← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:1593

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/368131 / KG ZA 21-107 Vonnis in kort geding van 6 april 2021 in de zaak van de vennootschap onder firma MERVO SPORT ZEVENBERGEN VOF, handelend onder de naam SPORT 7 gevestigd te Zevenbergen, eiseres, advocaat mr. H.S. Memelink te Zevenbergen, tegen de vereniging HOCKEYCLUB ZEVENBERGEN, gevestigd te Zevenbergen, gedaagde, advocaat mr. K.M. Peters te Tilburg. Partijen zullen hierna Sport 7 en HCZ genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 26 februari 2021 met 18 producties de brief van de zijde van HCZ van 8 maart 2021 met productie 1 t/m 3 de brief van de zijde van HCZ van 8 maart 2021 met productie 4 en 5 de brief van de zijde van Sport 7 van 9 maart 2021 met productie 19 t/m 23 de mondelinge behandeling die plaats vond op 10 maart 2021, vanwege de maatregelen in verband met Covid-19 door middel van een verbinding via Skype de pleitnota van Sport 7 de pleitnota van HCZ. 1.2. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat uiterlijk vier weken na de mondelinge behandeling vonnis zal worden gewezen. 2De feiten 2.1. Sport 7 exploiteert een sportwinkel/detailhandel in Zevenbergen met een assortiment van sportartikelen op diverse sportgebieden, waaronder hockey. Sport 7 wordt gedreven door de heer [A] en zijn echtgenote [B] die beide vennoten van de vennootschap onder firma zijn. HCZ is een hockeyclub in Zevenbergen met ca. 400 leden. 2.2. Sport 7 is al meer dan 15 jaar leverancier/sponsor van HCZ. Bij Sport 7 zijn de wedstrijdtenues voor de teams van HCZ verkrijgbaar en Sport 7 zorgt ervoor dat deze bedrukt worden. Behalve de wedstrijdkleding voor de leden van HCZ heeft Sport 7 ook andere aan de hockeysport verwante producten in haar assortiment zoals hockeyballen, hockeysticks en schoenen. 2.3. Op 2 april 2019 heeft het (nieuwe) bestuur van HCZ met Sport 7 en [C] ., ook wel genoemd [C] (hierna: [C] , dan wel [C] ) een samenwerkingsovereenkomst (hierna ook ‘de overeenkomst’ genoemd, productie 3 bij dagvaarding) ondertekend. Overeengekomen is dat [C] (in de samenwerkingsovereenkomst geduid als ‘Sponsor’), exclusief wedstrijdkleding (van het – door [C] gevoerde – merk [C] ) levert ten behoeve van HCZ aan Sport 7, en dat Sport 7 (in de samenwerkingsovereenkomst geduid als ‘Retailer) deze wedstrijdkleding exclusief aan de leden van HCZ verkoopt en bedrukt. In artikel 2 van de overeenkomst is bepaald dat deze in werking treedt op 1 september 2019, wordt aangegaan voor een periode van vier jaar en van rechtswege eindigt op 31 augustus 2023. In artikel 6.5 van de overeenkomst is bepaald dat partijen uiterlijk 13 maanden na het ondertekenen van de overeenkomst de gemaakte afspraken en de samenwerking met elkaar evalueren. In artikel 7 is bepaald dat de overeenkomst in de in dat artikel genoemde gevallen tussentijds met onmiddellijke ingang kan worden beëindigd. In sub

  1. g)van artikel 7 is bepaald dat HCZ de overeenkomst tussentijds kan beëindigen in het geval waarin de Sponsor of de Retailer zich meerdere malen niet aan de afspraken uit de overeenkomst heeft gehouden. 2.4. Artikel 5 van de overeenkomst, waarin de afspraken tussen Sport 7 en [C] zijn vastgelegd, bepaalt in lid 7 dat alle custom made artikelen bestemd voor HCZ, op voorraad gehouden en/of reeds besteld, in geval van beëindiging van de overeenkomst (tussentijds of door tijdverloop) door Sport 7 dienen te worden afgenomen en betaald tegen de dan geldende inkoopprijzen. Naast en bovenop de in artikel 5 vastgelegde afspraken tussen Sport 7 en [C] hebben deze partijen mondeling afgesproken dat Sport 7 behalve de wedstrijdkleding voor HCZ ook andere hockeyartikelen bij [C] inkoopt zoals sticks en hockeyballen (hierna aan te duiden als ‘overige hardware”). Vóór het aangaan van de overeenkomst met HCZ en [C] voerde Sport 7 (nog) geen [C] -artikelen in haar assortiment. 