RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer : 8923103 Rolnummer : 20-8643 Uitspraak : 10 juni 2021 in de zaak van: [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1], wonende en zaakdoende te [plaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. M. Poelsema, t e g e n [gedaagde] , mede handelend onder de naam [bedrijf 2], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , gemeente [plaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. S.G. Ong. Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1. Dit blijkt uit het volgende: het tussenvonnis van 25 februari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; het schriftelijk verweer tegen de tegenvordering ("conclusie van antwoord in reconventie"); de akte overlegging productie (nr. 27), tevens vermindering van eis; een akte (met productie 16) van [gedaagde] ; een akte aanvulling/vermeerdering van eis van [gedaagde] ; de mondelinge behandeling (hierna ook: de zitting), gehouden op 11 mei 2021. Partijen hebben op de zitting hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder door partijen naar voren is gebracht. 1.2. Tot slot is opnieuw een datum bepaald waarop vonnis wordt gewezen. 2Inleiding en feiten 2.1. Vanaf 1 september 2016 bestond tussen partijen een agentuurovereenkomst (hierna ook: overeenkomst). Handelsagent [eiser] heeft de overeenkomst per 1 december 2019 opgezegd. Partijen twisten met name over de financiële afwikkeling van de overeenkomst. Ook zijn zij over en weer van mening dat de ander aansprakelijk is voor de gevolgen van de opzegging. 2.2. In dat verband staat tussen partijen als niet dan wel onvoldoende weersproken, en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast. 2.3. [gedaagde] is vanaf 2004 actief in de markt van sportartikelen. Zij heeft zich gespecialiseerd in de verkoop van fiets- en paardrijhelmen van het merk KED en skibrillen, -helmen en -accessoires van het merk Slokker. Zij maakte eind 2015 kennis met het Canadese kledingmerk Outdoor Survival Canada (hierna: OSC). 2.4. [gedaagde] zag kansen voor de jassen van OSC op de Europese markt. De firma Partners Growth Inc. (hierna: PGI) had hiervan het importeurschap voor Europa. [gedaagde] is met PGI overeengekomen dat zij als subdealer het recht kreeg om de jassen van OSC te verkopen in de Benelux, Duitsland, Oostenrijk en Italië. 2.5. Voor de verkoop van de jassen bij reguliere kledingzaken werd, naast de heer [A] van TMA agenturen, [eiser] benaderd om als handelsagent te bemiddelen bij de verkoop van het merk OSC, Slokker en KED. 2.6. [gedaagde] , als opdrachtgever en vertegenwoordigd door de heer [B] (hierna: [B] ), en [eiser] , als opdrachtnemer en handelend onder de naam [bedrijf 1] Agencys, zijn vervolgens voor de duur van 1 september 2016 tot 31 januari 2018 een schriftelijke ‘overeenkomst van opdracht/agenturenovereenkomst’ aangegaan met onder meer de volgende inhoud: ‘Artikel 1 De opdracht 1.1 Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten: De Opdrachtnemer zal zijn bemiddeling verlenen bij het tot stand komen van transacties tussen nieuwe afnemers (detailhandel) (niet zijnde reeds bestaande relaties van [bedrijf 2] ) en Opdrachtgever en verplicht zich, hierbij de belangen van de Opdrachtgever te behartigen met de zorgvuldigheid welke een goed koopman betaamt. De werkzaamheden zullen uitgevoerd worden in: Nederland met uitzondering van de provincies Limburg, Noord Brabant en Zeeland. Bestaande relaties van [bedrijf 2] waarvoor geen recht op provisie bestaat in het Rayon zullen door [bedrijf 2] kenbaar gemaakt worden bij ondertekening van deze overeenkomst. Artikel 2 Uitvoering van de opdracht (…) 2.3. Opdrachtgever verstrekt Opdrachtnemer alle bevoegdheid en informatie benodigd voor een goede uitvoering van de opdracht. Met name zal de Opdrachtgever de Opdrachtnemer voorzien van voldoende monsters, drukwerk, indien voorhandig reclamemateriaal etc. (…) (…) Artikel 5 Opzegging overeenkomst 5.1 Deze overeenkomst is door beide partijen tegen het einde van een kalendermaand opzegbaar met een vaste termijn van 3 maanden. (…) Artikel 6 Vergoeding, facturering en betaling 6.1 De provisie bedraagt 10% (in letters: tien procent) van het factuurbedrag exclusief BTW van alle met en zonder tussenkomst van de Opdrachtnemer in het in deze overeenkomst opgenomen rayon tot stand gekomen transacties (voororders, nabestellingen en voorraad), met aldaar gevestigde afnemers, minus hierop betrekking hebbende creditnota’s exclusief