vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer / rolnummer: C/01/362779 / HA ZA 20-603 Vonnis van 4 augustus 2021 in de zaak van: 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 1] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat: mr. A.M. Engelen te Velp Nb, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat: mr. A.L. van den Bergh LLM. te Maastricht. Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. genoemd worden. 1De procedure 1.1. De procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 november 2020; - het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 28 juni 2021; - de brief van mr. Engelen van 2 juli 2021 met twee korte opmerkingen over het proces-verbaal. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Eiseres sub 2 ( [eiser 2] ) en gedaagde sub 2 ( [gedaagde 2] ) zijn zussen van elkaar. 2.2. Na het overlijden van hun moeder op [overlijdensdatum] 2000 zijn beide zussen op grond van het testament van moeder gezamenlijk eigenaar geworden van de onverdeelde helft van het appartementsrecht, recht gevend op het appartement op de vierde verdieping van een appartementsgebouw aan de [adres] in [plaats 3] , met een garage in de kelder (hierna verder: het appartement). De andere onverdeelde helft bleef eigendom van vader. 2.3. Op 21 februari 2017 heeft vader zijn onverdeelde helft verkocht aan [eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. De levering heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Partijen zijn sindsdien gezamenlijk eigenaar van het appartement. 2.4. Beide partijen hebben, afzonderlijk van elkaar, in het kader van de aankoop een aflossingsvrije hypotheek van elk € 117.000,-- afgesloten bij de Rabobank. 2.5. Sinds mei 2017 wordt het appartement als vakantiewoning telkens voor kortere periodes verhuurd aan verschillende derden, dan wel door partijen zelf (afzonderlijk van elkaar) gebruikt. 3De vordering en het verweer in conventie: 3.1. [eisers] c.s. vorderen, na wijziging/aanvulling van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat het appartement aan het adres [adres] in [plaats 3] aan een derde dient te worden verkocht; [gedaagden] c.s. te veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop van het appartement aan het adres [adres] te [plaats 3] , middels het verlenen van toegang aan een makelaar van [A] uit [plaats 3] voor de taxatie van de woning, aan de ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar en om in te stemmen met de vraagprijs die door deze makelaar wordt geadviseerd; [gedaagden] c.s. te veroordelen om alle verdere nodige medewerking aan de verkoop te verlenen, waaronder het openstellen van de woning voor bezichtigingen door gegadigden; [gedaagden] c.s. te veroordelen mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst op het moment dat er een kandidaat-koper is die een prijs wil betalen die tussen de laat- en vraagprijs ligt zoals de makelaar die adviseert, en aan het passeren van de notariële akte om het appartement goederenrechtelijk aan de koper te leveren; [gedaagden] c.s. te veroordelen om aan [eisers] c.s. een dwangsom van € 250,00 te betalen voor iedere keer c.q. dag en/of dagdeel dat zij niet aan de vorderingen onder punten A tot en met D voldoen; te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de rechtshandelingen te verrichten door [gedaagden] c.s., te weten het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële akte, indien [gedaagden] c.s. binnen 4 weken na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke zullen zijn gebleven hun medewerking te verlenen zoals onder punten A tot en met D vermeld, dan wel [eisers] c.s. te machtigen tot het te gelde maken van de woning; te bepalen dat de kosten van de makelaar (de courtage) bij verkoop en levering van de woning in mindering zullen worden gebracht op de verkoopprijs en dat daarna het restant tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld; met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de kosten van dit geding. 3.2. [eisers] c.s. hebben hieraan ten grondslag gelegd dat zij tot verdeling willen overgaan. Van hen kan niet worden verwacht dat zij in de onverdeeldheid blijven. Zij maken zelf slechts sporadisch gebruik van het appartement en willen niet langer twee hypotheken (voor hun hoofdwoning en voor het appartement dat als vakantiewoning wordt gebruikt) met de bijbehorende maandlasten hebben. Bovendien moeten er in de toekomst investeringen in het appartement worden gedaan en [eisers] c.s. willen niet met die kosten worden geconfronteerd. De verhuuropbrengst van het appartement is daarvoor niet voldoende. Zij wijzen er op dat zij na hun pensionering een lager inkomen zullen ontvangen. Ook is van belang dat het appartement op dit moment een forse overwaarde heeft. Op de mondelinge behandeling is nog aangevoerd dat de reden voor het kopen van het aandeel van vader was dat vader in financiële problemen zat, openbare verkoop van het appartement dreigde (wellicht voor een bedrag ver beneden de werkelijke waarde) en de beide dochters hun vader wilden helpen en hun eigen erfdeel veilig wilden stellen. 