← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:4715

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/879584-18 Datum uitspraak: 6 september 2021 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , wonende te [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2020, 14 en 20 mei 2020, 8 juli 2020, 6 en 16 oktober 2020, 2 december 2020, 2 en 9 februari 2021, 20 en 21 april 2021, 17 en 18 en 20 mei 2021, 4 juni 2021, 7 juni 2021, 11 juni 2021, 14 juni 2021, 17 juni 2021, 1 juli 2021 en 23 augustus 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2020. Nadat de (voorlopige) tenlastelegging op de terechtzitting van 8 juli 2020 conform het bepaalde bij artikel 314a Sv. is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of (met)amfetamine, in elk geval (een) middel(

  1. en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zijnde MDMA en/of (met)amfetamine (een) middel(
  2. en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel B/C/D van de Opiumwet) Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDMA en/of (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of (met)amfetamine, zijnde (een) middel(
  3. en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen -een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(
  4. en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of -zich en/of een of meer ander(
  5. en)gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
  6. en)heeft/hebben getracht te verschaffen en/of -voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn medeverdachte(
  7. n)wist(
  8. en)of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(
  9. en)hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn medeverdachte(
  10. n)-één of meer (telefoon)gesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid grondstoffen en/of chemicaliën ten behoeve van de productie van MDMA en/of (met)amfetamine en/of -met één of meer perso(o)n(
  11. en)contact opgenomen en/of ontmoeting(
  12. en)gehad met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid grondstoffen en/of chemicaliën ten behoeve van de productie van MDMA en/of (met)amfetamine en/of -informatie met medeverdachte(
  13. n)gedeeld over de te gebruiken verbergplek(ken) voor de opslag van grondstoffen en/of chemicaliën en/of -(een) grote hoeveelhe(i)d(
  14. en)chemicaliën/grondstoffen ten behoeve van de productie van MDMA en/of (met)amfetamine voorhanden gehad; (artikel 10a van de Opiumwet) (zaaksdossier 09 ) 2. hij op of omstreeks 28 februari 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet en/of krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (artikel 2 B/C/D van de Opiumwet) (zaaksdossier 12) 3. hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(
  15. n)van (een) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelhe(i)d(
  16. en)contant geld, te weten: -in of omstreeks de periode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 te Oss (een) hoeveelhe(i)d(
  17. en)contant geld ten behoeve van (uit)betaling(
  18. en)van/aan leden van de criminele organisatie en/of aan (een) ander(
  19. en)en/of (een) hoeveelhe(i)d(
  20. en)contant geld ten behoeve van betaling(
  21. en)van goederen en/of diensten ten behoeve van die criminele organisatie en/of -in of omstreeks de periode van 12 februari 2019 tot en met 18 februari 2019 (een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld (tot een totaalbedrag van ongeveer euro 700.000,-) ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 2] te Berghem, gemeente Oss, en/of -op 13 november 2019 een hoeveelheid contant geld van in totaal euro 263.412,68, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(
  22. en)was en/of voormeld(
  23. e)voorwerp(
  24. en)voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(
  25. n)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  26. en)vermoeden, dat voormeld(
  27. e)voorwerp(
  28. en)-onmiddellijk of middellijk-afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of (een) voorwerp(en), te weten (een) hoeveelhe(i)d(
  29. en)contant geld, te weten: -in of omstreeks de periode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 te Oss (een) hoeveelhe(i)d(
  30. en)contant geld ten behoeve van (uit)betaling(
  31. en)van/aan leden van de criminele organisatie en/of aan (een) ander(
  32. en)en/of (een) hoeveelhe(i)d(
  33. en)contant geld ten behoeve van betaling(
  34. en)van goederen en/of diensten ten behoeve van die criminele organisatie en/of -in of omstreeks de periode van 12 februari 2019 tot en met 18 februari 2019 (een) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld (tot een totaalbedrag van ongeveer euro 700.000,-) ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres 2] te Berghem gemeente Oss) en/of -op 13 november 2019 een hoeveelheid contant geld van in totaal euro 263.412,68, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van voormeld(
  35. e)voorwerp(
  36. en)gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(
  37. n)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  38. en)vermoeden, dat voormeld(
  39. e)voorwerp(
  40. en)- onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikelen 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht) (zaaksdossier 06 en 13) 4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 21 november 2019 te Oss en/of Lith, gemeente Oss, en/of in (een) (andere) plaats(
  41. en)in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) zonder erkenning, heeft gehandeld in strijd met artikel 9 en/of artikel 26 en/of artikel 31 van de Wet Wapens en Munitie, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(
  42. s)(telkens) één of meer vuurwapens van categorie II en/of categorie III (waaronder een of meerdere (automatische) vuurwapens: Smith & Wesson(
  43. s)model 659 en/of model 5906 en/of model 39-2 en/of Walther(
  44. s)PK 380 en/of model PPK en/of model PP en/of Heckler en Koch(
  45. s)model EN-MP5 en/of Zagi(
  46. s)model M-91 en/of Cugir(
  47. s)model WASR 10/63 en/of Thompson(
  48. s)model M1 en/of Zastava(
  49. s)model M70 en/of model M57 en/of Rast & Gasser(
  50. s)model M1898 en/of Taurus(sen) model PT-22 en/of Musqueton(
  51. s)model AMD en/of .22 LongRifle en/of Glock(
  52. s)model 17 en/of model 19 en/of model 26 en/of model 43 en/of Beretta(
  53. s)model 70 en/of Chinese Staatsfabriek 66 model AK47 en/of AKM(
  54. s)model AK47 en/of Colt(
  55. s)M16 A1en/of model 1911 Royal Ordnance factory Fazakerley model Sten en/of SITES model Spectre M4 en/of FEG(
  56. s)model SLP1 en/of Star(
  57. s)model M43 Firestar en/of IMI(
  58. s)model Jericho 941 FB) en/of onderdelen van vuurwapens van categorie II en/of categorie III (waaronder patroonhouders en/of lopen en/of magazijnen en/of geweerkol(f)ven en/of handgre(e)p(en)) en/of munitie van categorie II en/of categorie III (waaronder patronen kaliber 9 mm en/of . 22Lr en/of 7.62x39 mm en/of 5.56x45 mm en/of .45 ACP en/of .357 Magnum en/of 7.65 mm en/of 9x19 mm en/of .38 Special en/of 5.7x28 mm en/of .380 auto en/of .45 auto en/of .32 auto), voorhanden gehad en/of vervaardigd en/of getransformeerd en/of (al dan niet in de uitoefening van een bedrijf) uitgewisseld en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking gesteld en/of hersteld en/of beproefd en/of verhandeld en/of overgedragen, van welk(
  59. e)feit(
  60. en)verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt; (artikelen 9, 26, 31 van de Wet wapens en munitie) (zaakdossier 05) 5. hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 in de gemeente Oss en/of elders in Nederland en/of België en/of Bulgarije heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum 2] ) en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), -welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 en/of 10a van de Opiumwet en/of welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: -het handelen in en/of voorhanden hebben en/of transformeren van vuurwapens, onderdelen van vuurwapens en/of munitie en/of -het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen en/of -het witwassen van geld en/of goederen en/of -het voorbereiden en/of plegen van (excessief) geweld en/of bedreiging met geweld en/of Afpersing. (artikel 11B van de Opiumwet en artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen, waarover hierna meer. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Bespreking verweren onderzoek Noord. Op 17 en 18 mei 2021 zijn in diverse zaken van verdachten in het onderzoek Noord een aantal zaaksoverstijgende discussiepunten dan wel verweren (op)gevoerd, al dan niet geplaatst in de sleutel van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting. Na de zitting van 20 mei 2021 hebben de verdachten en raadslieden in alle aanhangige zaken, met uitzondering van de verdediging in de zaak tegen [medeverdachte 9] , om hen moverende redenen er voor gekozen om niet (langer) bij de inhoudelijke behandeling van de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting te verschijnen om de verdediging te voeren. Gelet hierop acht de rechtbank het dienstig om genoemde discussiepunten en verweren gezamenlijk en gelijkluidend in alle zaken, en dus somtijds ambtshalve, te bespreken. Voor zover er in een bepaalde zaak sprake is van een - impliciet dan wel uitdrukkelijk - ontvankelijkheidsverweer wordt het als zodanig door de rechtbank verworpen. I. Bespreking start onderzoeken Standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de start van de strafrechtelijke onderzoeken die vallen onder operatie Alfa/onderzoek Noord, rechtmatig zijn geweest. Zij wijzen erop dat een en ander in de dossiers betreffende bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB) is verantwoord. Onderzoek Calabrese betreft een titel IVa-onderzoek. De aan dit onderzoek ten grondslag liggende verdenking is vervat in het proces-verbaal van verdenking d.d. 31 januari 2018. Dit onderzoek werd reeds eerder op 20 februari 2017 geregistreerd in de politiesystemen. De periode tussen de registratie en het proces-verbaal van verdenking betreft de voorbereidende fase waarin nog geen BOB-middelen werden ingezet, die onderscheiden moet worden van de fase van inzet van BOB-middelen en ten behoeve waarvan het proces-verbaal d.d. 31 januari 2018 werd opgesteld. Onderzoek Garborone betreft een titel V onderzoek. Het aan dit onderzoek ten grondslag liggende vermoeden dat in georganiseerd verband op grote schaal onder andere drugsdelicten werden gepleegd, is beschreven in het startproces-verbaal d.d. 8 maart 2018. Nieuwe onderzoeksinformatie leidde tot meer inzicht in het georganiseerd verband en haar deelnemers. Deze informatie werd opgenomen in een aanvullend proces-verbaal d.d. 11 december 2018. Standpunt van de verdediging. Volgens de verdediging is de start van het onderzoek onrechtmatig geweest en is er onrechtmatig gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Hiertoe is het volgende aangevoerd. Ten tijde van het opstarten van onderzoek Calabrese bestond er geen concrete verdenking, terwijl dit wel is vereist voor een dergelijke titel IVa-onderzoek. Dat er geen sprake was van een concrete verdenking vindt versterking in de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 15 december 2019. Zij heeft gesteld dat er een vermoeden was dat een familie zich schuldig maakte aan grootschalige strafbare feiten. De focus lag dus inderdaad op de familie met als doel de vermeende organisatie te ontmantelen. Er is weliswaar wel op basis van titel V geopereerd in onderzoek Garborone, maar dat onderzoek startte pas op 8 maart 2018, toen was onderzoek Calabrese al een jaar bezig. De aan het proces-verbaal van verdenking ten grondslag liggende processen-verbaal kunnen de conclusie van een verdenking in onderzoek Calabrese niet dragen. Ook is het onderzoek reeds op 20 februari 2017 begonnen, terwijl het proces-verbaal van verdenking dateert van 31 maart 2018. Ook de start van onderzoek Garborone vertoont gebreken. Bevindingen uit de voorbereidende fase van Calabrese zouden de aanleiding vormen om Garborone te starten. In het proces-verbaal