2.5. Na het sluiten van de overeenkomst hebben HCZ en Sport 7 aanvullend op artikel 4 afspraken gemaakt omtrent het aanhouden van een “ijzeren voorraad” door Sport 7: afgesproken is Sport 7 verplicht een ‘ijzeren voorraad’ aan hockey wedstrijdkleding van het merk [C] aan te houden. De voorraad wordt na een bestelling weer aangevuld zodat individuele bestellingen in principe altijd uit voorraad geleverd kunnen worden. Deze aanvullende afspraken zijn vastgelegd in een email van 9 april 2019, overgelegd door Sport 7 als productie 4. 2.6. Op 30 oktober 2019 heeft er een evaluatiegesprek plaats gevonden met het bestuur van HCZ en Sport 7. Een vertegenwoordiger van [C] was vanwege persoonlijke omstandigheden niet aanwezig. Tijdens dit gesprek is onder meer gesproken over de prijzen van de wedstrijdshirts, de prijzen van de bedrukking van de shirts en klachten over de bejegening door Sport 7 die leden van HCZ aan het bestuur zouden hebben geuit. Sport 7 heeft tijdens het gesprek aangegeven zich niet in de verwijten te herkennen. 2.7. Op 11 november 2019 heeft HCZ – naar aanleiding van het gesprek op 30 oktober 2019 – een brief gestuurd aan Sport 7 (productie 6 bij dagvaarding - de brief is abusievelijk gedateerd op 11 oktober 2019) met – voor zover thans van belang – de volgende inhoud: ‘(…) De samenwerking is ontstaan vanuit het oogpunt van HCZ om de lokale retailer te betrekken. (…) Zo hebben we onder andere met elkaar afgesproken dat Sport 7 in overleg met HCZ en na goedkeuring van HCZ de prijzen van de wedstrijdtenues vaststelt en er een hockeyhoek wordt ingericht waarin overleg het te voeren assortiment komt. (…) Over de hoogte van de verkoopprijs heeft vooraf geen afstemming plaats gevonden en hierover heeft HCZ dan ook niet haar goedkeuring kunnen geven. Dit geldt tevens voor de drukkosten van de tenues. (…) Wij vinden dat onze belangen in deze zin onvoldoende worden geborgd of het voor HCZ in ieder geval onvoldoende duidelijk is dat de belangen van leden en sponsoren voldoende overeind blijven. Om dit helder te krijgen willen we de objectieve maat voor de verkoopprijzen vast kunnen stellen en verzoeken je in navolging op ons gesprek hierover om inzicht te geven in de verkoopprijs en kosten van de tenues, alsmede de kosten voor de bedrukking van de tenues. (…) Een ander belang van deze samenwerking dient naar onze mening beide belangen en dat is een mooi aanbod bieden voor onze leden in een aantrekkelijke hockeyomgeving. Dit aantrekkelijke aanbod is er nog onvoldoende. Er is weliswaar een hockeyhoek ingericht, maar zonder afstemming met HCZ, terwijl dit wel heel helder is afgesproken. (…) Al met al is onze ervaring over de eerste periode van onze samenwerking niet positief en, is vanuit de intentie waarmee we deze samenwerking zijn gestart, zelfs teleurstellend te noemen. Het evaluatiegesprek hierover heeft nog weinig vertrouwen en perspectief gegeven voor een positieve verandering van deze samenwerking. We hebben afgesproken om over ongeveer 4 weken een vervolg gesprek te plannen waarbij we nader stil willen staan bij onze samenwerking en de toekomst. Tijdens dit gesprek willen we tevens bespreken of er sprake is van enige verbetering betreffende de samenwerking. (…)’ 2.8. Sport 7 heeft op deze brief niet gereageerd. Na deze brief heeft er geen evaluatie/gesprek (meer) tussen Sport 7, HCZ en [C] plaats gevonden. De verkoop van hockey-wedstrijdkleding door Sport 7 aan de leden van HCZ heeft doorgang gevonden, zij het dat de activiteiten voor alle betrokken partijen vanaf het voorjaar van 2020 tot heden op een laag pitje hebben gestaan in verband met de corona-crisis. 