverdachte 1] heeft een groot aantal verschillende telefoons die hij consequent voor verschillende personen gebruikt. Dat is wel eens onhandig, als je in de auto iets in één van je drie telefoons moet opzoeken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] benoemen ook de noodzaak van het aanschaffen van een nieuwe één-op-éénlijn (voor met de accountant). [medeverdachte 2] gaat die dingetjes even halen en heeft wel wat Latex verf en geeft ze dan alle twee een grote stip, dan weet je welke welke is. Van twee van de nummers bij [medeverdachte 1] in gebruik blijkt dat hij die nummers gebruikt om te bellen met een nummer wat alleen met de laatste drie cijfers afwijkt van zijn eigen nummer. Zo zijn de nummers van de kleine telefoontjes van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] : [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 8] ( [medeverdachte 2] ) En de telefoon die [medeverdachte 1] gebruikt in het zaaksdossier Kerstpakketten (‘Bel op die’) heeft hij daarvoor gebruikt met [naam boekhouder] (de boekhouder): [telefoonnummer 9] ( [medeverdachte 1] ) [telefoonnummer 10] ( [naam boekhouder] ) Het is een feit van algemene bekendheid dat prepaidtelefoontjes die op dezelfde plek en tijd verkocht worden nummers uit dezelfde serie bevatten. Overigens vraagt [naam boekhouder] het op 27 oktober 2015 voor de zekerheid nog aan [medeverdachte 1] : “(...) NN (Rb: [naam boekhouder]) zegt die man gaat door maar ze komen naar Amsterdam. Die man wil [medeverdachte 1] ontmoeten. NN: omdat ehhh… ik kan met deze telefoon wel zeggen hè. Weet je zeker dat je hem anders nog niet gebruikt hebt? Th: Wat zeg je? NN: Heb jij ehh … deze telefoon alleen nog maar met mij gebruikt hè? want ehh… Th: Nee, dat is alleen tussen jou en mij dit. NN: Ja perfect. Dus die man gaat dat honderd procent doen. (…)” In het onderzoek is vastgesteld dat het nummer van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 11] ) inderdaad met ingang van 27 oktober 2015 in gebruik is genomen. De rechtbank ziet soortgelijk gebruik van goedkope ‘weggooi’ telefoons terug bij veel strafzaken - met name in de Opiumwetsfeer - waar heimelijke communicatie van groot belang is. Ook hier worden deze telefoons evident op die manier gebruikt. Gebruiken namen anderen Daar waar zij sommige personen consequent niet bij hun eigen naam noemen, gebruiken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wel de naam van hun bekende anderen om zelf buiten beeld te blijven. Voorbeelden daarvan zijn de beide voornamen en de achternaam van [medeverdachte 5] , maar ook bijvoorbeeld de namen van [medeverdachte 8] of [medeverdachte 9] . Een zeer concreet voorbeeld is te zien in een reeks gesprekken van 14 december 2015, dat [medeverdachte 1] voert omdat men op zoek is naar een loods (dossier Raamsdonksveer). [medeverdachte 1] wordt dan op de één op één lijn die hij gebruikt wanneer hij contact heeft met [betrokkene 6] gebeld door een [betrokkene 7] . Bij de begroeting maakt [medeverdachte 1] zich bekend als [medeverdachte 5] . [medeverdachte 1] probeert een afspraak te maken en zegt dat hij ook zijn compagnon kan sturen. [betrokkene 7] vraagt dan wat de naam van de compagnon is. [medeverdachte 1] zegt dat die [medeverdachte 9] van [bedrijf 10] heet. [medeverdachte 1] zegt dat hij hem even zal bellen en dat hij daarna terug zal bellen. Tien minuten later belt [medeverdachte 1] dan met [betrokkene 6] en vraagt hem of hij de volgende dag even kan gaan kijken. Vier minuten later belt [medeverdachte 1] als ‘ [medeverdachte 5] ’ terug naar [betrokkene 7] . [medeverdachte 1] bevestigt de afspraak en de naam [medeverdachte 5] Hij zegt vervolgens dat de eigenaar zelf, [medeverdachte 9] , morgen komt kijken. Het erbuiten houden van [medeverdachte 5] Zoals hierboven is overwogen met betrekking tot het deeldossier Bananen, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ingezet als pion om zelf buiten beeld te blijven. In de rest van het dossier wordt het beeld van de rechtbank niet anders. Er wordt zeer regelmatig over [medeverdachte 5] gesproken door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Een