3.3. [gedaagden] c.s. voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie: 3.5. [gedaagden] c.s. vorderen dat de verdeling van het appartement voor de eerste maal voor 3 jaren zal worden uitgesloten. 3.6. [gedaagden] c.s. hebben hieraan ten grondslag gelegd dat hun belangen bij het behoud van het appartement aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van [eisers] c.s. bij verkoop van het appartement aan derden, als bedoeld in artikel 3:178 lid 3 BW. [eisers] c.s. hebben hun (financiële) belangen niet onderbouwd. De verhuur is bovendien zodanig succesvol dat de opbrengsten de kosten van het appartement ruimschoots overstijgen. Het appartement is daarnaast al sinds 1994 in de familie en het is de uitdrukkelijke wens van vader dat dit zo blijft. [gedaagden] c.s. maken zelf ook gebruik van het appartement en hebben een sterke band opgebouwd met het appartement en met [plaats 3] . 3.7. [eisers] c.s. voeren verweer. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie: 4.1. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld. De vorderingen zien immers alle op de verdeling van het appartement van partijen. Belangenafweging; verkoop vs. behoud 4.2. [eisers] c.s. beroepen zich op artikel 3:178 lid 1 BW. Hierin is bepaald dat ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Deze bepaling vormt de hoofdregel en de ratio ervan is dat in beginsel niemand in een onverdeelde gemeenschap hoeft te blijven. 4.3. [gedaagden] c.s. doen een beroep op een uitzondering op de hoofdregel, namelijk op het bepaalde in artikel 3:178 lid 3 BW: indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter op verlangen van een deelgenoot een vordering tot verdeling eenmaal of meerdere malen, telkens voor maximaal 3 jaar, uitsluiten. Er dient in dit kader dus een belangenafweging plaats te vinden. Omdat [gedaagden] c.s. een beroep doet op deze uitzondering, om daardoor (tijdelijk) bevrijd te worden van de verplichting die de hoofdregel van artikel 3:178 lid 1 BW met zich meebrengt (verdeling), rusten de stelplicht en bewijslast op [gedaagden] c.s. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] c.s. echter onvoldoende onderbouwd gesteld, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [eisers] c.s., om aan te nemen dat de belangen van [gedaagden] c.s. bij behoud van het appartement aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van [eisers] c.s. bij verkoop ervan. Het is onvoldoende dat [gedaagden] c.s. het appartement zelf jaarlijks driemaal buiten de vakantieperiodes gebruiken en dat zij een sterke band hebben opgebouwd met het appartement en met [plaats 3] . Nergens uit blijkt dat er sprake is van een bijzonder familiebezit of van een onmogelijkheid om na verkoop van het appartement nog ergens op vakantie te kunnen gaan. [gedaagden] c.s. stellen dat er sprake is van een uitdrukkelijke wens van vader om het appartement in de familie te houden. Afgezien van het feit dat van deze uitdrukkelijke wens niet is gebleken, leidt een dergelijke wens van een niet-eigenaar er niet toe dat dit een uitsluiting van een vordering tot verdeling zou kunnen rechtvaardigen. De vordering van [gedaagden] c.s. in reconventie zal dan ook worden afgewezen. 4.5. [eisers] c.s. hebben hun (financiële) belangen bij verdeling (door verkoop) van het appartement voldoende onderbouwd gesteld. Het is hun goed recht om de tweede hypotheek te willen aflossen en daarmee hun maandlasten te verlagen. Het verweer van [gedaagden] c.s. dat hun belangen zwaarder zouden wegen, kan (zoals hiervoor al is overwogen) geen stand houden. Verkoop aan derde 4.6. De conclusie is dan ook dat de vordering in conventie van [eisers] c.s. dat het appartement aan een derde moet worden verkocht, toewijsbaar is. [gedaagden] c.s. hebben namelijk ter zitting verklaard dat zij niet in staat zijn om het aandeel van [eisers] c.s. over te nemen en dat zij ook geen derde kennen die hiertoe in staat en bereid is. 4.7. Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van het appartement en er ook geen afspraken zijn gemaakt over het te volgen verkooptraject, ziet de rechtbank aanleiding om de verdeling van het appartement op de voet van artikel 3:185 BW vast te stellen als volgt. De rechtbank tekent hierbij aan dat, nu de verkoop aan een derde zal worden gelast, van beide partijen als gezamenlijke eigenaren in beginsel onderling overleg en medewerking mag worden verwacht. 4.7.1. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zullen binnen een termijn van 4 weken nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden (zie ook r.o. 4.12 voor wat betreft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad) in onderling overleg een makelaar/taxateur naar keuze de opdracht tot verkoop geven en een vraag- en laatprijs bepalen. Lukt het niet (tijdig) om een makelaar/taxateur te kiezen, dan dienen partijen binnen 2 weken daarna ieder één makelaar/taxateur aan te wijzen die dan gezamenlijk een derde makelaar/taxateur aanwijzen om vervolgens de vraag en de laatprijzen gezamenlijk te laten bepalen. Indien partijen er niet in slagen om onderling een vraag- en laatprijs te bepalen, dan zal/zullen de makelaar(s)/taxateur(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.