2.9. Op 20 augustus 2020 ontving Sport 7 een What’s app-bericht (productie 7 bij dagvaarding) van [D] , één van de bestuursleden van HCZ) met de volgende vraag: “Dag [A] , hoe is het ? We zouden graag morgenochtend om 8 uur even n kop koffie met je drinken om te evalueren. Komt dat gelegen ? Hoor graag van je” Vervolgens worden over en weer de volgende berichten per What’s app verzonden: Sport 7: “Hallo [D] , gaat mij morgen en volgende week niet lukken. Gr” HCZ: “Wat mij betreft mag het ook telefonisch? Scheelt je wellicht tijd?” Sport 7: “Is niet mijn voorkeur nav de laatste evaluatie.” HCZ: “Dat begrijp ik. Zou ook onze voorkeur hebben! Ik zou het bijzonder waarderen als je morgen ochtend tijd voor ons maakt. Start seizoen is over 1,5 week namelijk.” Sport 7: “Morgen gaat niet lukken.” HCZ: “Ok dank”. 2.10. Op vrijdag 21 augustus 2020 heeft HCZ de samenwerkingsovereenkomst voor zover die ziet op de samenwerking met Sport 7 met onmiddellijke ingang opgezegd. De opzegging geschiedde per brief die als bijlage was gevoegd bij een emailbericht aan Sport 7 van 21 augustus 2020 en welke brief tevens aangetekend is verstuurd (productie 8 bij dagvaarding). De brief heeft – voor zover thans van belang – de volgende inhoud: ‘(…) Sinds ruim een jaar (2 april 2019) hebben Sport 7, [C] en Hockeyclub Zevenbergen een tripartite overeenkomst voor het leveren van wedstrijdtenues. Al bij de eerste daaropvolgende seizoenstart is gebleken dat de afspraken, zoals deze stonden opgenomen in de overeenkomst, niet door Sport 7 werden nagekomen. Op 11 oktober 2019 (bedoeld wordt 11 november 2019, vrzr) heeft Sport 7 dan ook een schrijven ontvangen van Hockeyclub Zevenbergen, waarin melding is gedaan van de geconstateerde tekortkomingen. Daarbij heeft de hockeyclub ook aangegeven graag te blijven samenwerken en dus graag een verbetering te zien in de naleving van de overeenkomst. Uiteindelijk moeten wij toch concluderen dat e.e.a. niet heeft geleid tot een verbetering van de naleving van de bepalingen uit de overeenkomst. Sterker nog, er zijn aanvullende tekortkomingen geconstateerd. (…) Een en ander leidt tot de conclusie dat Sport 7 niet het gewenste dienstverleningsniveau kan bieden aan Hockeyclub Zevenbergen en zich niet heeft gehouden aan de bepalingen uit de tripartite overeenkomst. Door haar handelwijze, zeker ook met het uitblijven van verbeteringen na de eerste aanwijzing daartoe vanuit Hockeyclub Zevenbergen, heeft Sport 7 niet de indruk gewekt dat er alsnog een verbetering in de situatie zal optreden. In navolging van artikel 7, punt g van de tripartite overeenkomst zien wij ons dan ook genoodzaakt om de tripartite overeenkomst op te zeggen. Om de leveringszekerheid van wedstrijdtenues te borgen vindt deze opzegging per direct plaats, zodat de hockeyclub andere afspraken kan maken. (…) (…)’ 2.11. In een facebook-bericht van HCZ aan haar leden (productie 10 bij dagvaarding) licht HCZ de opzegging met Sport 7 – voor zover thans van belang – als volgt toe: ‘(…) De druppel en daarmee aanleiding om het besluit op dit gegeven moment te nemen, bleek evenwel het weigeren door Sport7 om nieuwe wedstrijdtenues te bestellen voor nieuwe leden of voor leden die door teamwijzigingen geen tenues meer hebben. Dit heeft ons genoodzaakt om samen met onze kledingleverancier te zoeken naar alternatieven. (…) (…)’ 2.12. Sport 7 heeft zowel per mail als per (aangetekende) brief van 30 augustus 2020 (van mr. Memelink namens Sport 7, productie 16 bij dagvaarding) aan HCZ laten weten het met de opzegging van de overeenkomst niet eens te zijn. De door HCZ aangedragen gronden voor de opzegging worden door Sport 7 betwist. In de brief van 30 augustus 2020 heeft mr. Memelink HCZ gesommeerd binnen 10 dagen te bevestigen dat de samenwerkingsovereenkomst wordt gerespecteerd. 2.13. Er heeft vervolgens correspondentie plaats gevonden tussen de advocaten van partijen en er is getracht een minnelijke oplossing in het geschil te bereiken maar dit is niet gelukt. De laatste contacten dienaangaande dateren van begin januari 2021. 