voorbeeld is het gesprek op 29 september 2015 in [naam hotel] te Den Bosch. Bij dit gesprek is [medeverdachte 1] aanwezig, maar [medeverdachte 2] niet. [medeverdachte 1] zegt dat hij 1 zo’n jongen daarvoor ingezet heeft. Die heb z’n eigen ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, [bedrijf 25] en die heeft nu een rode vlag staan bij de KvK. (…) Hoe krijg ik die eruit? (…) Hij weet ook niks. Hem … (NTV) … ook niks van [bedrijf 25] . Op diezelfde dag spreekt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] en vindt hij het goed uit komen dat [medeverdachte 5] morgen vrij is. Als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Engeland willen laten rijden bespreken ze met elkaar details die ze niet met [medeverdachte 5] delen. Het onwetend houden van [medeverdachte 5] komt ook zeer duidelijk tot uitdrukking bij de bespreking van het dossier Kerstpakketten. Geldstromen [medeverdachte 1] is aantoonbaar vanaf juni 2015 tot en met juni 2016 bezig met stortingen van grote contante bedragen ten behoeve van de import van de verschillende producten vanuit Zuid-Amerika (zie bespreking zaaksdossier Deklading). Dit komt naar voren in de diverse deeldossiers. Hij stort onder meer geld voor de bananen ( [bedrijf 25] ), ananassen ( [bedrijf 22] ) en glycerine ( [bedrijf 23] ). Hij overlegt hierover ook met [medeverdachte 2] : over de noodzaak weer geld te krijgen, over de manier om onopvallend te blijven storten. [medeverdachte 2] houdt ook goed in de gaten wat de financiële situatie is. Zoals hierboven reeds opgemerkt dacht [medeverdachte 2] bijvoorbeeld bij ‘groen’ in Kerstpakketten aan geld. [medeverdachte 2] was er in zaaksdossier Simon van op de hoogte dat [medeverdachte 5] op 18 oktober 2015 heen en weer naar Antwerpen ging en terug kwam met geld. Nadat er gestort is, wordt er overgeboekt. Ook dit komt naar voren bij de bespreking van de betreffende zaaksdossiers. Het overboeken wordt door of in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedaan. Dat zij hiertoe in staat zijn komt doordat ze beschikken over bankpassen en gegevens (dat wordt hierna besproken). storten Overboeken [bedrijf 25] [medeverdachte 1] [medeverdachte 1] [bedrijf 6] [medeverdachte 6] (via [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 6] (in opdracht [medeverdachte 1] ) [bedrijf 22] [medeverdachte 8] en met name [medeverdachte 1] [medeverdachte 8] (in opdracht van [medeverdachte 1] ) [bedrijf 23] met name [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] [bedrijf 4] [medeverdachte 5] in opdracht van [medeverdachte 1] [medeverdachte 5] / [medeverdachte 2] / [medeverdachte 1] Het gaat hierbij met grote regelmaat om zeer grote bedragen contant geld dat gespreid gestort moet worden zodat het niet opvalt (zie bijvoorbeeld gang van zaken bij zaaksdossier Bananen). Daarna volgen betalingen naar bedrijven in Zuid-Amerika om de bestelde goederen te betalen. Het vervalsen van documenten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gedurende de hele periode creatief met facturen en andere documenten. Dit blijkt bijvoorbeeld al in de periode van de stortingen door [medeverdachte 6] : [medeverdachte 6] vraagt steeds om facturen om de stortingen te verantwoorden bij de bank. Op de laptop van [medeverdachte 1] zijn ook facturen aangetroffen die moeten zien op een aantal van die stortingen. Ook bij de zogenaamde transacties van [bedrijf 4] aan [bedrijf 23] zijn op zowel de laptop van [medeverdachte 2] als die van [medeverdachte 1] facturen aangetroffen (in verschillende versies). Over de tap komt ook naar voren dat [medeverdachte 1] heeft zitten knippen en plakken (Ananassen). In dossier Glycerine bespreken ze creatief met een factuur voor bakken te zullen omgaan. Inloggegevens e-mail [medeverdachte 1] beschikt over de inloggegevens voor de email van alle bedrijven die hij gebruikt om uit het zicht te blijven. Dat zijn in elk geval [bedrijf 25], [bedrijf 4], [bedrijf 11], [bedrijf 22], [bedrijf 10] en [bedrijf 12] . In de eerdergenoemde in zijn laptop aangetroffen verwijderde notitie van 20 juni 2015 met ‘dingen die voor volgende