van verdenking inzake Garborone wordt echter verwezen naar bevindingen van na de start van Calabrese. Deze informatie was echter niet beschikbaar in de voorbereidende fase van Calabrese en kan dus ook niet de aanleiding vormen voor de start van Garborone. De verdediging beschikt bovendien over onvoldoende stukken om de start te kunnen toetsen nu de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal niet zijn verstrekt. Oordeel van de rechtbank. Door het Openbaar Ministerie is een zogeheten BOB-dossier overgelegd. In het BOB-dossier legt het Openbaar Ministerie in de regel verantwoording af over de start van het onderzoek en de inzet van BOB-middelen. Op basis van deze stukken zal de rechtbank een oordeel vormen over de vraag of de start van het strafrechtelijk onderzoek rechtmatig is geweest. Dit betekent dat de rechtbank de vraag moet beantwoorden of er juridisch gezien een legitieme aanleiding bestond om een strafrechtelijk onderzoek te starten en – in het verlengde daarvan – of vervolgens BOB-middelen mochten worden ingezet. In het geval van onderzoek Calabrese moet uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 31 januari 2018 blijken dat er sprake was van een verdenking van een concreet feit, nu dat een zogeheten titel IVa-onderzoek betreft. Voor onderzoek Garborone, zijnde een titel V-onderzoek, geldt dat het proces-verbaal van verdenking d.d. 8 maart 2018 informatie dient te bevatten waaruit voortvloeit dat sprake is geweest van een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband ernstige misdrijven werden beraamd of gepleegd. Volledigheids-halve merkt de rechtbank op dat onderzoeken uit titel IVa en V naast elkaar kunnen bestaan en dat de wet geen volgorde voorschrijft. Het proces-verbaal van verdenking tegen [medeverdachte 1] d.d. 31 januari 2018 opgemaakt inzake onderzoek Calabrese meldt dat – kort samengevat – sprake is van een verdenking van het opzettelijk aanwezig hebben, vervaardigen en verkopen van verdovende middelen. Als aanleiding voor deze verdenking wordt verwezen naar verschillende TCI-processen-verbaal uit 2015, 2016 en 2017 en informatie uit de onderzoeken Liber, Debussy en Exmoor. De rechtbank overweegt dat twee van de onderliggende TCI-processen-verbaal dateren van voor de start van onderzoek Calabrese op 20 februari 2017. Uit het TCI-proces-verbaal d.d. 2 december 2015 volgt dat er een melding werd gedaan van de komst van 100 kg cocaïne in Oss en dat [medeverdachte 1] daarbij betrokken was. Uit het TCI-proces-verbaal d.d. 16 maart 2016 volgt dat er melding werd gedaan van uitgifte van valse bankbiljetten, [medeverdachte 1] zou daar achter zitten. Ook zouden [verdachte] , [medeverdachte 9] en [persoon] daarbij betrokken zijn. Ook zouden zij zich bezig houden met weedinkoop in Spanje. Beide meldingen werden als betrouwbaar aangemerkt. De rechtbank overweegt verder dat in het proces-verbaal van verdenking tegen [medeverdachte 5] in onderzoek Sjingan melding wordt gemaakt van een TCI-proces-verbaal d.d. 14 december 2015 inhoudende dat ‘onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] komen voor hun criminele activiteiten zeer vaak in de loods op het terrein van [naam 1] aan de [adres 3] ’. Ook deze melding wordt betrouwbaar geacht. Gelet op de vaste jurisprudentie op dit punt is de rechtbank van oordeel dat voornoemde TCI-informatie, die overigens ook concrete activiteiten en namen bevatte, op zichzelf voldoende was om tot de start van het onderzoek te hebben geleid. Bij de informatie uit voornoemde TCI-processen verbaal kwam overigens daarna nog de informatie over de resultaten van in het kader van onderzoek Liber verrichte doorzoekingen d.d. 21 juni 2016 op verblijfadressen van [medeverdachte 1] . Tijdens die doorzoekingen werden verdovende middelen, precursoren en valse bankbiljetten in beslag genomen alsmede notities die in verband konden worden gebracht met de productie van synthetische drugs en de handel in en import van cocaïne. Daarmee werd de verdenking verstevigd. De rechtbank overweegt verder dat uit de toelichting van het Openbaar Ministerie volgt dat met de start van het onderzoek (in dit geval 20 februari 2017) wordt bedoeld het administratief registeren van de voorbereidende fase van het onderzoek. In die fase werd vervolgens informatie verzameld en werd de samenstelling van het onderzoeksteam voorbereid. Daarbij zijn geen strafvorderlijke dwangmiddelen of opsporingsbevoegdheden aangewend. Aldus heeft het Openbaar Ministerie afdoende toegelicht waarom er sprake is geweest van tijdsverloop tussen de start van het onderzoek Calabrese en het opgemaakte proces-verbaal van verdenking in dat onderzoek. De rechtbank heeft geen aanknopings-punten om hieraan te twijfelen. De informatie die in de uiteindelijke processen-verbaal van verdenking in onderzoek Calabrese daaraan ten grondslag is gelegd – dat is de hiervoor vermelde informatie in februari 2018 aangevuld met meerdere nadien opgestelde TCI-processen-verbaal en recentere informatie uit andere opsporingsonderzoeken zoals Debussy en Exmoor – kan naar het oordeel van de rechtbank het aannemen van de vereiste verdenking, maar ook van de voor inzet van BOB-middelen vereiste gekwalificeerde verdenking dragen. Met betrekking tot de start van onderzoek Garborone wordt als volgt overwogen. Voornoemd onderzoek is op 23 februari 2018 gestart. De aan de start van dit onderzoek ten grondslag liggende informatie is opgenomen in het proces-verbaal van verdenking d.d. 8 maart 2018. Daarin worden verschillende TCI-processen-verbaal genoemd uit 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018. Uit deze TCI-processen-verbaal volgt dat er verschillende meldingen zijn gedaan over het vervaardigen en handelen in verdovende middelen door verschillende leden van de (toentertijd gestelde) criminele organisatie over een periode van een aantal jaren. Daarnaast is ook informatie opgenomen uit zowel afgesloten als nog lopende onderzoeken (onder meer Liber, Debussy, Sjingan, Bossuit en Exmoor). Nog daargelaten de vraag of de daaraan ten grondslag liggende informatie dateert uit de voorfase van onderzoek Calabrese of daarna zoals door de verdediging is opgeworpen, volgt uit het proces-verbaal van verdenking ten behoeve van Garborone dat zowel voorafgaande aan de start van dit onderzoek als voorafgaande aan het opgemaakte proces-verbaal van verdenking in dit onderzoek voldoende informatie beschikbaar was om te kunnen spreken van een redelijke verdenking dat personen in georganiseerd verband ernstige misdrijven pleegden of beraamden die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleverden. Ook ten aanzien van de start van onderzoek Garborone komt de rechtbank daarom tot de conclusie dat niet is gebleken dat de start van het onderzoek of de inzet van BOB-middelen onrechtmatig is geweest. De rechtbank komt toe aan het bespreken van de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 15 december 2019. Tijdens de uitzending heeft de hoofdofficier van justitie onder meer gezegd: “normaal gesproken beginnen wij een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een gepleegd strafbaar feit, en gaan we op zoek naar degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, maar in dit geval zagen we ons gedurende een langere periode geconfronteerd met een aantal ernstige bedreigingen die afkomstig waren vanuit deze familie (…) en omdat wij het vermoeden hadden dat deze familie zich schuldige maakte aan grootschalige strafbare feiten en we ze dus eigenlijk beschouwden als een crimineel samenwerkingsverband (…).” Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze uitlatingen niet de conclusie rechtvaardigen dat geen sprake was van een concrete verdenking in onderzoek Calabrese. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedane uitspraken geplaatst te worden in de context van onderzoek Garborone, zoals eerder genoemd, een titel V-onderzoek waarbij zonder een vermoeden van een concreet (gepleegd) strafbaar feit onderzoek kan worden gedaan naar het in georganiseerd verband beramen of plegen van ernstige misdrijven. Dat de hoofdofficier niet uitvoerig is ingegaan op het verschil tussen de naast elkaar lopende titel IVa- en titel V-onderzoeken wijt de rechtbank aan het feit dat zij werd geïnterviewd tijdens een televisieprogramma op de publieke omroep en dat zij voor het bredere publiek in begrijpelijke taal de kern van operatie Alfa heeft geprobeerd toe te lichten. Dat in die setting de juridische details niet volledig of mogelijk zelfs niet geheel juist zijn benoemd, maakt nog niet dat hetgeen in de stukken is gerelateerd onjuist of onbetrouwbaar moet worden geacht. De rechtbank overweegt verder dat het Openbaar Ministerie (nadat een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in een aantal zaken door de rechtbank is ingewilligd) de aan de processen-verbaal van verdenking in de onderzoeken Calabrese en Garborone onderliggende stukken van de TCI-processen-verbaal ook heeft overgelegd. Nu de verdediging zowel over het BOB-dossier als voornoemde onderliggende stukken beschikt, is de verdediging voldoende in staat geweest de basis van de start van het onderzoek te toetsen. Concluderend, de rechtbank is niet gebleken van een onrechtmatige start van de onderzoeken dan wel onrechtmatige inzet van BOB-middelen. Het verweer wordt verworpen. II. Bespreking OVC-gesprekken, onbevoegde BOA en alternatieve lezing Inleiding. Gedurende de procedure in het onderzoek Noord zijn op diverse momenten onderzoekswensen geuit, en voor een deel ingewilligd, omtrent – kort gezegd – het uitluisteren en verbaliseren van opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC) en de bevoegdheid van één van de buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA) die de OVC hebben uitgeluisterd. Daarnaast is door diverse verdachten in de kern verklaard dat zij ervan op de hoogte waren dat zij werden afgeluisterd en dat wat in OVC-gesprekken te horen is, ook tegen die achtergrond moet worden gelezen. Kort gezegd was er sprake van een toneelstukje waarin sterke verhalen werden verteld. Standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft zich in het algemeen op het standpunt gesteld dat de processen-verbaal houdende de resultaten van het uitluisteren van OVC-gesprekken bruikbaar zijn voor het bewijs. Voor zover er al sprake was van een vormverzuim doordat één van de uitluisterende BOA’s gedurende de onderzoeksperiode niet bevoegd was, is dit verzuim hersteld doordat zij, nadat zij wel weer bevoegd was, alle door haar uitgeluisterde gesprekken opnieuw heeft beluisterd en daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt. De door verbalisanten gerelateerde inhoud van uitgeluisterde OVC-gesprekken is in algemene zin betrouwbaar. De gesprekken zijn alle ten minste twee keer uitgeluisterd. Eventuele misslagen of discrepanties zijn hersteld. De door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van de opgenomen gesprekken, namelijk dat sprake was van een toneelstukje en sterke verhalen omdat zij wisten dat zij werden afgeluisterd, is volgens het Openbaar Ministerie volstrekt onaannemelijk. Standpunt van de verdediging. Door de verdediging is in de diverse zaken bij wijze van verweer dan wel in het kader van onderzoekswensen, aangedragen dat de processen-verbaal met uitgewerkte OVC-gesprekken niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt nu de stemherkenningen en geverbaliseerde inhoud van de gesprekken mogelijk onbetrouwbaar zijn en de wijze van uitluisteren en verbaliseren mogelijk onrechtmatig. Oordeel van de rechtbank. In het navolgende zal de rechtbank achtereenvolgens haar oordeel geven over

(1)de rechtmatigheid van de wijze van uitluisteren en verbaliseren van de OVC-gesprekken,
(2)de betrouwbaarheid van de gedane stemherkenningen en de geverbaliseerde inhoud van de OVC-gesprekken en
(3)de door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van die gesprekken, te weten dat zij zich ervan bewust waren dat zij werden afgeluisterd en dat sprake is van een toneelstukje en sterke verhalen waaraan geen waarde kan worden gehecht.