2.14. Tot op heden wordt er feitelijk nog uitvoering gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst, in die zin dat Sport 7 (wedstrijd)kleding van [C] / [C] aan leden van HCZ verkoopt en levert. HCZ heeft (nog) geen overeenkomst gesloten met een nieuwe partij in plaats van Sport 7 maar heeft al wel contacten gelegd met een mogelijke nieuwe retailer, te weten (de ‘sporttak’ van) JUMBO. 2.15. Vanwege de situatie rond het Covid-19 virus in het afgelopen jaar heeft Sport 7 geen overige hardware producten meer ingekocht bij [C] voor het seizoen 2020-2021. 3Het geschil 3.1. Sport 7 vordert samengevat - HCZ te veroordelen om de 1. samenwerkingsovereenkomst van 1 september 2019 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis volledig na te komen en na te blijven komen en HCZ te verbieden met een derde partij een overeenkomst te sluiten dan wel zich te onthouden van uitvoering van een overeenkomst met een derde partij tot levering van zaken die de scope van de samenwerkingsovereenkomst van 1 september 2019 betreffen. 2. Bovenstaande veroordelingen afzonderlijk uit te spreken op straffe van de in de dagvaarding genoemde dwangsom en 3. HCZ te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Aan haar vorderingen heeft Sport 7 – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. HCZ heeft de overeenkomst zonder hoor en wederhoor, zonder geldige redenen en zonder inachtneming van een redelijke termijn opgezegd. De verwijten die HCZ ten grondslag heeft gelegd aan de opzegging van de overeenkomst zijn onterecht, niet onderbouwd en onjuist. HCZ komt, zonder nader bewijs en mede op grond van de jegens elkaar in acht te nemen redelijkheid en billijkheid, geen beroep toe op artikel 7g van de overeenkomst waarin is bepaald dat de vereniging kan opzeggen indien de retailer zich meerdere malen niet aan de afspraken uit de overeenkomst heeft gehouden. Alvorens de overeenkomst op te zeggen had HCZ haar klachten met Sport 7 moeten bespreken en in overleg met Sport 7 moeten bepalen hoe zaken anders zouden kunnen. 3.3. HCZ heeft als verweer – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Al vrij snel na aanvang van de samenwerkingsovereenkomst bleek dat de prestaties van Sport 7 achterbleven bij hetgeen HCZ redelijkerwijs van Sport 7 mocht verwachten. HCZ heeft Sport 7 hier ook op gewezen in het gesprek van 30 oktober 2019, zoals bevestigd in de brief die zij op 11 november 2019. Sedertdien is er aan de zijde van Sport 7 geen enkele verbetering opgetreden. Evenmin is Sport 7 in overleg getreden met HCZ omtrent de aangereikte verbeterpunten. In de opzeggingsbrief van 21 augustus 2020 heeft HCZ aangegeven wat de redenen waren voor opzegging van de overeenkomst;
  2. a)De hoogte van prijzen van de tenues en drukkosten zijn zonder afstemming met HCZ eenzijdig vastgesteld door Sport7 (artikel 4.10 en 4.8 van de overeenkomst);
  3. b)De hockeyhoek in de winkel is niet conform overeenkomst in overleg met de hockeyclub opgezet en niet (tijdig) ingericht (artikel 4.7 van de overeenkomst);
  4. c)Er zijn diverse klachten binnengekomen dat drukkosten van kleding niet marktconform bleken te zijn, zoals wel bepaald in het contract;
  5. d)De leveringsplicht zoals benoemd in artikel 4.5 wordt niet gehaald en communicatie hierover met leden wordt als onprofessioneel ervaren;
  6. e)De service- en dienstverlening van Sport7 aan individuele leden van de hockeyclub heeft geleid tot diverse klachten ten aanzien van bejegening;