week geregeld moeten worden’ staat ook onderaan: ‘Laptop met telefoonkaart zodat ik overal online ben voor mails alle bedrijven’ Bankpassen/inlogcodes internetbankieren [medeverdachte 1] beschikt over bankpassen en/of inlogcodes voor online bankieren voor meerdere bedrijven. Hierboven is al genoemd dat in zijn laptop de inloggegevens van [bedrijf 25] stonden. Ook van [bedrijf 22] heeft hij de bankpas opgehaald ten behoeve van het storten. Van [bedrijf 12] heeft [medeverdachte 1] ook de bankpas opgehaald. Ook kon hij van die bankrekening de mutaties zien. De bankpas van [bedrijf 11] wilde [medeverdachte 1] ook krijgen. Ook op de eerdergenoemde notitie van 20 juni 2015 in zijn laptop staat (met betrekking tot een op te richten BVBA): ‘Rekening nummer omzetten nieuwe eigenaar Plus pas en internet bankieren’ Nachtkaars De rechtbank constateert dat van alle bedrijven waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bemoeienis mee hebben gehad al gedurende de looptijd van het onderzoek weinig overbleef. Zij trekken hun handen af van [bedrijf 25] op het moment dat er cocaïne tussen de lading is aangetroffen en uitgehaald. Bij [bedrijf 22] worden de bestelde ananassen uiteindelijk niet eens meer opgehaald in de haven en blijft [medeverdachte 8] met schulden achter. [bedrijf 4] wordt opgeheven zodra [medeverdachte 5] weg gaat bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 9] is niet eens toegekomen aan inschrijving bij de kamer van koophandel en uit het dossier blijkt niet dat [bedrijf 12] uiteindelijk op vlieghoogte is gekomen. De huurovereenkomsten van bedrijfsruimten voor eenmalige bestellingen (meubels in Hoofddorp en ananassap in Raamsdonksveer) zijn ook steeds voor een opvallend korte termijn, een blauwe maandag zogezegd, maar dit wordt niet van te voren aan de verhuurder gemeld. Nauwelijks opbrengst, laat staan winst Geen van de in de zaaksdossiers genoemde geïmporteerde producten heeft op zichzelf iets fundamenteels opgeleverd. Het meest zal nog verdiend zijn aan de bananen die van [bedrijf 25] bij [naam afnemer 1] terecht zijn gekomen. Bijzonder is ook dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich weinig leken aan te trekken van het feit dat de producten zelden of niet eenvoudig verkoopbaar waren. Geen pottenkijkers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hechtten er waarde aan dat de locaties waar de goederen zouden worden ontvangen uit het zicht waren. Dit speelt in meerdere zaaksdossiers: 13 augustus 2015 voor wat betreft de loods die [medeverdachte 5] zocht voor het hout. - begin september 2015 voor wat betreft de loods die [medeverdachte 6] zocht voor het voor [verdachte] op te richten bedrijf in Duitsland. 15 december 2015 voor wat betreft de loods die [betrokkene 9] bezocht in Raamsdonksveer voor het transport ananassap Taakverdeling [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] Vanaf het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samenwerken houden zij elkaar continu op de hoogte van wat zij doen. De hoeveelheid taps is overweldigend en zoals hierboven beschreven kan op basis van de historische gegevens van hun telefoonnummers worden geconstateerd dat zij vanaf 1 maart 2015 gemiddeld meer dan tien keer per dag contact met elkaar hadden. [medeverdachte 1] onderhoudt de contacten met de opdrachtgevers en stroomlijnt de ontvangst van de ladingen. Hij organiseert desverzocht ontvangende bedrijven, transporten, loodsen, handjes, stortingen en betalingen. [medeverdachte 2] laat zich op de hoogte houden van alle vorderingen en vooruitzichten en regelt alles dat vanuit kantoor geregeld kan worden, zoals kopers voor de ladingen, contacten met transporteurs, zoeken van loodsen/bedrijfsruimten, betalingen van facturen (al dan niet met behulp van zijn echtgenote). Zo en nu dan heeft hij ook contact met leveranciers uit Zuid- of Midden-Amerika, zoals bij de meubels. [medeverdachte 2] denkt vooral met [medeverdachte 1] mee, voorziet hem van advies en stuurt hem aan. Conclusie diensten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] De rechtbank concludeert op basis van al hetgeen