(1)De rechtmatigheid van de wijze van uitluisteren en verbaliseren van de OVC-gesprekken Uit de processen-verbaal die dienaangaande door het Openbaar Ministerie aan het dossier zijn toegevoegd en de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , en hun teamleider, [verbalisant 4] , bij de rechter-commissaris, maakt de rechtbank het volgende op aangaande de werkwijze van uitluisteren en uitwerken van OVC-geluidsmateriaal. De geluidsbestanden van OVC-gesprekken zijn door diverse verbalisanten een eerste keer beluisterd teneinde een inschatting te maken van de relevantie. Aanvankelijk heeft dit eerste uitluisteren tot (deels) woordelijke uitwerkingen van de beluisterde gesprekken geleid. In een latere fase, toen bleek dat het om een dermate groot aantal bestanden ging dat het woordelijk uitwerken van alle bestanden een te grote tijdsinvestering vergde, is gewerkt met een kortere samenvatting van de gesprekken. Aan de hand van deze eerste uitwerkingen en samenvattingen werd een onderscheid gemaakt tussen wel en niet relevant geluidsmateriaal. Indien nodig om de relevantie goed te beoordelen werd een gesprek voor een tweede maal beluisterd en nader uitgewerkt. Het geluidsmateriaal dat relevant werd geacht is vervolgens nogmaals (voor een tweede of derde maal) beluisterd ter controle op de juistheid van de stemherkenningen en de juistheid en volledigheid van de uitgewerkte spraak. In beginsel gebeurde dat door een ander dan degene die het gesprek oorspronkelijk had uitgewerkt. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben dit nader uitluisteren en uitwerken uitgevoerd. Gaandeweg was namelijk gebleken dat zij beter dan andere verbalisanten in staat waren om te horen wat er werd gezegd in de opgenomen gesprekken. Als de eerdere uitwerking een samenvatting betrof dan vond dit nader uitwerken niet plaats aan de hand van die samenvatting, was de eerdere uitwerking een (deels) woordelijke uitwerking dan vond het nader uitwerken wel plaats aan de hand van de eerdere uitwerking. Om de juistheid van deze resultaten te waarborgen is het grootste deel van deze gesprekken nogmaals beluisterd door een van de andere twee van deze drie verbalisanten. Bij verschillen in de waarnemingen volgde overleg. Kwamen beide verbalisanten vervolgens tot een gelijkluidende slotsom over wat zij hoorden, dan is dat in de laatste versie van de uitwerking van het betreffende geluidsbestand opgenomen. Kwamen zij tot afwijkende conclusies dan is de desbetreffende passage als ‘onverstaanbaar’ aangemerkt. De hier geschetste werkwijze is gaandeweg het onderzoek zo ontstaan. Van een formele interne werkinstructie is geen sprake. De intern ontwikkelde werkwijze is niet in alle gevallen gevolgd. In een aantal processen-verbaal is toegelicht wanneer en met betrekking tot welke gesprekken en uitwerkingen daarvan de werkwijze niet is gevolgd. De hiervoor genoemde verbalisant [verbalisant 3] blijkt tot 15 april 2021 niet bevoegd te zijn geweest als BOA. In maart 2021 kwam zij tot de ontdekking dat de verlenging van haar akte van opsporingsbevoegdheid niet was aangevraagd. Wel voldeed zij aan alle betrouwbaarheids- en bekwaamheidseisen en bezat zij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden. Op 15 april 2021 is verbalisant [verbalisant 3] alsnog beëdigd als BOA. In een proces-verbaal van 16 april 2021 heeft [verbalisant 3] een aantal stemherkenningen in eerdere transcripties gecorrigeerd. In een ambtsedig proces-verbaal van 9 mei 2021 heeft verbalisant [verbalisant 3] gerelateerd dat zij alle OVC-gesprekken waarvan de door haar uitgewerkte versie bij het dossier is gevoegd, opnieuw heeft beluisterd. Ook heeft zij gerelateerd dat zij in het overgrote deel van de gevallen tot dezelfde bevindingen kwam als in de transcripties die zij eerder heeft opgemaakt. Waar haar bevindingen afweken, heeft verbalisant [verbalisant 3] dat benoemd en toegelicht. Ook heeft verbalisant [verbalisant 3] in een ander proces-verbaal, eveneens van 9 mei 2021, gerelateerd dat zij na opnieuw beluisteren tot dezelfde stemherkenningen kwam als ten tijde van het eerdere uitluisteren. Ten slotte heeft verbalisant [verbalisant 3] in een proces-verbaal van 10 mei 2021 gerelateerd dat zij bij haar bevindingen in een zevental eerder opgemaakte processen-verbaal blijft. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat er geen formele regeling is aangaande de wijze waarop OVC- (of tap-)bestanden behoren te worden uitgeluisterd en waarop de inhoud schriftelijk wordt verwerkt. Aan de deskundigheid van een verbalisant die geluidsbestanden uitluistert en stemherkenningen doet, stelt de wet geen specifiek daarop betrekking hebbende formele vereisten. Ook gelden geen formele vereisten voor de wijze waarop het uitluisteren plaatsvindt, zoals het eenmaal of tweemaal beluisteren door verschillende verbalisanten of het gebruik van bepaalde apparatuur bij het uitluisteren, en evenmin gelden voor de verslaglegging speciaal daarop betrekking hebbende formele vereisten. In het bijzonder is, anders dan in enkele zaken door de verdediging is gesuggereerd, het bepaalde in artikel 15 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering niet van toepassing, nu niet is gebleken van een bewerking van (een kopie van) de opgeslagen signalen (lees: de OVC-geluidsbestanden). Het gebruiken van uitluisterapparatuur met – kort gezegd – een equalizer levert naar het oordeel van de rechtbank niet dergelijk bewerken op nu de vastgelegde signalen/bestanden zelf daarmee niet worden aangepast, maar slechts het geluid gedurende het uitluisteren. In die zin is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige onrechtmatigheid of vormverzuim. De rechtbank stelt aangaande de bevoegdheid van verbalisant [verbalisant 3] vast dat zij tot 15 april 2021 niet bevoegd was als BOA en dat haar ambtsverrichtingen in die periode, in het bijzonder de eerdere transcripties die zij heeft opgemaakt, onbevoegd hebben plaatsgevonden. Na haar beëdiging heeft verbalisant [verbalisant 3] de geluidsbestanden die zij eerder onbevoegd heeft uitgeluisterd, geheel opnieuw uitgeluisterd, zo relateert zij. Ook heeft zij de relevante registraties opnieuw beluisterd ten behoeve van stemherkenningen en het verifiëren van eerdere bevindingen in diverse processen-verbaal. Haar bevindingen bij dat bevoegd opnieuw uitluisteren heeft zij gerelateerd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Daarin neemt zij, voor zover zij tot gelijke bevindingen komt, haar eerdere bevindingen over en maakt die opnieuw tot de hare. Voor zover zij tot andere bevindingen kwam, zijn die uitdrukkelijk gerelateerd. De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. De rechtbank ziet de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en de eerder onbevoegd opgemaakte ‘processen-verbaal’ en transcripties als één geheel die gezamenlijk inhoudelijk en formeel hebben te gelden als processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het eerdere verzuim als gevolg van de onbevoegdheid van verbalisant [verbalisant 3] is daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, hersteld.
(2)De betrouwbaarheid van de gedane stemherkenningen en de geverbaliseerde inhoud van de OVC-gesprekken De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in het algemeen hebben gerelateerd hoe zij tot stemherkenningen op de diverse geluidsbestanden zijn gekomen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat deze verbalisanten hun bevindingen omtrent de beluisterde gesprekken hebben neergelegd in ambtsedige processen-verbaal, zoals in het bijzonder voor [verbalisant 3] hiervoor nader is overwogen. In het merendeel van de gevallen worden die bevindingen onderschreven door (in elk geval) twee van genoemde verbalisanten ofwel omdat zij zonder meer hetzelfde hebben gehoord, ofwel omdat zij bij afwijkingen na overleg tot dezelfde slotsom zijn gekomen aangaande hetgeen zij hebben gehoord. Bij een beperkt deel van de in totaal ruim 800 uitgeluisterde gesprekken is niet geheel volgens de intern vastgestelde werkwijze gewerkt. In 38 gevallen werd de controle uitgevoerd door de oorspronkelijke uitwerker. In twaalf gevallen vond geen controle plaats en is het gesprek eenmalig beluisterd. In 39 gevallen vond de tweede beluistering plaats door een andere verbalisant dan [verbalisant 3] , [verbalisant 2] of [verbalisant 1] . In een proces-verbaal van bevindingen heeft [verbalisant 4] het voorgaande toegelicht. In de bijlagen bij dat proces-verbaal is inzichtelijk gemaakt voor welke geluidsbestanden het vorenstaande geldt en wie deze bestanden hebben uitgeluisterd en uitgewerkt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat op latere momenten nog correcties op eerdere bevindingen zijn neergelegd in ambtsedige processen-verbaal. Verder is relevant dat de verdediging in het kader van het zogeheten ‘grasduinen’ de beschikking heeft gekregen over alle geluidsbestanden. Deze bestanden zijn geen processtukken, maar zijn beschikbaar gesteld om de verdediging in staat te stellen de juistheid van de inhoud van de processen-verbaal waarin de waarnemingen van het uitluisteren door de verbalisanten zijn gerelateerd, te toetsen en om na te gaan of geluidsbestanden waarvan de inhoud niet in de vorm van een proces-verbaal (dus schriftelijk) in het dossier is gevoegd, toch relevant zijn voor de rechterlijke oordeelsvorming. In die gevallen heeft de verdediging de mogelijkheid gehad, en in enkele gevallen ook benut, om de rechtbank te verzoeken het desbetreffende geluidsbestand bij de stukken te voegen dan wel een schriftelijke uitwerking van het desbetreffende geluidsbestand te gelasten en die, al dan niet samen met het bestand zelf, bij de stukken te voegen. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij niet beschikt over en dus ook geen kennis heeft kunnen nemen van de niet aan het procesdossier toegevoegde grasduin-geluidsbestanden, met dien verstande dat enkele fragmenten van geluidsbestanden onderdeel zijn van de vier visualisaties die het Openbaar Ministerie als onderdeel van het requisitoir op zitting heeft vertoond. Deze visualisaties en daarmee de daarin opgenomen geluidsfragmenten zijn evenwel geen processtukken. De processen-verbaal waarin de desbetreffende passages schriftelijk zijn uitgewerkt zijn dat wel. De rechtbank overweegt als volgt. Er is in het recht geen steun te vinden voor de zienswijze dat in de strafprocedure slechts gebruik kan/mag worden gemaakt van een door een deskundige gedane herkenning van een stem op een geluidsfragment of geluidsbestand. Niet gesteld kan worden dat stemherkenning op een niet-wetenschappelijk erkende wijze, door bijvoorbeeld een verbalisant, geen enkele waarde heeft. Van belang is dat het resultaat van een stemherkenning steeds (behoedzaam) zal moeten worden beoordeeld in het licht van het overig bewijsmateriaal dat voorhanden is. In deze zaak is van belang dat naast stemherkenningen in veel gevallen ook camerabeelden beschikbaar zijn zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welke personen bij een opgenomen gesprek aanwezig waren en dus aan het woord kunnen zijn geweest. Daarnaast is door de verdediging slechts in een enkel geval gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te verzoeken een bepaald geluidsbestand bij de stukken te laten voegen. Verder zijn door de verdediging geen concrete stemherkenningen onderbouwd bestreden. Wel is, zij het slechts in enkele gevallen, bestreden dat inderdaad is gezegd wat door de verbalisant is gerelateerd. Ten aanzien van verbalisant [verbalisant 3] overweegt de rechtbank dat zij na hernieuwde beëdiging, en dus bevoegd, al het eerder door haar uitgewerkte OVC-geluidsmateriaal opnieuw heeft beluisterd, en dat zij ten tijde van het formeel onbevoegd uitluisteren wel voldeed aan alle aan haar als BOA gestelde bekwaamheids- en betrouwbaarheidseisen. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding om de stemherkenningen en uitgewerkte gesprekken categorisch als onbetrouwbaar aan te merken en om die reden uit te sluiten van het bewijs. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van die stemherkenningen en uitwerkingen in die gevallen waarin het onderliggende geluidsbestand niet tot de processtukken behoort. In gevallen waarin dat wel zo is, zal de rechtbank – voor zover zij het desbetreffende proces-verbaal als bewijsmiddel zou willen bezigen – bij de bespreking van het bewijs voor de ten laste gelegde feiten ingaan op de betrouwbaarheid en juistheid van de inhoud ervan.