  7. f)Sport7 adverteert op haar website nog steeds het oude tenue van Hockeyclub Zevenbergen. Er is geen uiting of link op de website naar het huidige kledingmerk [C] , terwijl is afgesproken dat Sport7 dit actief zou doen. Nu Sport 7 geen verbetering heeft aangebracht op bovenstaande punten en ook niet met HCZ in overleg is getreden heeft HCZ de overeenkomst op grond van artikel 7subg met onmiddellijke ingang kunnen opzeggen zonder dat daarbij een ingebrekestelling of sommatiebrief (zoals Sport 7 suggereert) nodig is. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Sport 7, HCZ en [C] hebben zich met de tussen hen gesloten samenwerkingsovereenkomst jegens elkaar verbonden om gedurende een aaneengesloten periode (deels) met elkaar samenhangende prestaties te verrichten. De overeenkomst kwalificeert dus als een duurovereenkomst. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd voor een periode van vier jaar. In de overeenkomst is opgenomen dat partijen de overeenkomst in een beperkt aantal gevallen (genoemd in artikel 7 van de overeenkomst) tussentijds met onmiddellijke ingang kunnen opzeggen. 4.2. In deze kort gedingprocedure staat de vraag centraal of HCZ de samenwerkingsovereenkomst op goede gronden met een beroep op artikel 7 sub g van de overeenkomst, met onmiddellijke ingang heeft mogen opzeggen. HCZ meent dat dit het geval is omdat Sport 7 zich op verschillende punten niet aan de tussen partijen geldende afspraken heeft gehouden. De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen partijen dienaangaande over en weer te berde hebben gebracht, niet aanstonds overtuigd geraakt van de validiteit van de door HCZ aan haar opzegging ten grondslag gelegde gronden, mede ook gelet op het gemotiveerde en gedocumenteerde verweer dat Sport 7 hiertegen naar voren heeft gebracht, welk verweer op zichzelf reeds noopt tot nader feitenonderzoek, waarvoor in een procedure als de onderhavige geen plaats is. Afgezien daarvan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de bodemrechter naar verwachting de gedane opzegging (ook) om meer formele redenen als ongeldig, en daarmee als niet-effectief zal aanmerken. Ter toelichting dient het volgende. 4.3. Ingevolge artikel 6:248 lid 2 BW en de daarop gebaseerde vaste jurisprudentie die betrekking heeft op duurovereenkomsten kan het gebruik maken door een partij van een opzegmogelijkheid in een overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:2018:141). Het eerste lid van dit artikel bepaalt voorts dat de overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet , de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. 4.4. Partijen hebben zich met het ondertekenen van de samenwerkingsovereenkomst gecommitteerd aan een samenwerkingsverband voor de duur van vier jaar vanaf 1 september 2019. In een aantal specifiek in de overeenkomst vastgelegde gevallen is voorzien in de mogelijkheid de samenwerkingsovereenkomst tussentijds op te zeggen. De voorzieningenrechter meent dat de toepassing van de in artikel 7 sub g van de overeenkomst voorziene opzeggingsgrond niet los kan worden gezien van de in artikel 6.5 voorziene tussentijdse evaluatie van de afspraken en het verloop van de samenwerking, welke uiterlijk 13 maanden na ondertekening van de overeenkomst zou dienen plaats te vinden. Vast staat dat een dergelijk in de overeenkomst voorzien evaluatiegesprek niet heeft plaatsgevonden, althans aan het overleg op 30 oktober 2019 werd door slechts twee van de drie partijen bij de overeenkomst deelgenomen. Dit gebrek maakt dat deze evaluatie op zijn minst een gemankeerd karakter draagt, met name ook nu in dat overleg kritiek naar voren werd gebracht op het gevoerde prijsbeleid ten aanzien van het wedstrijdtenue, terwijl die prijs niet alleen door Sport 7 maar ook door [C] wordt bepaald, en artikel 6.4 van de overeenkomst bepaalt dat de prijzen in gezamenlijk overleg (dat wil zeggen tussen Sport 7, HCZ én [C] ) worden vastgesteld. 