zij hierboven over de samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft weergegeven dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen gedurende een langere periode opzettelijk werkten voor verschillende opdrachtgevers die compleet uit beeld wilden blijven. Kort gezegd, zij hebben hun professie gemaakt van hetgeen de conclusie was bij Bananen: het verschaffen van een legale dekmantel voor de illegale praktijken van anderen. Uit het totaalbeeld van het hele dossier blijkt dat die praktijken van anderen zien op het invoeren van cocaïne. In drie van de zaaksdossiers is daadwerkelijk cocaïne aangetroffen. Er is geen indicatie dat er sprake zou zijn van andere illegale praktijken dan de invoer van cocaïne. Er is echter zoals gezegd zeker een indicatie dat alle betrokken opdrachtgevers iets te verbergen hadden. Al hetgeen hierboven staat weergegeven ‘druipt’ van geheimzinnig doen en houden. Los van het feit dat er drie maal cocaïne is aangetroffen, zijn de signalen van betrokkenheid bij cocaïne ook, zoals hiervoor overwogen: de enorme bedragen geld in verschillende coupures; het gebruik van Blackberry toestellen; het gebruik van wegwerptelefoontjes; de aanvoer vanuit Zuid- of Midden-Amerika per schip; de loodsen uit het zicht. De rechtbank merkt op dat duidelijk blijkt uit het dossier dat er sprake is van verschillende niveaus van geheimzinnigheid. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lijken onderling niet over Blackberry toestellen te hebben beschikt. Dit geldt eveneens voor de door henzelf ingeschakelde personen, ongeacht of dit zogenaamde katvangers of andere betrokkenen waren, zoals bijvoorbeeld [betrokkene 9] of [betrokkene 3] . Met betrekking tot degenen die gebruik maakten van de diensten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ligt dat anders. Zoals hierboven is gebleken zijn die personen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet te horen in de getapte gesprekken. Deze personen hadden er een groot belang bij buiten beeld te blijven (precies de reden waarom zij gebruik maakten van de diensten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ). In de in Gadolinium voorkomende zaaksdossiers is een rol weggelegd voor Adriaan , Simon en Gerard . Zoals uit de bespreking van zaaksdossier Bananen is gebleken gaat de rechtbank ervan uit dat met ‘ Adriaan ’ (of alle verschillende varianten daarop) [verdachte] bedoeld wordt. Daar waar het gaat over ‘ Simon ’ kan de rechtbank niet vast stellen welke persoon dat is. Dat betekent dat men er tot op heden in is geslaagd de onzichtbaarheid vast te houden. Van ‘ Gerard ’ is gebleken dat het [medeverdachte 7] betreft. Dit zal hierna bij de bespreking van zaaksdossiers Gerard en Glycerine eveneens aan de orde komen. De rechtbank zal hieronder nader ingaan op de personen [verdachte] en [medeverdachte 7] . [verdachte] Omtrent [verdachte] is de rechtbank in vergelijking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opvallend weinig bekend. Uit het politieonderzoek blijkt dat hij geboren is in Antwerpen en dat hij daar ook woonde ten tijde van zijn aanhouding. Hij heeft de Belgische en de Marokkaanse nationaliteit. Op de [straatnaam 1] in Amsterdam, waar hij is aangehouden op 21 juni 2016, woont de moeder van zijn kind, [partner verdachte], met haar kinderen. Uit onderzoek is gebleken dat hij in België over de periode 2012-2015 geen belastingaangifte heeft gedaan en dat hij geen inkomsten heeft gehad in die periode. In het restaurant [naam restaurant] aan de [straatnaam 10] te Antwerpen heeft hij tot september/oktober 2011 gewerkt. [partner verdachte] heeft een uitkering. Zelf verklaarde hij op 21 juni 2016 geen geld te hebben. Op 21 juni 2016 is (om 07.00 uur) ter aanhouding van [verdachte] door de politie binnengetreden op de [straatnaam 1] in Amsterdam. [verdachte] lag op het moment dat de politie hem vond op een plastic kast op het balkon. Hij trachtte naar het balkon van de buren te komen. Zijn partner [partner verdachte] was op dat moment binnen in de woning. Er werd tevens een hele witte Blackberry aangetroffen op de slaapkamer en twee helften