(3)De door diverse verdachten aangedragen verklaring voor de inhoud van die gesprekken Door een aantal verdachten is in de verhoren bij de rechter-commissaris verklaard dat zij wisten dat zij werden afgeluisterd en dat wat zij bespraken, en dus via de OVC-opnamen te horen is, niet meer is dan een toneelstukje en sterke verhalen mede met het doel om de politie uit de tent te lokken. Aan de inhoud van die gesprekken kan daarom geen waarde worden gehecht. De rechtbank gaat voorbij aan deze verklaring voor de belastende inhoud van de opgenomen gesprekken. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de inhoud van de gesprekken ondersteuning vindt in ander bewijsmateriaal, zoals observaties van de politie, camerabeelden, aangetroffen voorwerpen, in het bijzonder diverse verdovende middelen en wapens, en – in sommige gevallen – getuigenverklaringen. Dat bewijsmateriaal wijst in veel gevallen op een gang van zaken in de diverse zaakdossiers die (veelal naadloos) overeenkomt met hetgeen door de verdachten in OVC-gesprekken is besproken. Met de lezing dat sprake is van een toneelstukje en sterke verhalen is voor die overeenkomsten tussen het besprokene en de feitelijke gang van zaken nog geen begin van een aannemelijke verklaring gegeven. Ten tweede zou deze alternatieve lezing betekenen dat een groot aantal personen, niet alleen de verdachten van wie de strafzaak in onderhavig onderzoek Noord is behandeld, maar ook diverse andere medeverdachten en andere personen die te horen zijn in de OVC-gesprekken, dit toneelstukje als volleerd acteur hebben meegespeeld zonder dat daarvan iets te horen is op de OVC-gesprekken, te zien is op de camerabeelden of geobserveerd is door observatieteams en zonder dat van enige coördinatie of repetitie van dat toneelstukje is gebleken. De rechtbank schuift deze alternatieve lezing op grond van het voorgaande als volstrekt onaannemelijk terzijde. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij waar nodig op andere verklaringen met een alternatieve uitleg voor de inhoud van bepaalde gesprekken - zoals: dat die gesprekken niet over verdovende middelen gingen, maar over Himalayazout of kandijsuiker, noch over echte wapens, maar over airsoft-, paintball-, dan wel gas- of luchtdrukwapens - in zal gaan bij de bespreking van het zaakdossier waar die verklaringen op zien. III. Bespreking doorlaatverbod Standpunt van het Openbaar Ministerie. Er is geen sprake van een schending van het doorlaatverbod. Dat er in de schuur regelmatig vuurwapens en/of drugs aanwezig waren, betekent nog niet dat aanwijzingen bestonden die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel lieten dat bij een doorzoeking op dat moment op die plek wapens en/of verdovende middelen ter inbeslagneming zouden worden aangetroffen. Er was dan ook geen verplichting om in te grijpen. Daarnaast beoogt het doorlaatverbod een maatschappelijk belang, te weten dat gevaarlijke en/of schadelijke voorwerpen uit het verkeer worden gehaald. Dit betreft geen belang waarop een verdachte zich kan beroepen. Standpunt van de verdediging. Onder verwijzing naar de zogenaamde Karman-criteria heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een flagrante schending van het doorlaatverbod. Hoewel de schuur gedurende een lange periode met gebruikmaking van OVC-apparatuur en camera’s is afgeluisterd en geobserveerd en het Openbaar Ministerie van mening is dat daar gedurende de afluisterperiode strafbare feiten zijn gepleegd, heeft de politie of het Openbaar Ministerie nooit ingegrepen. Volgens de verdediging is hierbij relevant het antwoord op de vraag of er live werd afgeluisterd/geobserveerd. Oordeel van de rechtbank. Toetsingskader Het verbod op doorlaten is geregeld in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Hieruit volgt – kort gezegd – een verplichting tot inbeslagneming voor de politie bij wetenschap van de vindplaats van (kort gezegd) verboden voorwerpen zoals verdovende middelen en vuurwapens. In het tweede lid van artikel 126ff Sv is een uitzondering op de verplichting tot inbeslagneming geformuleerd in het geval van zwaarwichtige opsporingsbelangen. Uit de wetsgeschiedenis en vaste jurisprudentie volgt dat dit verbod primair dient ter bescherming van de samenleving tegen gevaarlijke stoffen en dat deze bepaling niet in het leven is geroepen in het belang van de verdachte (Schutznorm). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in “dit geval kan worden vastgesteld dat het rechtsbelang dat naast de integriteit van de opsporing primair door het onderhavige verbod wordt gediend, dat van de slachtoffers van gevaarlijke stoffen is. Drugs kunnen (moeten) worden inbeslaggenomen en onttrokken aan het verkeer omdat zij een risico voor de volksgezondheid zijn. Dat maakt het minder aannemelijk, dat handelen in strijd met het verbod op doorlaten tot bewijsuitsluiting leidt. Het valt de samenleving moeilijk uit te leggen waarom schending van een regel die in het belang van de volksgezondheid is opgesteld, degene vrijpleit die van een grove schending van dat belang verdacht wordt. De sanctie op schending van het verbod op doorlaten zal voor het overige, gelet op het voorgaande, vooral binnen het openbaar ministerie gerealiseerd moeten worden.” (Kamerstukken II 1997-1998, 25403, nr. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag) Vervolgens heeft de Hoge Raad (HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD9915) – op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 126ff Sv constaterend dat de bepaling niet in het leven is geroepen in het belang van de verdachte – geoordeeld dat de handhaving van het verbod op doorlaten onder directe controle van het College van procureurs-generaal en de minister van justitie geschiedt. Vorenstaande brengt mee dat indien door verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, een beroep wordt gedaan op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten als omschreven in artikel 126ff Sv, een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (o.m. HR 1 juli 1999, NJ1999,567 Karman; HR 3 juli 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB2732) kan weliswaar worden afgeleid dat het feit dat verdachte door een vormverzuim of onrechtmatig optreden van een opsporings- of vervolgingsambtenaar niet in zijn belang is geschaad, een (geslaagd) beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens zulk vormverzuim of onrechtmatigheid niet uitsluit, maar een dergelijk beroep kan slechts opgaan wanneer er is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Uit jurisprudentie kan voorts worden gedestilleerd dat de in artikel 126ff Sv genoemde wetenschap omtrent de vindplaats van de voorwerpen minst genomen een voldoende mate van zekerheid vereist over zowel de aard van de voorwerpen als de vindplaats op het tijdstip van inbeslagneming. Overwegingen rechtbank Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het toetsingskader van artikel 126ff Sv blijkt dat het doorlaatverbod met name ziet op de belangen van de volksgezondheid en maatschappelijke veiligheid, en niet zozeer – althans niet in de kern – op de belangen van het strafproces. In het verlengde daarvan ziet de rechtbank niet hoe bij een schending van het verbod op doorlaten het wettelijk systeem in de kern geraakt zou kunnen zijn. De rechtbank vindt hiervoor ondersteuning in de omstandigheid dat het tweede lid van artikel 126ff Sv in beginsel de mogelijkheid van doorlaten – weliswaar slechts in bepaalde omstandigheden en in door het Openbaar Ministerie en de minister van veiligheid en justitie te controleren gevallen – biedt. Dit betekent dat verdachte door de gestelde schending van het doorlaatverbod hoe dan ook niet in zijn belang wordt of kan worden geraakt en geen sprake is van een handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Het voorgaande brengt mee dat de vraag of er sprake is geweest van het live uitluisteren/meekijken en/of er op die momenten voldoende wetenschap bestond van het aanwezig/voorhanden hebben van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen als bedoeld in artikel 126ff Sv, onbesproken kan blijven. De rechtbank concludeert dat hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht met betrekking van het doorlaatverbod geen doel treft. IV. Bespreking ‘trial by media’ Standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat zij en de politie een afgewogen mediabeleid hebben gevoerd. Er is gehandeld in lijn met de geldende Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van 1 mei 2012 van het College van procureurs-generaal. Tijdens de fase van de beperkingen is slechts feitelijke informatie over het onderzoek verstrekt. Na de beëindiging van de beperkingen is ook een tweetal interviews gegeven om meer context en duiding te geven aan het opsporingsonderzoek. Dit is gedaan om de burger te informeren. Op geen enkele wijze is door de politie en het Openbaar Ministerie communicatie bewust ingezet om de gehele [familie] zwart af te schilderen in de media. Standpunt van de verdediging. De verdediging heeft betoogd dat sprake is (geweest) van een ‘trial by media’. De verdediging wijst in dit kader op de persberichten en tweets van het Openbaar Ministerie, maar ook op de uitlatingen van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant tijdens een Nieuwsuur-uitzending van 15 december 2019. Verder is gewezen op de media-aandacht tijdens de zittingen en publicaties door de pers. Volgens de verdediging heeft het Openbaar Ministerie de communicatie doelbewust ingezet om de gehele [familie] zwart af te schilderen in de media, dit in weerwil van de toepasselijke communicatierichtlijnen en de betreffende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Onder verwijzing naar het rapport ‘Sluipend gif’ is aangevoerd dat sprake is geweest van ‘framing’ en ‘naming and shaming’. Er is ten onrechte steeds gesproken over ‘een crimineel familienetwerk’ en ‘ [locatie] ’, maar ook over bedreigingen en brandstichting, terwijl die verwijten niet zijn tenlastegelegd. Ook heeft het Openbaar Ministerie bewust op bepaalde momenten (voorafgaande aan zittingsdagen) en met veel bombarie ‘nieuwe’ informatie naar buiten gebracht, terwijl deze informatie al bekend was bij alle procespartijen. De verdediging concludeert dat door het gevoerde mediabeleid, het recht op een eerlijk proces zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM en in het bijzonder de daarin gewaarborgde onschuldspresumptie, zijn geschonden. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dient te volgen, aldus de verdediging. Oordeel van de rechtbank. Het is de rechtbank niet ontgaan dat dit strafrechtelijk onderzoek, bekend onder de naam operatie Alfa, de nodige landelijke en lokale media-aandacht heeft gekregen. Op alle zittingsdagen heeft de schrijvende pers plaatsgenomen op de publieke tribune en op sommige zittingsdagen zijn er ook camera’s aanwezig geweest in de zittingszaal. Er verschenen ook met regelmaat (pers)berichten en tweets over het strafrechtelijk onderzoek en het verloop van de zaak op zitting, zoals door de verdediging onder de aandacht is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen inherent aan het (straf)recht dat zaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen en aanvaardbaar is dat het Openbaar Ministerie ook het publiek informeert over strafrechtelijke onderzoeken. Zo ook in deze strafzaak. Te allen tijde heeft echter te gelden dat eenieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, dit is de zogenaamde onschuldpresumptie. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of, gelet op het strafproces als geheel, de media-aandacht in deze zaak en in het bijzonder het optreden van het Openbaar Ministerie, van dien aard zijn geweest dat daardoor het recht op een eerlijk proces geweld is aangedaan. En zo ja, of dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden. Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Zoals verwoord door de Hoge Raad: “Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘the proceedings as a whole were not fair’.” Blijkens de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging die gold tot 1 september 2020 hanteerde het Openbaar Ministerie een (pro)actief en alert voorlichtingsbeleid, waarbij de hele bandbreedte aan communicatiemiddelen kon worden ingezet, inclusief het internet en de sociale media. Dit om de burger tijdig te informeren over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken. Blijkens de nieuwe Aanwijzing die op 1 september 2020 in werking is getreden, is het gericht en actief communiceren over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken nog steeds doel van het communicatiebeleid van het Openbaar Ministerie. Het komt de rechtbank daarom in beginsel niet vreemd of ongebruikelijk voor dat bij een zaak met de omvang en aard als operatie Alfa er gebruik wordt gemaakt van verschillende mediavormen om het publiek op verschillende momenten te voorzien van informatie. Bij het gebruik van die media dient wel een hoge mate van zorgvuldigheid dan wel terughoudendheid te worden betracht, zo valt te lezen in de Aanwijzingen en in diverse relevante uitspraken van het EHRM. De rechtbank komt nu toe aan het bespreken van de persberichten, tweets en uitlatingen van het Openbaar Ministerie. Gelet op de inhoud en [verdachte] van de door de verdediging aangehaalde persberichten en tweets van het Openbaar Ministerie (voor zover deze deel uitmaken van het strafdossier), komt de rechtbank tot het oordeel dat deze berichten met name feitelijke en zoveel mogelijk geanonimiseerde informatie bevatten. Ook is het aantal persberichten, namelijk twintig in een periode van anderhalf jaar, niet excessief te noemen. Dat geldt eveneens voor het aantal tweets; doorgaans zo’n twee per zittingsdag. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de berichtgeving vanuit het Openbaar Ministerie erop gericht is geweest om de burger van informatie te voorzien mede als onderbouwing en verheldering van de ondernomen opsporings- en vervolgingshandelingen, niet om op bewuste of stelselmatige wijze één familie zwart te maken. De gedane uitlatingen van voornoemde hoofdofficier van justitie tijdens Nieuwsuur leiden niet tot een ander oordeel. Hoewel de keuze om specifiek te spreken over een ‘familie’ naar de smaak van de rechtbank niet nodig was geweest, kan niet worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie door de uitlatingen tijdens de uitzending ook een verwijt in juridische zin valt te maken. Die laatste conclusie geldt eveneens ten aanzien van het noemen van verwijten die tijdens het opsporingstraject een rol hebben gespeeld, maar die bij de uiteindelijke vervolgingsbeslissing niet als zelfstandig feit in de tenlastelegging zijn opgenomen. Bij het gebruik van de media heeft het Openbaar Ministerie voldoende zorgvuldigheid betracht, zo luidt de tussenconclusie van de rechtbank. Zoals hiervoor opgemerkt dient het proces als geheel te worden beoordeeld. De rechtbank betrekt voorts bij haar afweging het gegeven dat de voorzitter het verzoek van de verdachten om zowel visueel als auditief niet opgenomen te worden, telkens heeft ingewilligd om tegemoet te komen aan de privacybelangen van de verdachten Dit alles leidt tot de conclusie dat de vragen of het recht op een eerlijk proces is geschonden, en of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, ontkennend worden beantwoord. Het verweer wordt verworpen. Nu de rechtbank niet tot de conclusie komt dat door het Openbaar Ministerie of de politie onrechtmatig is gehandeld waar het gaat om uitlatingen in de pers of via sociale media, ziet de rechtbank – ambtshalve – ook geen reden om op deze grond tot strafvermindering over te gaan. Bewijs. Bewijsbijlage De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud van de bewijsbijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen van de bewezenverklaarde feiten dienen in onderlinge samenhang en (tijds)verband te worden beschouwd. De beschuldigingen. [verdachte] wordt ervan beschuldigd deel te hebben genomen aan een criminele (drugs-) organisatie (feit 5) en dat hij in dat verband telkens als medepleger betrokken is geweest bij – kort gezegd – de bewerking en verwerking van MDMA en/of metamfetamine dan wel voorbereidingshandelingen daartoe (feit 1), de bewerking en verwerking van cocaïne (feit 2), gewoontewitwassen (feit 3) en de handel in en het voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 4). De rechtbank komt nu toe aan de bespreking van deze beschuldigingen. De rechtbank acht het voor een inzichtelijke bespreking wenselijk om als eerste te beoordelen of er sprake was van een criminele (drugs)organisatie en zo ja, hoe deze te werk ging en wie daaraan hebben deelgenomen. feit 5 deelneming aan criminele organisatie (ZD07 ) Inleiding. Het onderzoek Noord – bestaande uit meerdere deelonderzoeken waaronder Calabrese en Garborone – is in 2017 gestart naar aanleiding van de verdenking dat een aantal leden van de [familie] zich op grote schaal zou bezig houden met strafbare feiten, waaronder misdrijven uit de Opiumwet. Nadien vergaarde de politie meer informatie waaruit de verdenking naar voren kwam dat ook andere misdrijven werden begaan waarbij ook anderen betrokken waren en die zouden worden begaan in georganiseerd verband. Vervolgens is in het onderzoek veelvuldig gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden waarvan met name de observatie met behulp van een camera en het opnemen van vertrouwelijke communicatie op meerdere locaties een belangrijk deel van de onderzoeksresultaten hebben opgeleverd. De uit het opsporingsonderzoek voortgekomen bevindingen hebben geleid tot meerdere doorzoekingen waarbij vele (vuur)wapens, verdovende middelen en ten behoeve van de productie van synthetische drugs benodigde grondstoffen en voorwerpen in beslag zijn genomen, alsmede tot de aanhouding van verdachten, waaronder [medeverdachte 1] , en uiteindelijk tot de gelijktijdige vervolging van [medeverdachte 1] en (aanvankelijk) 14 medeverdachten ter zake van met name misdrijven uit de Opiumwet, Wet wapens en munitie en witwassen. Aan elk van de nu nog, na afsplitsing van de zaak tegen [medeverdachte 2] , 14 verdachten is – naast een aantal misdrijven ter zake van de betrokkenheid bij concrete delicten ‒ overtreding van artikel 140 Sr en/of artikel 11b van de Opiumwet ten laste gelegd: de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (al dan niet uit de Opiumwet), waarbij de organisatie wordt gevormd door de 15 verdachten. Aan [medeverdachte 1] is daarbij ten laste gelegd dat hij leider was van deze criminele organisatie. Standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir d.d. 17 juni 2021. Standpunt van de verdediging. De verdediging heeft geen zaakinhoudelijke verweren gevoerd. Bewijsoverweging rechtbank. Juridisch kader. Met de strafbaarstelling van artikel 140 Sr c.q. artikel 11b van de Opiumwet wordt beoogd de samenleving te beschermen tegen het gevaar dat uitgaat van organisaties die als doel hebben het plegen van (al dan niet bij de Opiumwet strafbaar gestelde) misdrijven. De deelneming aan een dergelijke organisatie wordt als zelfstandig feit strafbaar gesteld. In dat kader dient vast komen te staan dat de organisatie een samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon betrof met een zekere duurzaamheid en structuur, die het oogmerk had misdrijven te plegen, waarbij de misdrijven die in het kader van de organisatie (reeds) gepleegd zijn en het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking van betekenis kunnen zijn. Het binnen de organisatie bestaan van gemeenschappelijke regels, van een bepaalde hiërarchie en/of geledingen, het voeren van overleg en bijvoorbeeld een gezamenlijke besluitvorming en een taakverdeling kunnen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken. Voor de vaststelling dat sprake is van een dergelijke organisatie is niet vereist dat de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, daadwerkelijk zijn gepleegd dan wel dat pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Voor de beoordeling van de deelneming aan een dergelijke organisatie is niet bepalend of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Evenmin hoeft vast komen te staan dat een deelnemer heeft samengewerkt of bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Voorts is niet vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de concrete, door de organisatie beoogde misdrijven, dan wel wetenschap heeft gehad van enig vanuit de organisatie begaan concreet misdrijf. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (voorwaardelijk) opzettelijke deelneming aan die organisatie. Daartoe dient vast komen te staan dat hij binnen de organisatie gedurende zekere tijd heeft samengewerkt met ten minste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat hij in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Die samenwerking dient voorts te hebben bestaan uit het hebben van een aandeel in, of het leveren van een bijdrage aan gedragingen, die strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Oordeel rechtbank. De rechtbank is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin, bestaande uit [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ; ook wel genoemd “ [medeverdachte 1] ”; bijnamen “ [medeverdachte 1] ”, “ [medeverdachte 1] ”), [medeverdachte 9] ( [medeverdachte 9] ; ook wel genoemd [medeverdachte 9] ), [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ; bijnaam “ [medeverdachte 2] ”), [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ; ook wel genoemd [medeverdachte 3] ), [verdachte] ( [verdachte] ; ook wel genoemd [verdachte] ), [medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ; ook wel genoemd [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ; ook wel genoemd [medeverdachte 5] ; bijnaam “ [medeverdachte 5] ”), [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ; bijnaam “ [medeverdachte 7] ”), [medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ; ook wel genoemd “ [medeverdachte 8] ”), [medeverdachte 10] ( [medeverdachte 10] ), [medeverdachte 11] ( [medeverdachte 11] , ook wel [medeverdachte 11] ), [medeverdachte 12] ( [medeverdachte 12] ; ook wel genoemd “ [medeverdachte 12] ”), [medeverdachte 13] ( [medeverdachte 13] ) en [medeverdachte 14] ( [medeverdachte 14] ) (deze personen hierna ook wel te noemen: CSV-deelnemers) en overweegt daartoe het volgende. De schuur en het kantoor. Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet de rechtbank het gebruik van de schuur achter het pand [adres 4] te Oss, zijnde de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] . In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke, door middel van een deur afsluitbare ruimte. Deze ruimte was ingericht met een grote tafel met stoelen en een zitje met twee zitbanken, en voorzien van een keukenblok met koffieapparaat, vaatwasser, koelkast en radio. Tevens hingen in die ruimte beeldschermen waarop beelden te zien waren van de camera’s die zicht gaven op het terrein aan de achterzijde van de schuur. Uit de vele opgenomen OVC-gesprekken en camerabeelden is gebleken dat alle CSV-deelnemers vrije toegang hadden tot die ruimte en dat daarin veelvuldig overleg plaatsvond tussen CSV-deelnemers onderling in wisselende samenstelling en tussen CSV-deelnemers en andere bezoekers. Door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 6] werd die ruimte ook wel aangeduid als het “kantoor”. De rechtbank beschouwt die ruimte als het epicentrum van het CSV aangezien daar veelvuldig overleg plaatsvond, veelal in verband met gepleegde of beraamde strafbare feiten, in een ruimte waarin men zich afgezonderd wist van en daarmee beschermd waande tegen de buitenwereld. De schuur was immers niet zomaar onbespied te benaderen nu er aan de voorzijde van de woning [adres 4] camera’s waren geïnstalleerd en het terrein aan de achterzijde van de schuur ook via camera’s in beeld werd gebracht. Het besloten karakter van het “kantoor” bleek ook uit de omstandigheid dat – nadat afluisterapparatuur van de politie was aangetroffen – ervoor werd gezorgd dat de schuur door een professioneel bedrijf werd gesweept om er zeker van te zijn dat er geen afluisterapparatuur aanwezig zou zijn en men weer veilig gebruik kon maken van de ruimte. Het belang van het “kantoor” als centraal punt binnen de organisatie blijkt eens temeer uit de omstandigheid dat rondom en in de directe nabijheid van de schuur op verscheidene plaatsen voorwerpen en stoffen werden opgeslagen en verborgen die in relatie stonden met de strafbare feiten waarover in het “kantoor” werd gesproken. Zo werden tijdens doorzoekingen een groot aantal vuurwapens, verdovende middelen en stoffen en voorwerpen die bij de productie en verwerking van verdovende middelen gebruikt kunnen worden, aangetroffen in een ondergrondse ruimte (gelegen aan de achterzijde van de schuur) en in en onder voertuigen en goederen die gestald waren op het (sloop)terrein op het woonwagenkamp aan de [adres 6] . Vanuit het “kantoor” kon men min of meer direct beschikken over de opgeslagen goederen. Andere centrale locaties. Naast de schuur met daarin het kantoor waarop de rechtbank in de vorige paragraaf is ingegaan, zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV-deelnemers. Het gaat dan ten eerste om het bedrijfsterrein van [bedrijf] aan de [adres 5] te Berghem. Naar dit bedrijfsterrein wordt de in de nacht van 31 maart op 1 april 2019 gestolen container met schroot, waarvan de betrokken CSV-deelnemers vermoeden dat er verdovende middelen in zitten, vervoerd, alwaar de container wordt opengeslepen/-gesneden om de blokken schroot eruit te halen. Het voorgaande is opgenomen in zaakdossier (hierna: ZD)03. Ook op andere momenten worden goederen door CSV-leden opgeslagen op het bedrijfsterrein of worden goederen die aan hen te relateren zijn daar afgeleverd of aangetroffen. Op 18 november 2019 werd op deze locatie een doorzoeking verricht. In enkele zeecontainers werden grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van synthetische drugs. Dit is vastgelegd in ZD10. Verder ziet de rechtbank de locatie aan de [adres 3] te Oss als een locatie die op diverse manieren in gebruik is geweest bij de CSV-deelnemers. Deze locatie komt naar voren in ZD01, ZD03, ZD05 en ZD14. In ZD01 is dit slechts zijdelings het geval. In ZD03 worden de hiervoor gememoreerde blokken schroot die op de locatie aan de [adres 5] te Berghem uit de container zijn gehaald, vervolgens vervoerd naar de locatie aan de [adres 3] te Oss. Daar wordt door diverse CSV-leden geprobeerd om de geperste blokken schroot te openen. In ZD05 komt naar voren dat een Mercedes-Benz Sprinter door CSV-leden op de locatie aan de [adres 3] te Oss wordt geparkeerd. Bij de doorzoeking aldaar op 21 november 2019 wordt dit voertuig in beslag genomen waarna bij nader onderzoek ervan achter een dubbele wand grote aantallen vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie in het voertuig worden aangetroffen. In ZD14 speelt de locatie aan de [adres 3] te Oss een centrale rol. Tijdens diverse inkijkoperaties en later bij doorzoeking ervan worden in de bij CSV-leden in gebruik zijnde loods gestolen voertuigen en onderdelen daarvan aangetroffen. Het voorgaande is als heling aan [medeverdachte 4] ten laste gelegd. In ZD14 komt naar voren dat de loods op deze locatie ook bij de zoons van [medeverdachte 4] , te weten [medeverdachte 5] en [zoon medeverdachte 4] , in gebruik is. In dat zaakdossier komt ook naar voren dat de loods eigendom is van de heer [naam 2] en via een verhullende constructie wordt gehuurd door [naam 3] . Deze [naam 3] fungeert als katvanger voor [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Hoewel de rechtbank, zoals hierna nog is te lezen, bij de beoordeling van de deelneming aan de organisatie door [medeverdachte 4] niet de hem ten laste gelegde gewoonteheling betrekt, omdat het plegen van heling niet als oogmerk van de criminele organisatie is ten laste gelegd en uit de processtukken niet is op te maken dat de heling met betrekking tot de hem onder feit 2 ten laste gelegde goederen in een zodanig verband staat tot het wél ten laste gelegde plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, draagt hetgeen in ZD14 is opgenomen wel bij aan het oordeel dat de locatie aan de [adres 3] te Oss in gebruik is bij het CSV en diverse leden daarvan. Samenwerkingsverband. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het samen beramen, (voor-)bespreken, plannen, plegen en nabespreken van uit te voeren en uitgevoerde strafbare feiten in het geheim en binnen een beperkte kring van personen, in vertrouwelijkheid pleegt te geschieden, een en ander teneinde ontdekking van illegale praktijken te voorkomen en strafvervolging te ontlopen. Op zeer veel momenten in de ten laste gelegde periode van ruim anderhalf jaar is aan de hand van OVC-gesprekken en camerabeelden van de schuur te constateren dat CSV-deelnemers – kennelijk naar believen – de schuur en het kantoor in en uit liepen en aanwezig waren bij en ook deelnamen aan gesprekken waarbij in wisselende samenstellingen gesproken werd over strafbare feiten dan wel waarbij verdovende middelen en/of (vuur)wapens voorhanden waren. Uit het gegeven dat personen kennelijk de toegang werd toegestaan tot het “kantoor” waar strafbare feiten werden besproken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat hen kennelijk een bijzondere positie toekwam als personen in wie vertrouwen werd gesteld, en die daarmee zijn aan te merken als ingewijden van de (groep van) gebruiker(