4.5. Een redelijke uitleg van artikel 7 sub g van de overeenkomst veronderstelt, mede tegen de achtergrond van het hiervoor besproken artikel 6.5, naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zijn minst dat HCZ, alvorens zij zich kan bedienen van deze opzeggingsgrond, een duidelijke en concrete opgave heeft gedaan van beweerdelijke tekortkomingen, welke concrete verbetermaatregelen zij van haar wederpartij verwacht en binnen welk tijdsbestek deze verbeteringen dienen te worden doorgevoerd om te komen tot een – in haar ogen – conforme uitvoering van de overeenkomst. Indien een – in het licht van die opgave – adequate respons zou uitblijven en vervolgens zou worden geconstateerd dat de eerder aan de orde gestelde tekortkomingen zich blijven voordoen kan gesproken worden van een situatie die beschreven wordt in artikel 7 sub g van de overeenkomst en ligt gebruikmaking van de daarop gebaseerde opzeggingsgrond in de rede. Anders gezegd: de partij tegen wie deze bepaling wordt ingeroepen (in dit geval Sport 7) mag op basis van de door partijen over en weer in acht te nemen redelijkheid en billijkheid verwachten dat haar een redelijke mogelijkheid wordt geboden om gepercipieerde tekortkomingen te redresseren. Sport 7 heeft zich er – onder meer – op beroepen dat haar die gelegenheid niet is geboden. Op deze aspecten wordt in het hierna volgende nader in gegaan. 4.6. Volgens HCZ is aan Sport 7 duidelijk kenbaar gemaakt op welke wijze zij de afspraken in de overeenkomst onvoldoende na kwam, te weten bij brief van 11 november 2019. In de brief heeft HCZ een aantal punten van kritiek richting Sport 7 geuit. Sport 7 heeft echter onweersproken gesteld dat die punten van kritiek ook tijdens het gesprek met HCZ dat aan de brief vooraf ging aan de orde zijn gekomen en dat zij reeds tijdens dat gesprek heeft aangegeven, dat deze punten naar haar mening onterecht waren. De voorzieningenrechter stelt vast dat het gesprek korte tijd (2 maanden) na de ingangsdatum van de samenwerkingsovereenkomst heeft plaatsgevonden. Sport 7 was op dat moment nog maar kort actief in haar rol als één van de partijen in de driepartijenovereenkomst met HCZ en (de voor haar tot dan toe onbekende partij) [C] . Voorts is van belang op te merken dat het voornemen in de brief van 11 november 2019 om na vier weken een evaluatiegesprek te plannen niet is uitgevoerd. Er is met andere woorden geen opvolging gegeven aan de eerste evaluatie van 30 oktober 2019. Ook nadien heeft er geen overleg dan wel evaluatie over de samenwerking met HCZ en [C] plaatsgevonden, terwijl artikel 6.5 van de samenwerkingsovereenkomst toch uitdrukkelijk stipuleert dat partijen (HCZ, Sport 7 en [C] ) uiterlijk 13 maanden na ondertekening van de overeenkomst de gemaakte afspraken en het verloop van de samenwerking met elkaar zullen evalueren. Een dergelijke evaluatie had uiterlijk begin mei 2020 plaats moeten vinden. De in de brief van 11 november 2019 opgenomen kritiekpunten stonden dus tussen partijen ter discussie, waren niet gebaseerd op een evaluatie waarbij alle contractspartijen waren betrokken en hadden betrekking op een relatief beperkte periode van twee maanden nadat de verplichtingen uit de overeenkomst van kracht waren geworden. De evaluatie werd bovendien niet opgevolgd door een vervolggesprek, hetzij vier weken later, hetzij voor begin mei 2020, hetzij voor opzegging van de overeenkomst bij brief 21 augustus 2020. 4.7. Eerst in de opzeggingsbrief van 21 augustus 2020 heeft HCZ onder punt a t/m f nader aan Sport 7 gesteld en toegelicht welke ‘tekortkomingen’ zij aan de zijde van Sport 7 heeft geconstateerd. Opmerkelijk daarbij is overigens dat de spreekwoordelijke “druppel”, die volgens HCZ heeft geleid tot beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, in de brief van 21 augustus 2020 helemaal niet wordt genoemd, terwijl deze evenmin terug te vinden is in de brief naar aanleiding van het eerste (en enige) evaluatiegesprek op 30 oktober 2019. Deze tekortkoming is pas genoemd in het bericht dat HCZ na de opzegging van de overeenkomst ten behoeve van haar leden op facebook heeft geplaatst. Verder valt op dat in de opzeggingsbrief (voor het eerst) ook andere tekortkomingen worden aangekaart dan die welke eerder, tijdens het gesprek op 30 oktober 2019, zijn besproken. 