van een witte Blackberry op het balkon, waaruit een SD-kaart ontbrak. Op dezelfde dag om 18.30 is het lichaam van [verdachte] onderworpen aan een CT-scan. De medewerkers van de Airport Medical Services zeiden dat zich in het lichaam van verdachte een klein, niet-natuurlijk voorwerp bevond. Op 23 juni 2016 was dat nog steeds zo. Op 3 juli 2016 is veilig gestelde ontlasting van [verdachte] door de Koninklijke Marechaussee overgedragen en onderzocht. Er bleek een beschadigde Micro-SD geheugenkaart in te zitten. Deze is in beslag genomen en ter onderzoek aangeboden aan het NFI. Een medewerker van het NFI heeft na eerste onderzoek verklaard dat het aangetroffen onderdeel afkomstig is van een micro SD-kaart van het merk Certgate. Een telefoon voorzien van een dergelijke SD-kaart biedt een soortgelijke versleuteling als een PGP-telefoon. De versleuteling van Certgate wordt veelal gebruikt in combinatie met software van het bedrijf [bedrijf 13] . Een doosje van dit merk werd ook in de woning van [medeverdachte 3] aangetroffen. Verder werd in de berging van de woning aan de [straatnaam 1] een bedrag van € 40.900,00 aangetroffen, dat de rechtbank aan [verdachte] toeschrijft. Uit het Marokkaanse paspoort van [verdachte] dat eveneens in de woning werd aangetroffen blijkt dat [verdachte] erg veel heeft gereisd voorafgaand aan zijn aanhouding. De stempels en visa waren van de volgende landen (datum afgifte paspoort 26 maart 2012): Duitsland; Frankrijk; Spanje; Turkije Marokko; Verenigde Arabische Emiraten; Colombia; Panama. Op 7 januari 2015 is [verdachte] op de luchthaven in Weeze (Duitsland) aangetroffen met € 35.125,00 aan contanten op zak. Het contante bedrag was als volgt opgedeeld: 4.825 Euro in de broekzak (coupures: 2x200, 43x100, 2x50, 1x20, 1x5) 20.300 Euro in een portemonnee in de reistas (40x500, 1x100, 4x50) 10.000 Euro in de koffer (100x100) [verdachte] was van plan met vlucht [vluchtnummer] van Weeze naar Marrakech te vertrekken. Hij kon betreffende de herkomst van het geld geen stukken tonen. [verdachte] is in gezelschap van [medeverdachte 3] in het najaar van 2015 drie maal naar Colombia afgereisd (begin oktober, eind oktober en begin december 2015), waarvan de laatste twee keer gecombineerd met Panama. De eerste keer naar Colombia is [medeverdachte 4] ook meegereisd. Bij de zoeking in de [straatnaam 1] op 21 juni 2016 werd ook een Samsung Galaxy Note tablet in beslag genomen. In deze tablet stonden 93 e-mails gericht aan [e-mailadres 6] . In de periode 19 maart 2013 tot 5 april 2015 zijn er e-mails afkomstig van havenbedrijf [naam havenbedrijf] aangetroffen op deze tablet. Bij een van de mails was het onderwerp: Alfapass-kaarten voor afhaling. Meerdere berichten hebben betrekking op het proberen te krijgen tot het terrein 1700. Dit is volgens de verbalisant vermoedelijk [Kaai] gelegen in de Antwerpse haven. Er is eerder een ander onderzoek gedaan naar het plaatsen van illegale software bij rederijen gelegen of gelieerd aan de Antwerpse haven. Een van de benadeelde partijen was [naam havenbedrijf] . Verder zijn er op de tablet vier foto’s van de Antwerpse haven gedownload. Bij de bespreking van het zaaksdossier Bananen is al aan de orde gekomen dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] opzettelijk betrokken was bij de invoer van cocaïne in juli 2015. Ook is daar aan de orde gekomen dat [verdachte] erg zijn best heeft gedaan om grote contante geldbedragen via Duitsland op de bankrekening van [bedrijf 6] te krijgen. In oktober 2015 is in een lading bananen voor [bedrijf 6] (waarvan de bestellingen bij dezelfde bedrijven in Colombia verwerkt werden als die voor [bedrijf 25] ) 300 kilogram cocaïne aangetroffen. Bij de bespreking van zaaksdossier Raamsdonksveer zal aan de orde komen dat [verdachte] daarbij eveneens de hulp van [medeverdachte 1] heeft ingeroepen en hem van alles voor de ontvangst van de partij cocaïne in die betreffende lading heeft laten regelen. Een en ander betekent dat [verdachte] aantoonbaar een rol heeft gespeeld bij in dit dossier drie ladingen waartussen zich cocaïne bevond (en in een vierde geval, dat