← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:414

Obsah (4)§1§2§3§4

beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/01/353603 / FA RK 19-5921_4 Uitspraak: 26 januari 2021 Beschikking betreffende afstamming in de zaak van [verzoekster] , wonende

§1

is neergelegd dat gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan worden verzocht door het kind, zijn moeder of de man die stelt de vader van het kind te zijn (hierna: de beweerdelijke vader). Dit zijn de direct betrokkenen bij de vaststelling van familierechtelijke betrekkingen. Als het kind meerderjarig is kunnen de moeder en de beweerdelijk vader niet meer een verzoek tot vaststelling vaderschap indienen. Het kind en zijn moeder dienen het verzoek tegen de beweerdelijk vader in (

§2

) en de beweerdelijk vader tegen de moeder en het kind en indien de moeder niet meer leeft, alleen tegen het kind (

§3

). Wanneer het kind een verzoek tot vaststelling van het vaderschap heeft ingediend en gedurende de procedure komt te overlijden, kunnen zijn nakomelingen het verzoek (de procedure) voort zetten (

§4

). (…) wanneer het kind voor het bereiken van de meerderjarigheid is gestorven, [kunnen] de moeder en de beweerdelijke vader tot het moment waarop het kind meerderjarig zou zijn geworden, een verzoek tot vaststelling van het vaderschap […] indienen.” In artikel 85 FVGB is het wettelijk vermoeden van vaderschap en de weerlegging daarvan opgenomen. Op grond van artikel 86 FVGB kan het Openbaar Ministerie in het belang van het kind, tot het moment waarop het kind meerderjarig wordt, een verzoek tot vaststelling van het vaderschap indienen.

  1. Kunt u de rechtbank voorts nadere informatie doen toekomen over het Poolse afstammingsrecht die naar uw oordeel bij de beoordeling van de onderhavige zaak van belang zou kunnen zijn? Naar Pools recht heeft de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap een declaratoir karakter met werking ex tunc, dat wil zeggen dat het vaderschap ten aanzien van de burgerlijke staat van het kind terugwerkt tot het moment van zijn geboorte. Het kind geldt derhalve met terugwerkende kracht vanaf de geboorte als kind van de vader.
  2. Heeft u verder nog iets op te merken dat u voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang acht? Het IJI heeft geen nadere opmerkingen in het kader van de voorgelegde vragen. De standpunten van belanghebbenden Net als het IJI is de moeder van mening dat

FVGB van toepassing is op het verzoek en zij de mogelijkheid heeft op grond van dat artikel de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te verzoeken, zo blijkt uit het F9-formulier van mr. Van Wijk van 7 oktober 2020. Uit het F9-formulier van 6 oktober 2020 blijkt dat de bijzondere curator van mening is dat de moeder op grond van

§1FVGB ontvankelijk is in haar verzoek.

Volgens de bijzondere curator blijft echter de vraag bestaan over het verwekkerschap van de man. Het verzoek van de moeder kan volgens haar daarom (nog) niet worden toegewezen nu onzekerheid over het verwekkerschap in geval van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet in het belang is van [A] . Een DNA-onderzoek lijkt daarom noodzakelijk, mede gelet op de toelichting van het IJI bij artikel 85 FVGB dat naar Pools recht aan bloedonderzoek en DNA-bewijs de meeste waarde wordt gehecht. De bijzondere curator geeft daarom in overweging een DNA-onderzoek te gelasten waaraan beide partijen hun medewerking dienen te verlenen. De raad heeft zich in zijn brief van 13 oktober 2020 op het standpunt gesteld dat toewijzing van het verzoek van de moeder op zijn plaats is. De man heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn gereageerd op het rapport van het IJI. De verdere beoordeling Toepasselijk recht Op grond van artikel 10:97 en 10:2 BW dient de rechtbank Pools recht toe te passen op het verzoek van de moeder. Ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat de moeder op grond van

§1FVGB een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan doen.

Verder richt het verzoek van de moeder zich tegen de man als beweerdelijk vader, zodat ook aan de tweede paragraaf van

FVGB is voldaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank stelt op basis van het door het IJI uitgebrachte rapport vast dat

FVGB ziet op de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Artikel 85 FVGB ziet op het wettelijk vermoeden van vaderschap en de mogelijkheden tot de ontkenning daarvan. Niet is gebleken van enig verband tussen deze twee artikelen. Uit het rapport van het IJI en het daarin geciteerde

FVGB volgt niet dat sprake moet zijn van een wettelijk vermoeden van vaderschap of dat het biologisch vaderschap (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) moet zijn vastgesteld voordat een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan worden toegewezen. In

FVGB wordt alleen bepaald wie en onder welke omstandigheden een dergelijk verzoek kan doen en tegen wie dat verzoek moet zijn gericht. De rechtbank concludeert daarom dat voor de toewijzing van het verzoek van de moeder naar Pools recht het vaderschap van de man niet hoeft vast te staan. Het gelasten van een DNA-onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het advies van de bijzondere curator op dit punt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om het vaderschap van de man (naar Pools recht) gerechtelijk vast te stellen toewijzen, aangezien aan de daaraan gestelde vereisten van

FVGB is voldaan. De beslissing De rechtbank: stelt naar Pools recht vast dat [verweerder] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] , de vader is van de minderjarige [A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ; compenseert de gemaakte proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 januari 2021. mku Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraakb. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.