4.8. Op deze wijze is volstrekt onduidelijk welke ‘afspraken’ Sport 7 nu naar het oordeel van HCZ herhaaldelijk niet zou zijn nagekomen en welke opzegging van de overeenkomst zouden rechtvaardigen. Bovendien strekt de brief van 21 augustus 2020 tot directe beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, zonder dat Sport 7 eerst nog in de gelegenheid wordt gesteld haar handelwijze aan te passen of daarover met HCZ in gesprek te gaan. De daags voor deze brief bij Whatsappbericht gedane uitnodiging voor een evaluatiegesprek de volgende ochtend kan niet als een redelijk of realistisch voorstel voor een evaluatiegesprek in de zin van artikel 6.5 van de overeenkomst worden gezien en de omstandigheid dat Sport 7 daar op deze korte termijn niet aan kon (of wilde) meewerken kan haar derhalve niet worden tegengeworpen. 4.9. Onder deze omstandigheden, dus zonder dat tussen (alle) partijen duidelijk is be- en uitgesproken wat zij over en weer uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van elkaar (mogen) verwachten en partijen zich daar vervolgens ook naar hebben kunnen richten, kan HCZ bijna een jaar na haar brief van 11 november 2019 bezwaarlijk aan Sport 7 tegenwerpen dat zij zich ‘meerdere malen’ niet zou hebben gehouden aan ‘afspraken uit de overeenkomst’. 4.10. HCZ heeft nog aangevoerd dat het op de weg van Sport 7 had gelegen met haar in overleg te treden. De voorzieningenrechter volgt HCZ niet in deze stelling. Nu HCZ zich op het standpunt stelt dat Sport 7 bepaalde tussen hen geldende afspraken herhaaldelijk niet (voldoende) is nagekomen en dat dit voor HCZ genoegzame aanleiding vormde tot het nemen van de vergaande beslissing de overeenkomst die partijen met elkaar voor bepaalde tijd zijn aangegaan met onmiddellijke ingang op te zeggen, had het op de weg van HCZ gelegen om, alvorens tot opzegging over te gaan, haar bezwaren in een gesprek met Sport 7 (en [C] ) duidelijk en concreet aan de orde te stellen en afspraken te maken over hoe verder uitvoering te geven aan de samenwerkingsovereenkomst, een en ander zoals hiervoor onder 4.5 beschreven. Nu HCZ dit achterwege heeft gelaten moet de opzegging van 21 augustus 2020 als rauwelijks en onredelijk worden aangemerkt. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter niet eens toe aan een inhoudelijke bespreking van de klachten die HCZ aan haar opzegging ten grondslag heeft gelegd en het gemotiveerde verweer dat Sport 7 daar tegen in heeft gebracht. De zaak strandt reeds op de onzorgvuldige (en daarmee onredelijke) wijze waarop HCZ is overgegaan tot opzegging van de overeenkomst met onmiddellijke ingang. 4.11. Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep van HCZ op de opzeggingsgrond van artikel 7 sub g van de samenwerkingsovereenkomst in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht hebben te nemen binnen het kader van de contractuele relatie die zij zijn aangegaan. Die onredelijkheid klemt overigens eens temeer nu de opzegging is gedaan met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen zonder inachtneming van enige opzegtermijn, terwijl onweersproken vast staat dat Sport 7 en HCZ al meer dan 15 jaar een samenwerkingsverband hebben en de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst met Sport 7 door HCZ feitelijk dus strekt tot beëindiging van een al veel langer bestaande rechtsbetrekking, waarvan de laatstelijk gesloten samenwerkingsovereenkomst per 1 september 2019 slechts een korte periode beslaat. 