niet ter beoordeling voor ligt). Uit de Whatsappberichten tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] [bedrijf 22] opricht voor [verdachte] . Later wordt ook regelmatig besproken dat de ananassen van Adriaan zijn (zie de bespreking van dat zaaksdossier). Er hebben in dit dossier geobserveerde ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] plaatsgevonden: datum locatie in gezelschap van vindplaats in dossier 4 september 2015 [bedrijf 14] [straatnaam 11] Amsterdam [medeverdachte 4] p. 1355 e.v. Ananassen 11 september 2015 [tankstation] [snelweg 1] [plaatsnaam 6] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] p. 788 e.v. Ananassen 29 september 2015 [straatnaam 12] Amsterdam - p. 1366 e.v. Ananassen 18 december 2015 [winkel 1] Amsterdam - p. 1407 Ananassen [winkel 2] Breda [medeverdachte 3] p. 1409 Ananassen En verder blijkt uit de taps dat er zeker meer ontmoetingen zijn geweest, een voorbeeld daarvan is op 14 september 2015 bij de [clubnaam] in Amsterdam. Uit de ontmoetingen op 11 en 14 september 2015 en met name de gesprekken die [medeverdachte 1] daarover met [medeverdachte 2] voert, blijkt dat [medeverdachte 1] erg veel last heeft gehad van de dreigende manier waarop hij door [verdachte] verantwoordelijk wordt gehouden voor het verlies van € 52.000,00 door [medeverdachte 6] . De mogelijkheid om bij het lijden van schade tot dergelijke bedragen te procederen voor de civiele rechter lijkt bij alle betrokkenen niet op te zijn gekomen. Samengevat komt al het bovenstaande er op neer dat [verdachte] : zonder inkomen toch de beschikking had over substantiële contante bedragen; tijdens een inval van de politie op de vlucht slaat en daarbij een Blackberry ontmantelt; mogelijk bewijsmateriaal opeet; tijdens de tenlastegelegde periode in een tijdvak van nog geen drie maanden drie maal naar Zuid-Amerika afreist; interesse heeft voor toegang tot de haven van Antwerpen; regelmatig ontmoetingen met [medeverdachte 1] heeft op openbare locaties; in staat lijkt te zijn angst in te boezemen; zich vaak laat vergezellen door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] . Een en ander maakt dat de rechtbank bevestigd ziet dat [verdachte] zich op professionele wijze bezig houdt met het invoeren van grote partijen cocaïne in Nederland en daarbij zijn uiterste best doet uit handen van politie en justitie te blijven. [medeverdachte 7] Ook [medeverdachte 7] is een van de personen die gebruik maakt van de diensten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hij komt in beeld als Gerard , een persoon waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het over hebben vanaf de eerste taps op 11 augustus 2015. Ook voor hem zijn ze bezig met het importeren van goederen uit Zuid-Amerika. Uit politieonderzoek is gebleken dat [medeverdachte 7] weliswaar een eigen bedrijf heeft, maar daar weinig tot niets mee verdiende in 2015-2016. Zijn partner [partner medeverdachte 2] had in 2014 en 2015 een uitkering. Bij hem thuis is – verstopt – een bedrag van € 261.980,00 aangetroffen. Daarnaast blijkt uit zaaksdossier Glycerine dat hij regelmatig substantiële contante geldbedragen aan [medeverdachte 1] overhandigde, die [medeverdachte 1] vervolgens stortte en investeerde in glycerine uit Colombia. In het voorjaar van 2016 bezocht [medeverdachte 7] Colombia (12-24 april 2016). Ook bij [medeverdachte 7] in huis zijn drie Blackberry toestellen aangetroffen. De berichten uit de Blackberry van [medeverdachte 1] gaan voor een groot deel over glycerine. Ook zitten er tapgesprekken in het dossier waarin wordt gesproken over een telefoon die het niet doet. Het is ietwat wonderlijk om iemand te bellen op zijn telefoonnummer en dan tegen diegene te zeggen dat zijn telefoon het niet doet. Het probleem wordt echter opgelost na een treffen op de gebruikelijke locatie. Onder [medeverdachte 7] is tevens een plaatsbepalingssysteem in beslag genomen, bestaande uit: GPS monitor geïnstalleerd op Nokia GSM type RM346 model E71-1. 