BTW. Voor het binnen halen van orders buiten het omschreven Rayon, zal een provisie worden afgesproken van 5% (in letters: vijf procent). Het accepteren van een order is afhankelijk of de klant voldoende kredietwaardig is. Indien deze klant niet voldoende kredietwaardig blijkt te zijn, wordt de betreffende order niet geleverd. (…) 6.4 De Opdrachtgever doet de Opdrachtnemer iedere maand, uiterlijk op de 15e dag van de daarop volgende maand, een provisieafrekening toekomen met betrekking tot de in die betreffende periode plaats gevonden leveringen welke volledig betaald zijn. Eventuele voorschotten, welke de agent reeds ontvangen heeft, worden met de provisieafrekening verrekend. 6.5 Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden op basis van de in 6.4. bedoelde provisieafrekening Opdrachtgever een factuur (doen) zenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke vereisten. 6.6 Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 10 dagen na ontvangst van de factuur. (…)’ 2.7. Partijen hebben de overeenkomst na 31 januari 2018 ongewijzigd voortgezet. 2.8. In een telefoongesprek met [B] van 29 november 2019, bevestigd bij e-mail van dezelfde datum, heeft [eiser] de overeenkomst per 1 december 2019 opgezegd. 2.9. Omstreeks eind januari 2020 heeft OSC aan [gedaagde] laten weten dat het importeurschap is toegekend aan Millipede Fashion Group B.V. (hierna: Millipede). PGI en [gedaagde] hebben geen rol meer bij de verkoop van producten van OSC. 2.10. [eiser] werkt vanaf medio december 2019 voor Millipede als handelsagent voor de verkoop van OSC in de Benelux. Daarnaast is hij Sales Manager voor OSC voor Europa, Rusland en Turkije. 3Het geschil De vorderingen van [eiser] (= de vorderingen in conventie) 3.1. Na vermindering van eis vordert [eiser] om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan hem te betalen: 1. € 37.654,28 aan provisie; 2. € 31.908,10 aan klantenvergoeding; 3. € 290.073,63 aan schadevergoeding; 4. € 52.727,75 aan honorarium voor overige werkzaamheden en 5. € 3.836,82 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente en proces- en nakosten als vermeld in de dagvaarding. 3.2. [eiser] heeft aan zijn hoofdvorderingen, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd: Ad 1 – op grond van artikel 6.1 van de overeenkomst is [gedaagde] nog provisie aan hem verschuldigd. Hierop wordt aanspraak gemaakt; Ad 2 – op grond van artikel 7:442 lid 4 sub b BW komt hij in aanmerking voor een klantenvergoeding; Ad 3 – [gedaagde] is de zorgplicht van artikel 7:430 lid 1 BW niet nagekomen en op grond van artikel 6:74 BW gehouden de schade te vergoeden die hij vanwege deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst lijdt; Ad 4 – in opdracht van [gedaagde] heeft hij overige werkzaamheden verricht. Op grond van artikel 7:405 BW is [gedaagde] hiervoor loon verschuldigd. 3.3. [gedaagde] concludeert bij antwoord tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Voor zover geoordeeld wordt dat [eiser] wel enig bedrag toekomt, wordt gevorderd dat verrekening plaatsvindt met haar tegenvordering. De vorderingen van [gedaagde] (= de vorderingen in reconventie) 3.4. [gedaagde] vordert na vermeerdering van eis, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [eiser] te veroordelen om de factuur van € 16.527,00 aan haar te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en € 94,79 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten; te verklaren voor recht dat [eiser] gehouden is om de door haar geleden schade als gevolg van de onregelmatige en schadeplichtige opzegging te vergoeden, met veroordeling van [eiser] om aan haar te voldoen een bedrag aan schadevergoeding nader op te maken bij staat, met veroordeling van [eiser] in de kosten van die procedure, althans te verklaren voor recht dat [gedaagde] bevoegd is de door haar geleden schade ten gevolge van de onregelmatige en/of schadeplichtige opzegging door [eiser] te verrekenen met enig door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd bedrag, te vermeerderen met proces- en nakosten als vermeld in de conclusie van eis. 3.5. [gedaagde] heeft aan haar hoofdvorderingen het volgende ten grondslag gelegd. Ad A – In 2018 en 2019 is teveel provisie aan [eiser] betaald. Ondanks sommatie is de hiervoor verzonden factuur onbetaald gelaten (productie 16 bij dagvaarding), zodat ook wettelijke handelsrente verschuldigd is en aanspraak wordt gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten. Ad B – [eiser] heeft de contractueel overeengekomen opzegtermijn van drie maanden niet in acht genomen en is daarom schadeplichtig. Vanwege samenspanningen van OSC, Millipede en [eiser] is [gedaagde] het importeurschap van OSC voor Europa kwijtgeraakt. De hierdoor geleden schade is aanzienlijk. Omdat het op dit moment lastig is om de schade te begroten en te onderbouwen wordt een verklaring voor recht gevorderd en verwijzing naar de schadestaatprocedure. 