← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:3740

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 20/2044 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar (gemachtigde: F. Fikri). Procesverloop De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 11 juni 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [nummer] opgelegd ter hoogte van € 66,30, bestaande uit € 1,80 parkeerbelasting en € 64,50 kosten naheffing. Bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2020 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli

  1. Eiser is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen Feiten Op 11 juni 2020 om 10:32 uur stond het voertuig van eiser met het kentekennummer [nummer] geparkeerd op een parkeerplaats aan de Alberdingk Thijmlaan te Eindhoven. Deze parkeerplaats is op grond van op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Eindhoven gelezen in samenhang met het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren november 2019 van de gemeente Eindhoven, aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Een parkeercontroleur van de gemeente Eindhoven heeft op 11 juni 2020 omstreeks 10:32 uur geconstateerd dat in de auto van eiser geen parkeerkaartje zichtbaar was. Hij heeft daarop de naheffingsaanslag opgelegd. Ten name van Stichting Depot Eindhoven is voor het verrichten van werkzaamheden een ontheffing verleend van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Deze ontheffing lag ten tijde van de controle in de auto van eiser. Geschil en beoordeling
  2. Tussen partijen is in geschil of eiser op grond van genoemde ontheffing is vrijgesteld van het betalen van parkeerbelasting en dus of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.
  3. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag niet terecht is opgelegd, omdat hij beschikt over een ontheffing die geldt tijdens werkzaamheden. Op 11 juni 2020 omstreeks 10:32 uur was eiser op de locatie aanwezig voor werkzaamheden. Eiser stelt op de zitting dat zijn beslissing, om ter plaatse niet op de stoep of de weg maar in een parkeervak te parkeren, werd ingegeven vanuit de verkeersveiligheid.
  4. De heffingsambtenaar stelt dat de ontheffing niet geldig is in deze situatie. De op grond van artikel 87 van het RVV gegeven ontheffing geeft eiser ontheffing van regels, verboden en verkeerstekens die gelden op openbare wegen om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden uit te voeren. De ontheffing geeft echter geen recht op vrijstelling van betaling van parkeerbelasting. Daarom had eiser de parkeerbelasting moeten voldoen. Nu eiser dit heeft nagelaten, is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser opgelegd. De heffingsambtenaar verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:
  5. In de door de heffingsambtenaar aangehaalde uitspraak heeft de rechtbank eerder al uitgesproken dat men met een ontheffing als hier aan de orde niet is vrijgesteld van de verplichting om parkeerbelasting te betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft er uiteraard begrip voor dat eiser bij het parkeren van zijn voertuig let op de verkeersveiligheid, maar dat is hij op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet ook verplicht. Het naleven van dat wettelijk voorschrift ontslaat eiser niet van de verplichting om andere wettelijke voorschriften na te leven, in dit geval het voorschrift om parkeerbelasting te betalen.
  6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 11 juni 2020 bij de uitspraak op bezwaar terecht heeft gehandhaafd en moet het beroep ongegrond worden verklaard. De rechter deelt partijen mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan hen zal worden toegestuurd. De rechter wijst partijen erop dat zij het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 juli
  7. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.