4 trackers Sanev type GT-GC101 Op een van de trackers waren GPS locaties terug te vinden (tijd en datum onbekend) die zich bevonden op de Maasvlakte rondom de ECT. Opmerking verbalisant: betreft een plaatsbepalingsysteem waarbij door middel van een telecommunicatie-verbinding de route van de tracker "live" gevolgd kan worden. Het apparaat kan eenvoudig aan een voertuig of lading (container) bevestigd worden. De geïmporteerde glycerine kwam binnen via Rotterdam. [medeverdachte 1] heeft [betrokkene 9] een bedrijf laten oprichten ten behoeve van de import van glycerine, te weten [bedrijf 12] . Daarover moest worden afgestemd met [medeverdachte 7]. Er hebben geobserveerde ontmoetingen plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] : datum Locatie vindplaats 27 oktober 2015 [bedrijf 15] en [bedrijf 16] Hoogland p. 412 Gerard 12 februari 2016 [straatnaam 3] Amersfoort p. 477 Glycerine 1 april 2016 [bedrijf 15] p. 590 e.v. Glycerine En op basis van bakengegevens van de auto’s van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] kan worden vastgesteld dat zij elkaar veel vaker hebben ontmoet. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben glycerine geïmporteerd zonder te weten waar ze het kwijt konden. Tot op de dag van de aanhouding zorgde dit voor een problematische opslagsituatie. [medeverdachte 7] heeft tijdens de loop van het onderzoek meermalen contact met [betrokkene 10] . Op woensdag 19 oktober 2016, werd [betrokkene 10] , geboren op [1971] , op verzoek van de Belgische autoriteiten, als verdachte, in zijn woning aangehouden wegens zijn vermoedelijke betrokkenheid bij de invoer van 1.731 kilo cocaïne in de Antwerpse haven op 2 augustus 2016. In maart, april en mei 2016 zijn er observaties geweest van ontmoetingen tussen [medeverdachte 7] en [betrokkene 10] . Het bovenstaande in combinatie met de wijze waarop [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hun dienstverlening ook in deze dossiers vorm gaven, maakt dat de rechtbank concludeert dat [medeverdachte 7] eveneens uit was op het invoeren van cocaïne en daarom [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ingeschakeld had. [medeverdachte 4] De rechtbank ziet aanleiding op deze plaats nog te benoemen wat de betrokkenheid van [medeverdachte 4] is geweest in het complete dossier. [medeverdachte 4] komt voor het eerst in beeld op 4 september 2015. Hij is dan in het gezelschap van [verdachte] als [medeverdachte 1] zijn neus laat zien (zie boven). Op 11 september 2015 is hij dan weer van de partij bij het [tankstation] langs de [snelweg 1] , wederom als gezelschap van [verdachte] . Hij wacht dan samen met [medeverdachte 3] en als [medeverdachte 6] er is neemt bij het geld in ontvangst. Van 1 tot 6 oktober 2015 vergezelt hij [verdachte] en [medeverdachte 3] naar Colombia. Op 30 oktober 2015 wordt hij gezien als er een eerste lading ananassen arriveert in [plaatsnaam 7] Duitsland. Hij wordt dan gezien als bijrijder. Daarna komt hij pas weer in beeld op 20 en 21 december 2015. Hij begeleidt dan in Antwerpen de chauffeur van het transport dat uiteindelijk in Raamsdonksveer belandt. De rechtbank ziet de jongere [medeverdachte 4] als een vertrouweling van [verdachte] . Hij is erbij als het er op aan komt en voert opdrachten uit van [verdachte] . [medeverdachte 4] en [verdachte] kennen elkaar uit het Antwerpse zo blijkt, al van ver vroegere tijden. De grote zaaksdossiers De rechtbank zal hieronder kort uiteenzetten wat de hoofdrolspelers zijn in welke zaaksdossiers in het licht van het bovenstaande. Ananassen [medeverdachte 1] heeft in opdracht van [verdachte] een bedrijf in Noord-Duitsland opgericht ten behoeve van de import van ananassen via de haven in Antwerpen. Hij heeft hiervoor [medeverdachte 6] ingeschakeld. [medeverdachte 6] ging op zoek naar een bestaand bedrijf en overlegde over de prijs met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] overlegde hierover met [verdachte] , dit bleek onder meer uit de geobserveerde ontmoeting van 4 september 2015 bij de [bedrijf 14] in Amsterdam. Een dag eerder had [medeverdachte 1] de naam van [medeverdachte 8] gekregen van [medeverdachte 6] (via WhatsApp) als degene die in de GmbH gezet kon worden. In Amsterdam werd op 4 