3.6. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] . 4De beoordeling Algemeen 4.1. Omdat partijen hierover van mening verschillen wordt eerst ingegaan op de vraag over welke transacties [eiser] recht op provisie heeft, het ontstaansmoment daarvan en of de uitvoering van de tot stand gekomen transacties en de betaling van leveringen daarop van invloed is. Recht op provisie 4.2. In artikel 6.1 van de overeenkomst is expliciet overeengekomen dat [eiser] recht op provisie heeft voor, kort gezegd, transacties die met en zonder zijn tussenkomst, in en buiten zijn rayon, tot stand zijn gekomen. De door [gedaagde] ingenomen stelling dat geen recht op provisie bestaat voor verkopen waarvoor niet door [eiser] is bemiddeld houdt geen stand en wordt verworpen. Ontstaansmoment van het recht op provisie 4.3. [eiser] verleende zijn bemiddeling bij het tot stand komen van transacties tussen nieuwe afnemers en [gedaagde] (artikel 1.1 van de overeenkomst). Als door [gedaagde] niet weersproken staat vast dat alle aangebrachte inkooporders zonder enige opmerking of vraag door haar zijn aanvaard. Omdat daarover in de overeenkomst niet iets anders is overeengekomen betekent dit dat [eiser] recht op provisie heeft vanaf een maand vanaf het moment dat hij een inkooporder aan [gedaagde] heeft doen toekomen (artikel 7:432 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:430 lid 4 BW en artikel 6.1 van de overeenkomst). 4.4. In de overeenkomst is geen uitdrukkelijk beding opgenomen dat het recht op provisie doet afhangen van de uitvoering van de overeenkomst (artikel 7:432 lid 2 BW). Het al dan niet volledig uitleveren van bestellingen heeft dus geen invloed op het ontstaan van het recht op provisie. Beding van delcredere 4.5. Op grond van een schriftelijk overeengekomen beding van delcredere kan de handelsagent zich aansprakelijk stellen voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van de derde (artikel 7:429 lid 2 BW: de gegoedheid van de derde). Het overeenkomen van zo’n beding heeft als zodanig geen invloed op het recht op provisie, maar maakt dat de handelsagent – wanneer een afnemer niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet en in verzuim verkeert – aansprakelijk is tot het bedrag van de overeengekomen provisie die hoort bij de onderliggende inkooporder. 4.6. In artikel 6.4 van de overeenkomst staat dat een provisieafrekening wordt verstrekt van ‘leveringen die (…) volledig zijn betaald’. 4.7. Niet voor de hand ligt dat uit het gebruik van deze woorden, zoals [gedaagde] kennelijk bedoelt te stellen en door [eiser] overigens is betwist, moet worden afgeleid dat [eiser] zich op basis van een beding van delcredere aansprakelijk heeft gesteld. Met een dergelijk beding wordt immers onder meer beoogd dat de handelsagent zich informeert over de kredietwaardigheid van een afnemer, zodat een principaal meer zekerheid heeft bij het contracteren van die afnemer. In het slot van artikel 6.1 van de overeenkomst staat echter dat een order niet wordt geaccepteerd, en er niet wordt geleverd, wanneer de klant niet voldoende kredietwaardig is. Of een order al dan niet wordt geaccepteerd is een beslissing van [gedaagde] . Dat zij zich daarbij baseert op van [eiser] afkomstige gegevens over de kredietwaardigheid van een afnemer is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Aangenomen moet dus worden dat [gedaagde] de kredietwaardigheid van een afnemer toetst. Bij gebrek aan andere feiten of omstandigheden is al hierom niet aannemelijk dat [eiser] zich aansprakelijk heeft gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van afnemers. 4.8. Maar zelfs wanneer aangenomen zou moeten worden dat een beding van delcredere is overeengekomen leidt dit niet tot een lagere provisieaanspraak van [eiser] . Als door [gedaagde] immers niet weersproken staat vast dat zij gedurende de looptijd van de agentuurovereenkomst geen provisieafrekeningen als bedoeld in artikel 6.4 van de overeenkomst heeft verstrekt. Hieruit volgt ook dat [gedaagde] nooit een beroep op dit, veronderstellenderwijs aangenomen, beding heeft gedaan. Onder die omstandigheden kon en mocht [eiser] ervan uitgaan, zoals hij in deze procedure doet, dat hij de volledige aanspraak op zijn provisie heeft gehouden. Wat betreft de vorderingen van [eiser] (= in conventie) Ad 1 – provisie 4.9. Onder randnummer 50, 56 en 57 van de dagvaarding heeft [eiser] gespecificeerd hoe zijn vordering is opgebouwd. 