  1. s)van het “kantoor”. In zoverre maakten zij dan ook deel uit van die groep. Aan de onderlinge binding draagt naar het oordeel van de rechtbank voorts nog bij de omstandigheid dat 12 van de 15 CSV-deelnemers familiebanden met elkaar hebben. Slechts [medeverdachte 11] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 12] zijn geen familie: [medeverdachte 11] is naar eigen zeggen al 20 jaar bevriend met [medeverdachte 1] ; [medeverdachte 12] is bevriend met [medeverdachte 3] ; [medeverdachte 2] is geïntroduceerd door [medeverdachte 14] . De hiervoor samenvattend omschreven functie van het “kantoor” en de wijze waarop door de CSV-deelnemers van “het kantoor” gebruik werd gemaakt is naar het oordeel van de rechtbank zowel een sterke aanwijzing voor het bestaan van een organisatie met een bepaalde duurzaamheid en structuur, als een indicatie voor het behoren bij die organisatie van degenen die vrijelijk toegang hadden tot die schuur en daar aanwezig konden zijn bij gesprekken. Daar komt voor de CSV-deelnemers nog bij hetgeen hierna nog wordt overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de diverse verdachten bij de afzonderlijk ten laste gelegde in het kader van de criminele organisatie begane strafbare feiten. Voor zover hierna ter zake van die feiten bewezen verklaard, vormt die betrokkenheid eveneens een belangrijke aanwijzing voor zowel het behoren bij, als het deelnemen aan de criminele organisatie. Dat er sprake was van een groepering – de “kwaaiste groep van Nederland” zoals [medeverdachte 2] het benoemde, “die ons allemaal vrezen, ze weten goed wie wij zijn…” – of een samenwerkingsverband dat als een besloten entiteit moet worden beschouwd, blijkt ook uit de uitlatingen die werden gedaan op het moment dat er onenigheid was ontstaan tussen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 1] , en werd besloten dat [medeverdachte 14] de groep zou verlaten en dat er dan nog financieel afgerekend zou worden, maar waar [medeverdachte 1] nog wel aan toevoegde: “maar eruit, nooit meer erin, he! Hallo en Goeiendag, maar nooit meer er terug in.” Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie. Naast het gebruik van “het kantoor” als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaats vond, draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur. [medeverdachte 1] werd als baas binnen de organisatie gezien. In OVC-gesprekken wordt hij door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] expliciet aangeduid met “de baas” respectievelijk “de grote baas”. Ook de Belgische getuige [naam 4] heeft het over “een criminele organisatie in Oss, geleid door “ [medeverdachte 1] ”, zoals hij [medeverdachte 1] aanduidt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het uit de bewijsmiddelen blijkende optreden van [medeverdachte 1] ook onmiskenbaar dat hij sturend, initiërend, beslissend en leidend optreedt en dat aan hem verantwoording wordt afgelegd en dat hij anderen beoordeelt. Zo geeft hij in ZD03 (import van 315 kg cocaïne) aan [medeverdachte 6] concrete instructies om de telefoon aan te nemen of om personen op te bellen en vertelt hij hem wat hij precies moet zeggen. In ZD02 besluit hij een container garnalen in de haven van Antwerpen te gaan weghalen waar volgens hem “iets” (klaarblijkelijk worden daarmee verdovende middelen bedoeld) in zit. Blijkens een OVC-gesprek van 16 augustus 2019 veroordeelt hij de wijze waarop een aantal CSV-deelnemers gebruik hebben gemaakt van een vrachtauto (“dan ben je het doodslaan nog niet waard”). Daarnaast legt [medeverdachte 10] aan hem verantwoording af over de financiën en de door haar beheerde pot geld door uitleg te geven wie wat uit de pot verkregen heeft en dat zij met betrekking tot de financiën slechts uitvoert wat hij haar opdraagt. Bij overleggen in het “kantoor” blijkt [medeverdachte 1] ook in de positie te zijn om personen uit het overleg weg te sturen wanneer hem dat geraden voorkomt. Daarnaast was [medeverdachte 1] veelal ook het aanspreekpunt voor personen buiten de organisatie waarmee zaken werden gedaan. Zo bleek hij voor de personen uit België met wie hij samenwerkte (zoals [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ) degene met wie overleg werd gevoerd en degene die zaken financierde. Naast een duidelijke rol van [medeverdachte 1] als leider van het samenwerkingsverband blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. Zoals hiervoor al kort is aangestipt (en uitgebreider aan de orde zal komen bij de bespreking van ZD06) beheerde [medeverdachte 10] in haar woning aan de [adres 4] het contante geld; door CSV-deelnemers “de pot” genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV-deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [medeverdachte 1] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [verdachte] verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot (“waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald…”) ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [medeverdachte 10] samen met haar man, [verdachte] . Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [medeverdachte 10] en [verdachte] , is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres 4] te Oss op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [medeverdachte 1] noemde [verdachte] ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers, onder wie verdachte, waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [medeverdachte 10] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [medeverdachte 1] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [verdachte] en [medeverdachte 10] de tot hun woning aan de [adres 4] behorende schuur – gelet op de inrichting: structureel - ter beschikking om als “kantoor” te dienen. In het kader van de taakverdeling ziet de rechtbank ook een specifieke rol binnen de organisatie toebedeeld aan [medeverdachte 2] , te weten als degene die zich met name toelegde op (vuur)wapens. Uit de vele OVC-gesprekken en camerabeelden is op te maken dat hij meerdere malen wapens meenam naar de schuur aan de [adres 4] en dat hij daarover sprak met anderen. Ook vertelde hij in bijzijn van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 3] dat hij nu iets meer dan een jaar op kantoor kwam en dat hij bij hen was gekomen, met die dingen, met die wapens, en dat hij vroeger een korter lontje had. Een tijd later vertelt hij in het “kantoor” dat “wapens” zijn afdeling is. Daar voegt hij aan toe dat het hem niet interesseert of er afluisterapparatuur hangt, “als het zo is, dan is het maar zo, dan gaan we met z’n allen erin, organisatie, alles”. Ten behoeve van deze rol had [medeverdachte 2] een contact, de heer [naam 7] , via wie hij wapens kon betrekken en bij wie hij wapens ter reparatie of aanpassing kon aanbieden. Voor het vervoer van wapens maakte hij gebruik van een auto met een verborgen ruimte. Ook aan [medeverdachte 6] , als gewezen (internationaal) beroepschauffeur, was naar het oordeel van de rechtbank een specifieke taak toebedeeld te weten die van het (waar nodig) optreden als vrachtwagenchauffeur, onder meer van de binnen de organisatie in gebruik zijnde trekker van het merk M.A.N., kenteken: [kenteken 1] , met oplegger. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 6] bij zeer veel gelegenheden samen is met [medeverdachte 1] , hem in raad en daad bijstaat en dat hij zich door hem ook laat aansturen. Dit gevoegd bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij met [medeverdachte 6] al vanaf jongs af aan een hechte vriendschap heeft en dat zij over en weer elkaar informatie toevertrouwen en problemen bespreken, maakt dat de rechtbank [medeverdachte 6] binnen de organisatie beschouwt als de rechterhand van [medeverdachte 1] . Communicatiemiddelen. Verder blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen van een zekere mate van organisatie op het vlak van de (onderlinge) communicatie. Door CSV-deelnemers werden namelijk PGP-telefoons gebruikt. Bij de doorzoekingen werden bij [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] PGP-telefoons aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij handelt in PGP-telefoons. Uit OVC-gesprekken van [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] blijkt echter veeleer dat hij zich bezig houdt met de financiering van PGP-telefoons en de (verlengingen van) PGP-abonnementen die hij heeft lopen voor diverse personen. Zo zou hij over de maand februari 2019 al voor € 25.000,- hebben besteed aan telefoons en verlengingen. Het is een feit van algemene bekendheid dat communicatie met dergelijke telefoons versleuteld is en dus afgeschermd plaatsvindt en dat daarom deze telefoons veelvuldig in het criminele circuit worden gebruikt om te voorkomen dat de inhoud van die communicatie door anderen wordt onderschept. Voertuigen. Ook het gebruik van voertuigen die niet op naam van de vaste gebruiker staan, maar op naam van een katvanger (zoals het geval was bij bijvoorbeeld de Chrysler Voyager, kenteken: [kenteken 2] , de eerder genoemde trekker van het merk M.A.N. en de Volkswagen Jetta, kenteken: [kenteken 3] ) en het feit dat een aantal van de gebruikte auto’s beschikten over verborgen ruimtes waarin wapens werden bewaard en/of werden aangetroffen (zoals het geval was bij de Citroën Berlingo, kenteken: [kenteken 4] , de Mercedes Benz Sprinter die werd aangetroffen aan de [adres 3] te Oss, de BMW, kenteken: [kenteken 5] en de Citroën Berlingo, kenteken: [kenteken 6] ) duiden op het zich zodanig organiseren dat illegale activiteiten worden geheim gehouden. Informatievoorziening en contacten. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verwerving van voor de organisatie belangrijke informatie was geregeld via personen die vanwege hun functies over specifieke informatie konden beschikken. Zo werd er politie-informatie (onder meer met betrekking tot politie activiteiten en lopende onderzoeken) verkregen van een of meer politieambtenaren. Ook werd er informatie betreffende ingevoerde – mogelijk vanwege de aanwezigheid van drugs voor de organisatie interessante – containers verkregen van een of meer bij een Antwerps havenbedrijf werkzame personen. Deze informatie werd ook daadwerkelijk besproken en gebruikt en heeft ook geleid tot illegale activiteiten. Het hoeft geen betoog dat deze informatievoorziening voor illegale activiteiten van de organisatie van groot belang was. Het bestaan van een organisatie. Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de andere genoemde personen behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich – in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. Oogmerk strafbare feiten. Uit de resultaten van het opsporingsonderzoek blijkt van een veelheid aan strafbare feiten die verspreid over de onderzoeksperiode in het kader van de organisatie werden begaan. Een deel daarvan wordt aan de (voor zover in deze vonnissen aan de orde) in totaal 14 CSV-deelnemers ten laste gelegd. Het in het kader van dat samenwerkingsverband handelen in strijd met de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en het Wetboek van Strafrecht – zoals hierna bij de afzonderlijk ten laste gelegde feiten nog aan de orde zal komen – gebeurde dermate veelvuldig dat naar het oordeel van de rechtbank het beramen, voorbereiden en plegen daarvan stelselmatig gebeurde, waaruit de rechtbank afleidt dat de organisatie ook het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Geweld of bedreiging met geweld? Hoewel geweld gerelateerde strafbare feiten niet afzonderlijk aan de CSV-deelnemers zijn ten laste gelegd is in de tenlastelegging van het onderhavige feit wel opgenomen dat de organisatie mede tot oogmerk had het voorbereiden en/of plegen van (excessief) geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing. De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat criminele organisaties teneinde zich te kunnen handhaven dan wel teneinde gemaakte (criminele) afspraken te kunnen afdwingen, zich in de praktijk niet snel tot de politie zullen/kunnen wenden en daarom zelf gewelds- of machtsmiddelen zullen moeten aanwenden of organiseren. Uit de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat in het kader van de organisatie daadwerkelijk geweld tegen personen is gepleegd dan wel dat daadwerkelijk het aanwenden van geweld is voorbereid. Weliswaar wordt meermalen in OVC-gesprekken gesproken over het (zullen) aanwenden van ernstig geweld teneinde iets gedaan te krijgen en weliswaar heeft de organisatie zich voorzien van vuurwapens en munitie, maar onvoldoende concreet is gebleken dat het daadwerkelijk gaan toepassen van geweld het oogmerk van de organisatie was. Wel is uit de inhoud van OVC-gesprekken voldoende gebleken dat personen daadwerkelijk zijn bedreigd met geweld en blijkt daaruit in combinatie met de in OVC-gesprekken door CSV-deelnemers menigmaal gedane suggesties om geweld aan te wenden teneinde personen tot iets te dwingen, tegen de achtergrond van het illegale karakter van de organisatie, genoegzaam dat bedreiging met geweld en/of afpersing tevens het oogmerk van de organisatie was. Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie. Dat [verdachte] tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem ten laste gelegde – hierna te bespreken – strafbare feiten waaruit – voor zover bewezenverklaard – blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [verdachte] daarbij concludeert de rechtbank dat [verdachte] minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was. feit 1 primair medeplegen verwerking MDMA en/of metamfetamine (ZD09) Standpunt van het Openbaar Ministerie. Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 7 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van een (grote) hoeveelheid MDMA en/of metamfetamine. Standpunt van de verdediging. De verdediging heeft ten aanzien van de bewijsvraag van dit feit geen verweer gevoerd of standpunt ingenomen. Bewijsoverweging rechtbank Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op. [medeverdachte 1] spreekt op 21 februari 2019 in twee opeenvolgende OVC-gesprekken kort na 18:00 uur over een levering ‘M’ die rond acht uur (de rechtbank begrijpt: 20:00 uur) wordt gebracht. Hij zegt dit eerst in het ‘kantoor’ van de schuur behorende bij perceel [adres 4] in Oss tegen [medeverdachte 7] en kort daarna buiten de schuur tegen zijn zoon [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] zegt in het verlengde van het gesprek in de schuur nog tegen [medeverdachte 7] : ‘Heb je die vaten gehaald?’ en ‘moet je even die grote weegschaal die moet je uit de bus pakken’ en ‘boven meteen voor de deur in de stash.’ Blijkens camera-beelden en met inachtneming van een gecorrigeerde tijdsaanduiding is [verdachte] bij dit gesprek in het ‘kantoor’ aanwezig. Tegen [medeverdachte 3] zegt [medeverdachte 1] nog dat hij om 8 uur (de rechtbank begrijpt: 20:00 uur) weer terug is. Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] kort voor 20:00 uur op het woonwagencentrum arriveert en genoemde schuur inloopt. Omstreeks 20:11 uur parkeert ter hoogte van [adres 6] een bus. Er volgt een kort contactmoment tussen [medeverdachte 1] met twee NN-mannen (NN89 en NN90). De schuifdeur van de bus gaat open waarna NN89 achtereenvolgens drie dozen naar het kantoor brengt. NN89 draagt handschoenen. Bij het binnenbrengen van de derde doos wordt de NN89 gevolgd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] . NN89 heeft het in ‘het kantoor’ over kristalliseren en het in de vriezer plaatsen. Op de vraag van [medeverdachte 1] hoeveel zij uit deze hebben kunnen halen antwoordt de NN89 ‘196, maar dat is veel te weinig….(..) we moeten normaal 250 makkelijk kennen halen.’ NN89 zegt vervolgens: ‘Kijk als je, zeg maar 100 kilo dan krijgen we 30 kilo ‘M’ terug. [medeverdachte 1] heeft het over normaal 78, 78, 80 kilo ‘M’. NN89 heeft het over 62 tot 63 zuivere olie halen op 100 kilo en dat ze dan ‘1.4’ moeten ‘draaien’, waarop [medeverdachte 1] zegt ‘Van de 100 kom je op 80 kilo normaal’. Verder spreken [medeverdachte 1] en NN89 over ‘lichte en donkere’ en ’30 in een doos’, vindt [medeverdachte 7] ‘het mooi spul’, zegt [medeverdachte 5] ‘mij maakt het geen reet uit, als ze er pillen van maken’ en ‘die zijn perfect’ en vindt [medeverdachte 1] het goed ruiken. [medeverdachte 1] heeft het ook over een risico dat hij niet wil lopen. Er wordt verder afwisselend door [medeverdachte 1] , NN89 [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] onder meer gesproken over ‘witte M’, ‘donkere pillen’, ‘Cola, dat gewoon wit wordt’, ‘er pillen van slaan’, ‘PH’ en ‘58 kilo per 100 kilo puur poeder uithalen’. Volgens een materiedeskundige wordt de afkorting ‘M’ door criminelen gebruikt om MDMA aan te geven. Het kristalliseren van MDMA gebeurt in een vriezer. Er wordt voorts vermoedelijk gesproken over een opbrengst aan MDMA kristallen van 78-80 kilogram uitgaande van 100 kilogram preprecursor van 62-63 zuivere MDMA-olie. 1.4 is een factor die door criminelen wordt aangegeven als zijnde de hoeveelheid MDMA-kristallen die uit 1 liter MDMA-olie kan worden gehaald. Er zijn licht- en donkergekleurde MDMA-kristallen. Criminelen spreken in dat verband ook over champagne-respectievelijk colakleurig. Dit heeft te maken met de vervuiling van MDMA-olie bij kristallisatie. Er wordt voorts vermoedelijk gesproken over 58 kilogram MDMA uit 100 kilogram preprecursor. Er is veel bedrijvigheid zichtbaar (beelden) en hoorbaar (OVC-gesprekken) rond en in het ‘kantoor’ en de schuur van perceel 93 door de diverse aanwezigen. Hierbij lopen [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] op en neer in en uit het ‘kantoor’ en de schuur. [medeverdachte 1] zegt dat er uit de witte bus een schaal moet worden gepakt om de ‘M’ na te wegen. Ook vraagt [medeverdachte 1] of die blauwe vaten zijn gepakt. Er worden handschoenen gedragen, waaronder door [medeverdachte 3] en [verdachte] die rond 21:10 uur blauwe tonnen met een zwarte deksel de schuur binnendragen. Deze tonnen zijn zichtbaar leeg. [medeverdachte 1] zegt verder ‘als je het wegzet, die ‘M’ ook hier bij doen, alles door elkaar en even nou wegen.’ Er wordt hoorbaar met plastic en tape ingepakt en daarbij wordt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en in aanwezigheid van [verdachte] over wegen, gewichten en hoeveelheden gesproken: ‘daar moet je 2 kilo’s van maken’, ‘2 grote stukken zijn 1910 gram’, ‘ziet eruit als een kilo’, ‘tweede zak…in, ik bak die bak wel…de zakken wegen al 180 gram’, ‘elke 100 gram is 100 gram’, ‘2 pakken van vijf’ . Ook wordt er gesproken over ‘wassen tot die mooi eruit ziet’ en gezegd ‘dat is Ice’. Op basis van deze uitlatingen en inpakgeluiden, gecombineerd met de verdere inhoud van de gesprekken, legt de materiedeskundige een verband met het inpakken van metamfetamine (Ice). Omstreeks 21:28 uur sjouwen/schuiven [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [verdachte] in totaal drie (zichtbaar) gevulde blauwe vaten met zwarte deksels uit de schuur. De rechtbank overweegt en oordeelt het volgende. De rechtbank merkt op dat in de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken in zijn algemeenheid evident wordt gesproken over de handel en productie in/van drugsgelieerde stoffen en middelen, De rechtbank dient de inhoud van de OVC-gesprekken en bijbehorende camerabeelden te duiden zonder een feitelijke inbeslagname van hetgeen waarover wordt gesproken, waarmee handelingen zijn verricht en in de drie vaten is geplaatst. De afkorting ‘M’ is in het drugsjargon de gangbare afkorting van MDMA en vormt daarom een heel sterke aanwijzing dat daarmee in de OVC-gesprekken daadwerkelijk MDMA wordt bedoeld. Dit vindt bevestiging in de bevindingen van de materiedeskundige op basis van de inhoud van de onmiddellijk na de levering ‘M’ gevoerde gesprekken zoals hiervoor beschreven. De rechtbank heeft geen reden om aan deze bevindingen te twijfelen. De daaropvolgende activiteiten in het ‘kantoor’ wijzen volgens diezelfde materiedeskundige op het inpakken van metamfetamine. De rechtbank heeft evenmin reden om aan deze interpretatie te twijfelen. Dit maakt dat niet zonder meer duidelijk is wat er die avond daadwerkelijk is verwerkt: MDMA of metamfetamine of wellicht beide. Bij deze stand van zaken, met veel directe en sterke aanwijzingen dat de aanwezigen in het ‘kantoor’ een middel van lijst I van de Opiumwet hebben verwerkt, kantelt echter de bewijslast en ligt het op de weg van verdachte om met een aannemelijke, de redengevendheid van het bewijs ontzenuwende verklaring te komen. Zo’n verklaring is echter uitgebleven, waarover later meer. Hoewel de rechtbank niet precies kan vaststellen wat er in drie vaten is geplaatst, acht zij, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat dit MDMA, metamfetamine of beide is geweest. De rechtbank acht de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat er die avond MDMA en/of metamfetamine is verwerkt. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de vaststelling bij de bespreking van ZD04 dat er 15 april 2019 op dezelfde locatie circa 99 kilo aan MDMA-kristallen voor verder vervoer in een auto is geladen en kort daarop in die auto is aangetroffen en dat hierbij onder anderen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] waren betrokken als medeplegers. Oftewel: minder dan twee maanden na het onderhavige voorval was men op dezelfde locatie eveneens doende met MDMA (kristallen). Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen die betrekking hebben op ZD12 dat op 13-15 november 2019 in een achter de schuur van woning [adres 4] te Oss gelegen verborgen/ondergrondse ruimte onder meer is aangetroffen: bruine dozen met een groot aantal zakken met bruine kristallen (MDMA), een witte kunststof ton met rode schroefdeksel met zakken bruine kristallen (MDMA), een witte kunststof ton met rode schroefdeksel met zakken paarse pillen (MDMA), en zakken met xtc-pillen (MDMA) en metamfetamine. Deze ondergrondse ruimte kan aan de criminele organisatie worden toegeschreven, met name ook nu uit ZD05 blijkt dat in deze ruimte een vuurwapen en patroonmagazijnen met daarop het DNA van respectievelijk [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is aangetroffen. Ook mag niet onvermeld blijven dat op laatstgenoemde data op het sloopterrein van voormalig perceel 97 van het woonwagen-centrum een witte kunststof ton met onder meer (brokken) MDMA en metamfetamine is aangetroffen (ZD12). De meeste verdachten hebben zich op het zwijgrecht beroepen dan wel aangesloten bij de eerst op 13 januari 2021 door [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat er in nepdrugs werd gehandeld, dat met ‘M’ Himalayazout werd bedoeld en dat dit als MDMA werd verkocht. De rechtbank acht dit scenario in het licht van de specifieke inhoud, strekking en context van voornoemde OVC-gesprekken en hetgeen op 15 april 2019 en in november 2019 feitelijk is aangetroffen en bij gebreke van overtuigende aanknopingspunten anderszins, volstrekt ongeloofwaardig. Voor wat betreft eenieders betrokkenheid kan de rechtbank kort zijn. Voor alle verdachten met uitzondering, voor zover de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen kan vaststellen, van [medeverdachte 1] geldt dat zij in meer of mindere mate uitvoeringshandelingen (tonnen sjouwen, verpakken) hebben verricht bij de gezamenlijke verwerking van MDMA en/of metamfetamine. Het is daarnaast volgens de rechtbank vast komen te staan dat zij wisten dat het om dit/deze middel(
  2. en)ging. Daarmee kunnen zij als medepleger van het verwerken van genoemde stoffen worden aangemerkt. Zij hebben bewust en nauw samengewerkt en de bijdrage van ieder afzonderlijk is van voldoende gewicht geweest. Voor [medeverdachte 1] geldt dat hij degene is geweest die de afspraak met de leveranciers van de ‘M’ heeft gemaakt, hen heeft ontvangen en in overwegende mate met hen heeft gesproken. Hij was vervolgens prominent aanwezig bij de verpakkingswerkzaamheden en had daarbij een sturende en leidende rol met een beslissende stem. Aldus kan hij eveneens als medepleger worden aangemerkt. feit 2 medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne op 28 februari 2019 (uit ZD12) Standpunt van het Openbaar Ministerie. Op de in het schriftelijk requisitoir d.d. 11 juni 2021 uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het bewerken, verwerken en voorhanden hebben van cocaïne. Standpunt van de verdediging. De verdediging heeft ten aanzien van de bewijsvraag van dit feit geen verweer gevoerd dan wel standpunt ingenomen. Bewijsoverweging rechtbank. Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen maakt de rechtbank het volgende op. Op 28 februari 2019 vinden in de tijdspanne van omstreeks 14:30 uur tot en met rond middernacht zichtbaar en hoorbaar activiteiten plaats in de schuur en de daarin gelegen kantoorruimte van het perceel gelegen aan de [adres 4] te Oss. Hierbij zijn betrokken [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [naam 8] en (tot omstreeks 16:30 uur) [medeverdachte 13] . Uit in die schuur opgenomen camerabeelden blijkt dat er in genoemde tijdspanne op verschillende momenten door diverse aanwezigen handschoenen worden gedragen, er activiteiten aan de tafel in de kantoorruimte plaatsvinden en dat er met gevulde, kennelijk zware tassen wordt gesjouwd. Ook blijkt uit die camerabeelden dat tussentijds een rode pers de kantoorruimte in wordt gedragen. Deze pers wordt omstreeks 23:50 uur het ‘kantoor’ uit gedragen en een andere ruimte van de schuur in gedragen. Onderwijl is [medeverdachte 8] in de kantoorruimte met een stofzuiger bezig om de tafel schoon te zuigen. Deze neemt kort daarop twee vuilniszakken mee naar buiten, waarna [medeverdachte 1] kort na middernacht de schuur verlaat. In de bewuste tijdspanne zijn tevens OVC-gesprekken opgenomen in de kantoorruimte. Er wordt dan onder meer gesproken over: het dragen van handschoenen, dadelijk kneden, drukken, persen, pompen, trekken, niet te hard douwen, schaven, blokken maken, een mooie blok, draaien, platen, mallen (van een AK, Tony Montana, Scarface), 777 aan de bovenkant, drie zevens uitprinten, een stempel van 7, op de rest ook zevens inslaan, inpakken met folie, folie om de mal trekken, zakjes, mixen, uitkoken, ‘dadelijk ga je spul zien…toppertjes’, ‘hoeveel hebben we gedrukt’, ‘eerst folie dan tapen’, een stempel indrukken, ‘hoeveel druk moet je…met de stempel erin zitten’ (..) ‘tot de naad van de blok’, dicht tapen, in de folie draaien, wegen, logo’s en stempelplaten. Zoals hiervoor reeds aan de orde gekomen, is op de camerabeelden waargenomen dat er een drukpers de kantoorruimte is binnengebracht. Dit past bij een aantal van de hiervoor genoemde bewoordingen. Voor wat betreft de context van het hiervoor vermelde acht de rechtbank onder meer de navolgende specifieke uitlatingen van belang: omstreeks 14:29 uur [medeverdachte 13] : Maar je hoeft niet zoveel gewicht [medeverdachte 1] : Nee dat hoeft ook ... niet [medeverdachte 6] : Nee, het kan wel [medeverdachte 13] : Ja maar dan zeg ik, we weten dat die plaat, er maar net inzit (…) [medeverdachte 8] : n je maakt de bovenkant, van waar je hem ook kan testen. Als je dat nou een beetje nat maakt dan hoef je ook niet zoveel druk te zetten. Dan is die wat zachter. [medeverdachte 1] : Volgens mij zijn ze niet zo heel hard hoor (…) [medeverdachte 8] : Als dat ding eraf is ,ja? En je maakt de bovenkant een beetje nat? (…) [medeverdachte 7] : Ik zou het niet doen met water hoor. [medeverdachte 6] : Ik denk dat als je.. [medeverdachte 1] : Als je het doet dan moet je het met aceton spuiten. (…) [medeverdachte 6] : Als je het maar goed laat drogen (dialect: dreugen) (…) [medeverdachte 1] : ‘Dit is veel belangrijker’ A. [medeverdachte 5] :….’Handschoenen’ [medeverdachte 1] : ‘Omdat ik, jij de drugs aanraken m’n jongen’ (…) [medeverdachte 6] : Natuurlijk. dat is aceton ... heter [naam 8] : .... [medeverdachte 1] : Dat is 777 omstreeks 14:49 uur [medeverdachte 6] : (…) die dikke platen ... die zitten bij deze pers niet bij [medeverdachte 13] : ..