september 2015 verstaan dat gezegd werd: “Op wiens naam staat dat dan?” Antwoord: “Op naam van [medeverdachte 8] ”. Uit de bespreking van dit zaaksdossier zal blijken dat [medeverdachte 1] feitelijk de leiding heeft over de gang van zaken bij [bedrijf 22] , en dat hij dit doet in opdracht van [verdachte] . [verdachte] is ook degene die [medeverdachte 1] van het geld ten behoeve van de bedrijfsvoering voorziet. Vanaf half december 2015 lijkt [verdachte] zich niet meer te bekommeren om de ananassen. Er volgen daarna nog wel substantiële stortingen: datum plaats bedrag Door vindplaats 19 december 2015 Emmerich € 10.000,00 [medeverdachte 1] p. 818, 820, 827 en 828 21 december 2015 Emmerich € 15.000,00 [medeverdachte 1] p. 818, 820 en 830 e.v. 24 december 2015 Emmerich € 20.000,00 [medeverdachte 1] p. 819, 820, 834, 835 7 januari 2016 Gronau € 9.980,00 € 10.000,00 [medeverdachte 1] p. 819, 820, 836 ev 8 januari 2016 Gronau € 14.800,00 [medeverdachte 1] p. 819, 820, 840-841 9 januari 2016 Bocholt € 10.200,00 [medeverdachte 1] p. 819, 820, 842 gecombineerd met p. 46 Deklading 26 januari 2016 Emmerich € 9.900,00 [medeverdachte 1] zie hieronder en p. 46 Deklading 26 januari 2016 Emmerich € 10.000,00 27 januari 2016 Emmerich € 4.800,00 27 januari 2016 Kleve € 5.200,00 27 januari 2016 Emmerich € 9.980,00 28 januari 2016 Kleve € 11.940,00 Op 26 januari 2016 wordt gezien dat de auto van [medeverdachte 1] rond 14.45-15.10 uur in de nabije omgeving van de [straatnaam 11] (Rechtbank: [bedrijf 14]) in Amsterdam is geweest. Om 17.07 uur wordt de grens met Duitsland gepasseerd en om 17.47 uur is de auto weer in Nederland. Om 18.17 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] over het Adriaanverhaal . [medeverdachte 1] heeft hem gesproken en het wordt van de week helemaal dichtgetimmerd. Op 27 januari 2016 rijdt de auto van [medeverdachte 1] weer heen en weer naar Duitsland. [medeverdachte 8] belt die dag met [medeverdachte 6] en vertelt dat er weer geld is binnengekomen en dat hij 52.000 over moet maken aan [bedrijf 17] , die Panama figuren. Op 28 januari 2016 rijdt de auto van [medeverdachte 1] weer heen en weer naar Duitsland. [medeverdachte 1] belt [medeverdachte 8] en zegt dat hij in totaal nu 52 gestort heeft de afgelopen dagen. Op woensdag 3 februari 2016 ligt de telefoon met Adriaan er uit. En daarna is er geen traceerbaar contact meer met [verdachte] . [medeverdachte 1] is blij dat hij er van af is lijkt het. [medeverdachte 8] blijft achter met schulden. [naam 1] Dit zaaksdossier, dat voornamelijk ziet op gebeurtenissen in de maanden oktober en november 2015, gaat over de bestelling meubels voor de onbekend gebleven [naam 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestellen tegen beter weten in een lading foeilelijke meubels. Dit gaat via [bedrijf 4] van [medeverdachte 5] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bepalen dit voor [medeverdachte 5] Zij houden zich ook bezig met het mailen en bellen over de vracht en het betalen van de vracht. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zijn allerlei voorbereidingen aan het treffen voor de ontvangst van de meubels. Op 10 november 2015 wordt er in Colombia 76 kilogram cocaïne aangetroffen verborgen in de dubbele bodem compartimenten van een container met meubels voor Rotterdam, [bedrijf 4] . Ook hierover heeft [medeverdachte 2] contact met de Colombianen. Raamsdonksveer Half december krijgt [medeverdachte 1] de opdracht van [verdachte] om een loods te gaan zoeken in de buurt van Breda. [medeverdachte 1] moppert daar wat over richting [medeverdachte 2] , want met de ananassen loopt het in de soep. Desalniettemin gaat [medeverdachte 1] op maandag 14 december 2015 aan de slag en schakelt [betrokkene 6] in om hem te helpen een loods én een chauffeur te zoeken (zie boven, het gesprek met de makelaar waarin [betrokkene 6] [medeverdachte 9] wordt genoemd op 14 december 2015). Er is grote haast bij en de loods wordt snel geregeld op vrijdag 18 december 2015. In het weekend van 19 en 20 december 2015 houden [medeverdachte 1] en [betrokkene 9] zich intensief bezig met het coac