4.10. Allereerst wordt vastgesteld dat [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiser] nog aanspraak heeft op € 1.427,00 exclusief btw aan provisie voor overige omzet andere verkopen en B2B klanten, zodat dit onderdeel van de vordering wordt toegewezen. 4.11. Op basis van de door hem bij [gedaagde] aangebrachte inkooporders van 2017, 2018 en 2019 (productie 23, 24 en 25 bij dagvaarding) heeft [eiser] een overzicht opgesteld van de door zijn tussenkomst tot stand gekomen factuurbedragen per klant en per kwartaal (productie 5 bij dagvaarding). Na vermindering van eis ter zake van de provisie van [C] bedraagt de aanspraak voor de door tussenkomst van [eiser] bemiddelde transacties € 22.066,49 inclusief btw en € 18.236,77 exclusief btw. 4.12. Vanwege het ontbreken van provisieoverzichten heeft [eiser] de hoogte van het recht op provisie voor transacties die zonder zijn tussenkomst tot stand zijn gekomen geschat op € 11.455,47 exclusief btw. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op informatie afkomstig van OSC. 4.13. [gedaagde] heeft de juistheid van deze aanspraken betwist en voor 2018 en 2019 een tegenvordering ingesteld. 4.14. Overwogen wordt als volgt. 2017 4.14.1. Bij gebrek aan een gemotiveerd en concreet verweer tegen de gemaakte aanspraak op provisie voor 2017 moet ervan uitgegaan worden dat die aanspraak tussen partijen vaststaat. Rekening houdende met de onweersproken voorschotbetaling van € 18.444,00 heeft [eiser] voor 2017 nog recht op € 2.248,00 exclusief btw aan provisie voor transacties die met zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen. 2018 en 2019 4.14.2. Als gezegd heeft [eiser] ook recht op provisie voor transacties van afnemers buiten zijn rayon (artikel 6.1 van de overeenkomst). Niet gebleken is dat [gedaagde] bij de ondertekening van de overeenkomst kenbaar heeft gemaakt dat er bestaande relaties zijn waarvoor geen recht op provisie bestaat (artikel 1.1 van de overeenkomst). Dit betekent dat [gedaagde] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat [eiser] geen recht op provisie heeft voor klanten in Tilburg, Breda en Eindhoven omdat die al jaren klant van haar zijn. 4.14.3. [eiser] heeft recht op 5% provisie voor inkooporders buiten zijn rayon (artikel 6.1 van de overeenkomst). [gedaagde] voert terecht aan dat voor klanten in Tilburg, Breda, Eindhoven, Oisterwijk en Den Bosch met dit percentage moet worden gerekend. 4.14.4. [eiser] heeft zijn aanspraak op provisie voor [C] verminderd met € 520,58 inclusief btw (€ 430,23 exclusief btw). Het tegen deze claim gerichte verweer van [gedaagde] , onderbouwd met een verwijzing naar productie 9 bij conclusie van antwoord, hoeft dus niet meer te worden behandeld. 4.14.5. Zoals hiervoor al overwogen wordt ervan uitgegaan dat de aanspraak van [eiser] op provisie niet is beperkt door een beding van delcredere. Dit betekent dat hij ook recht op provisie heeft voor de inkooporder van de firma Italia Couture van € 22.000,00. Dat deze firma is gefailleerd, zoals [gedaagde] aanvoert, staat hieraan niet in de weg nu niet gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] deze order heeft geweigerd. 4.14.6. [eiser] heeft ook recht op provisie voor transacties die zonder zijn tussenkomst tot stand zijn gekomen. Het verweer van [gedaagde] dat er in het rayon van [eiser] ook klanten zijn die geen order bij hem hebben geplaatst of waarvoor geen ‘lead’ is gegeven wordt daarom gepasseerd. Gelet op haar verweer tegen de hoogte van het geschatte recht op provisie wordt [gedaagde] in de gelegenheid gesteld een opgave in de procedure te brengen van de transacties met afnemers die in 2017, 2018 en 2019 zonder tussenkomst van [eiser] tot stand zijn gekomen. 4.15. Uit wat hiervoor staat volgt ook dat [gedaagde] niet kan worden gevolgd in de berekening van haar tegenvordering over 2018 en 2019. 4.15.1. Het hieraan ten grondslag gelegde rapport (overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord) van de heer [D] , administrateur/fiscalist, is gebaseerd op de onjuiste uitgangspunten dat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.