4.12. Het belang van Sport 7 bij voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst is evident. Sport 7 heeft, zeker tijdens deze Corona-crisis, alle belang bij de zekerheid van behoud van een vaste klandizie zoals de leden van HCZ die bij haar de door HCZ voorgeschreven wedstrijdkleding en mogelijk ook andere hockey-benodigdheden zoals sticks en ballen kopen. Verder is onweersproken gesteld dat Sport 7 sinds het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst een ijzeren voorraad aan HCZ-wedstrijdkleding van het merk [C] dient aan te houden. Indien HCZ na het opzeggen van de overeenkomst in zee zou gaan met een andere partij zou Sport 7 dus met een aanzienlijke voorraad blijven zitten, terwijl zij bovendien op grond van artikel 5.7 gehouden is om alle custom made artikelen bestemd voor HCZ die [C] op voorraad houdt of welke reeds zijn besteld af te nemen en te betalen. Daar staat tegenover dat niet gebleken is van klemmende redenen aan de zijde van HCZ op grond waarvan niet van haar kan worden gevergd dat zij de samenwerkingsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voortzet. HCZ heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard weliswaar een gesprek te hebben gehad met een derde partij (Jumbo) die mogelijk in plaats van Sport 7 de wedstrijd-tenues aan de club zou kunnen leveren, maar nog geen toezeggingen te hebben gedaan in afwachting van de uitkomst van deze kort gedingprocedure. Het is dus niet zo dat HCZ na de opzegging van 21 augustus 2020 nieuwe juridisch bindende afspraken heeft gemaakt die onverenigbaar zijn met voortzetting van de overeenkomst met Sport 7 en haar in een noodsituatie doen verkeren. 4.13. Nu de verwachting is dat ook de rechter in een bodemprocedure tot eenzelfde oordeel zal komen omtrent de ongeldigheid van de door HCZ gedane opzegging en naar verwachting ook niet tot een andere belangenafweging zal komen zal de vordering van Sport 7 om HCZ te veroordelen de overeenkomst na te komen worden toegewezen. 4.14. Toewijzing van de vordering tot nakoming van de overeenkomst impliceert dat het HCZ niet vrij staat met een andere partij dan Sport 7 overeen te komen zaken te leveren die onder de werking van de samenwerkingsovereenkomst vallen. HCZ heeft daarom de vraag aan de orde gesteld in hoeverre Sport 7, indien haar vordering tot nakoming van de overeenkomst wordt toegewezen, belang heeft bij toewijzing van het gevorderde verbod om een overeenkomst met een derde partij te sluiten zolang de overeenkomst met Sport 7 nog van kracht is. HCZ kan hierin worden gevolgd: een veroordeling tot onverkorte nakoming van de overeenkomst ziet tevens op de in dat kader geldende exclusiviteitsafspraken, zodat voor een separate veroordeling dienaangaande voldoende belang ontbreekt. Schending van de exclusiviteitsafspraken betekent immers dat een onderdeel van de overeenkomst niet wordt nagekomen, hetgeen gesanctioneerd wordt door de gevorderde en toe te wijzen dwangsom. 4.15. De voorzieningenrechter ziet in de enigszins eigengereide opstelling van HCZ tegenover Sport 7 zoals deze uit de stukken blijkt aanleiding om de veroordeling tot nakoming met een dwangsom te versterken; de voorzieningenrechter durft er niet blind op te vertrouwen dat HCZ niet in verleiding zal komen of worden gebracht om in zee te gaan met een kapitaalkrachtige partij zoals Jumbo, waarmee immers al concreet contacten zijn gelegd. 4.16. HCZ zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Sport 7 worden begroot op: - dagvaarding € 92,47 - griffierecht 667,00 - overige kosten 0,00 - salaris advocaat 1.016,00 Totaal € 1.775,47 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt HCZ om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de samenwerkingsovereenkomst met Sport 7 van 1 september 2019 volledig na te komen en te blijven nakomen, zolang deze overeenkomst niet op rechtsgeldige wijze is geëindigd; 5.2. veroordeelt HCZ om aan Sport 7 een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat HCZ na betekening van dit vonnis in gebreke blijft om te voldoen aan de hoofdveroordeling onder 5.1, zulks met een maximum van € 30.000,-; 5.3. veroordeelt HCZ in de proceskosten, aan de zijde van Sport 7 tot op heden begroot op € 1.775,47, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.