(onverstaanbaar).. [naam 8] : Eentje, Eentje en je moet iets hebben voor het pompen euh [medeverdachte 6] : Ja dat is [medeverdachte 7] : Daar zit die plaat in, hier zit alles in [medeverdachte 1] : Waar is de mal? (…) [medeverdachte 8] : ‘De handschoenen die liggen daar…’ [medeverdachte 1] : ‘ [naam 8] z’n neus…dirty drugs man’ (…) [medeverdachte 8] : Waar ligt die Ronaldo? [medeverdachte 1] : Ja die moet ... besteld A. [medeverdachte 5] : Ja ik wil euh ook een mal laten maken van een AK [medeverdachte 8] : Ik kon de laatste keer kopen van dingen .. van Tony Montana, scarface (…) [medeverdachte 1] : Je moet maar nèt de druk te hebben. Nee, ... de mal … [medeverdachte 13] : Hij zit er ook maar net in ook hoor [medeverdachte 13] : Ene kant volgens mij ja [medeverdachte 6] : Deze moet iets aangedraaid worden dat dit een beetje bij elkaar blijft (…) [medeverdachte 13] : Nee deze ... kant drukken [medeverdachte 6] : ... is die euh twee ijzeren plaatjes van die andere bak, die andere pers eens even pakken want anders druk omstreeks 14:54 uur: [medeverdachte 1] : Hij zegt je hoeft niet hard te persen [medeverdachte 6] : Nee, je hoeft maar één keer zo aan te trekken en dan zeg maar, laat maar drogen in de zon zeg maar [verdachte] : zet hem er maar onder [medeverdachte 6] : Nee je hebt eerst die platen nodig, die dikke platen die ... [verdachte] : Ja ja ja (…) [medeverdachte 1] : ‘Pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten. Dan vinden ze er dadelijk nog drugs op’ [medeverdachte 13] : ‘Deze trui ko….gaat nog weg’ (..) [verdachte] : ‘Op de euh de machine liggen er’ [medeverdachte 1] : ‘Die zitten vast!! Deze zijn ook goed’ [medeverdachte 7] : ‘Ja, anders moet je zelf even kijken hè’ [medeverdachte 6] : ‘Ja zo voor bij een kilo wel’ [medeverdachte 1] : ‘Een 80 ton…drugs is klaar’ omstreeks 14:59 uur [medeverdachte 1] : ‘Als die hem nou euh eigenlijk had die andersom moeten zijn…dat de zevens niet’ (..) [medeverdachte 7] : ‘7…cel of niet?’ [medeverdachte 1] : ‘Niet doen! Dadelijk… op de vingers…’ (…) [medeverdachte 6] : Hé, die mal moet wel even goed euh geschuurd worden [medeverdachte 3] : Ja, papier. Die dingen zit aan de zijkant [medeverdachte 1] : Ja, die mal moet eerst even schoongemaakt worden. Doe eventjes alcohol erop anders heb jij een groot probleem want dan heb je allemaal viezigheid ... (…) [medeverdachte 8] : En als je die mal nu gewoon inpakt met de folie? [medeverdachte 6] : Nee dat moet je niet doen, die druk, ja kan trouwens wel. ... [medeverdachte 8] : Folie is gewoon de beschermlaag maar ik zou hem eerst toch ... schoonmaken (…) [medeverdachte 7] : Dat is goeie folie of niet? [medeverdachte 6] : Nee, bij de eerste blokken zitten 777, later ... [verdachte] : Als het goed is ... [medeverdachte 6] : Ja, dat dacht ik ook. [verdachte] : dat is ... [medeverdachte 6] : Ja, die 777 ... lopen, dat je goed slaapt [medeverdachte 8] : (lacht) [medeverdachte 1] : dan moet je eventjes in de computer, moet je drie zevens uitprinten, gekleurde zevens [medeverdachte 8] : En aan de bovenkant erop plakken [verdachte] : ... printen (…) [medeverdachte 1] : Heb jij een printer binnen staan? [verdachte] : ja (…) [medeverdachte 1] : Met kleuren erin, neonlicht, oranje, groen, een beetje opvallende zevens [medeverdachte 6] : Regenboogjes ... [medeverdachte 1] : Print er maar 380 uit, er moeten 380 ... komen (…) [medeverdachte 6] : Dit is een mooie blok hoor jongens [medeverdachte 13] : Precies [medeverdachte 3] : Klopt, deze ook omstreeks 15:09 uur: [medeverdachte 6] : ‘En dit pas het eerste blok’ omstreeks 15:34 uur: [medeverdachte 6] : ’Gooi je toch een beetje van die andere erbij’ (..) [medeverdachte 7] : ‘Ja stop maar, zo is het goed’ omstreeks 19:34 uur: [medeverdachte 1] : ‘Ik ga dadelijk toch een nog en keer een coke…eind testen’ [medeverdachte 6] : ‘Nou nog een beetje roeren, je moet m eigenlijk iets langer laten zakken in die euh… dingen want al dat wit wat in die….zit moet weer bij mekaar komen’ [medeverdachte 1] : ‘Dat is ook merchandise…dan zegt ie ben je zo’n dirty drugs money’ (..) Gooit er een gram op, haalt er 3 uit.’ omstreeks 19:44 uur: [medeverdachte 8] : ‘Raak die dingen niet aan!’ [medeverdachte 7] : ‘Wat?’ [medeverdachte 8] : Dat ijzer niet, daar heeft rotzooi op gelegen…handen in’ [medeverdachte 1] : Ja blijft er vanaf, daar zit dirty drugs aan’ (..) ‘Je weet toch hier in de schuur moet je niks aanraken maat’ omstreeks 21:24 uur: [verdachte] : Op de rest kun je ook zevens inslaan [medeverdachte 6] : Ja maar hier niet [verdachte] : Die andere blokken heb ik net gepakt. Dan ga ik ... [medeverdachte 6] : Jij hebt die blokken, de zevens of niet? (…) [medeverdachte 6] : Hoeveel, hoeveel hebben we er gedrukt? [verdachte] : Wat er nou staat. ... net voorbij komen (…) [medeverdachte 1] : Dat is niet de zevens [verdachte] : Hier staan zevens in!! omstreeks 21:59 uur: [medeverdachte 1] : ‘Als hier een drugshond binnenkomt, wordt helemaal gek’ omstreeks 22:54 uur: [medeverdachte 1] : ‘Is ie droog hè?’ Voorts hebben de uitluisterende verbalisanten op verschillende momenten onder meer de navolgende geluiden tijdens de opgenomen gesprekken waargenomen: ‘geluid van metaal op metaal als een soort pompend geluid’, ‘geluiden hoorbaar die kunnen passen bij het afrollen van tape in grote hoeveelheden’, ‘geluiden hoorbaar die doen denken aan een pompend geluid waarbij metaalklanken hoorbaar zijn’, ‘schrapend geluid op metaalachtig voorwerp hoorbaar’, ‘geluid hoorbaar passend bij het gebruik van een plantenspuit’, ‘pompend geluid en het geluid van plakband afwikkelen’, ‘geluid hoorbaar passend bij het gebruik van een ratelsleutel’. Een senior LFO-expert bij de Landelijke Eenheid heeft een aantal passages van uitwerkingen van de opgenomen gesprekken beoordeeld en concludeert dat er wordt gesproken over het be- en verwerken van cocaïne, meer specifiek over het versnijden, persen en verpakken van cocaïneblokken. Volgens de deskundige wordt tevens gesproken over de benodigde apparatuur en verpakkingsmiddelen, waaronder het geprinte logo 777. De rechtbank omarmt de conclusies van de deskundige en maakt die tot de hare. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat ook feitelijk sprake is geweest van het (actief) be- en verwerken van cocaïne. De elkaar onderling versterkende combinatie van de inhoud van de afgeluisterde gesprekken, de daarbij waargenomen geluiden en de bijbehorende camerabeelden rechtvaardigen dit oordeel. De hiervoor uitgeschreven uitlatingen ‘Pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten. Dan vinden ze er dadelijk nog drugs op’, ‘Ik ga dadelijk toch een nog en keer een coke… eind testen’ en ‘En dit pas het eerste blok’ spreken wat dat betreft ook boekdelen. Dat er daadwerkelijk cocaïne is bewerkt en verwerkt vindt ook bevestiging in afgeluisterde gesprekken van 30 maart 2019 in de Volkswagen Jetta [kenteken 3] , waarin verdachte [medeverdachte 3] onmiskenbaar spreekt over (de kwaliteit) van blokken cocaïne met het stempel 777 en waarover hij zegt: ‘Maar deze is echt wel goed, dat meen ik echt. Niet omdat die van ons is.’ Dit oordeel wordt verder versterkt door het aantreffen van cocaïne op het sloopterrein van perceel 97 van het woonwagencentrum (doorzoekingen d.d. 23 oktober 2019 en 13-15 november 2019), in een ondergrondse ruimte op het bosperceel achter het woonwagencentrum (doorzoekingen d.d. 13-15 november 2019) en in een container op het terrein [adres 5] te Berghem, (doorzoeking d.d. 18 november 2019), zijnde allen aan te merken als stashlocaties van de criminele organisatie zoals hiervoor bij de bespreking van dat zaakdossier en daarmee samenhangende zaakdossiers reeds aan de orde is gekomen. Het een en ander past ook bij de tijdens de doorzoekingen op 13-15 november 2019 in een ruimte van de onderwerpelijke schuur aantreffen van een roodkleurige drukpers met aan de bovenkant een drukmeter en het in de schuur van de woning op perceel 91 van het bewuste woonwagencentrum aantreffen van meerdere metalen platen die gebruikt kunnen worden bij een drukpers, waaronder een plaat met in spiegelbeeld de cijfers 777. Voor wat betreft de duiding van de betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] kan de rechtbank kort zijn. Uit de in de bewijsbijlage uitgeschreven bewijsmiddelen volgt evident dat zij allen in meer of mindere mate uitvoeringshandelingen hebben verricht ten behoeve van het bewerken en verwerken van cocaïne, waaronder het in/uitdragen van de rode pers, het versnijden, persen, wegen en/of verpakken van cocaïne, het sjouwen met-– zo neemt de rechtbank aan - met blokken cocaïne gevulde tassen en het nadien wissen van sporen. De gezamenlijke handelingen zijn in bewuste en nauwe samenwerking gepleegd. De rechtbank kwalificeert ieders bijdrage dan ook als die van medepleger van het bewerken en verwerken van cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit echter niet voor [medeverdachte 13] . De rechtbank stelt vast dat hij zich in de algehele tijdspanne van de bewuste dag en in tegenstelling tot de anderen ‘slechts’ twee uren (van circa 14:30 uur tot circa 16:30 uur) in de schuur heeft bevonden. De rechtbank kan echter niet zonder meer de exacte bijdrage van [medeverdachte 13] aan het bewerkings- en verwerkingsproces van de cocaïne in die periode vaststellen. Dat betekent dat de rechtbank [medeverdachte 13] voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken en de bewezenverklaring tot het medeplegen van het aanwezig hebben cocaïne (‘pas op dat je dadelijk geen cocaïne aan je mouw hebt zitten’) zal beperken. De door [medeverdachte 1] opgeworpen alternatieve lezing (dat sprake was van het persen van gips of kalk met behanglijm alsof het cocaïne
  3. is)verbleekt in het algehele licht van de bewijsmiddelen en wordt door de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven. De rechtbank wijst er in dit verband nogmaals op dat in een aantal afgeluisterde gesprekken ondubbelzinnig over cocaïne, coke en drugs wordt gesproken. feit 3 medeplegen gewoontewitwassen (ZD06 en ZD13) Inleiding. In onderzoek Noord zijn twee zaakdossiers toegespitst op witwassen: ZD06 en ZD13. De beschuldigingen die verband houden met ZD06 komen erop neer dat [verdachte] en [medeverdachte 10] een hoeveelheid contant geld van in totaal € 263.412,68 voorhanden hebben gehad en gelden ten behoeve van de criminele organisatie hebben beheerd en bewaard. Kort gezegd behelst de andere witwasverdenking (ZD13) dat [medeverdachte 1] een woning aan de [adres 2] te Berghem via een door hem en [medeverdachte 6] opgezette witwasconstructie heeft gekocht. Daarbij zouden [verdachte] en [medeverdachte 10] het geld ten behoeve van die koop hebben beheerd en gereed gemaakt. [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 12] zouden (samen met [medeverdachte 2] ) naar Bulgarije zijn afgereisd om € 700.000,- aan contanten af te geven ten behoeve van die koop. [medeverdachte 11] zou hebben verborgen en verhuld wie de rechthebbende op de woning was. Standpunt van het Openbaar Ministerie. Op de in het schriftelijke requisitoirs d.d. 4 juni 2021 (ZD13) en d.d. 14 juni 2021 (ZD06) uitgewerkte gronden heeft het Openbaar Ministerie gerekwireerd tot een integrale bewezenverklaring van het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen. Standpunt van de verdediging. Door de verdediging is geen verweer gevoerd terzake het witwasverwijt. Voor zover verdachte een verklaring met betrekking tot dit verwijt heeft afgelegd, zal deze bij de beoordeling van de rechtbank worden besproken. Bewijsoverwegingen rechtbank. ZD06 Witwassen [adres 4] te Oss De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] aan de [adres 4] te Oss op 14 november 2019 zijn in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen gevonden. Hiervan werd € 256.650,- gevonden in een van de slaapkamers, meer specifiek in een kledingkast onder een laag tapijt en houten ondervloer. Het resterende geldbedrag van € 6.875,38 werd op verschillende plekken in de woning gevonden, waaronder in een rieten mand en stroopwafelpot in de slaapkamer en in een hoge kast in de woonkamer. Het geld dat werd aangetroffen onder de vloer in de slaapkamer was verdeeld in tien blauw gekleurde en gesealde verpakkingen. In die verpakkingen zaten geldbundels met elastiekjes eromheen. Op een van de verpakkingen werd een dactyloscopisch spoor gevonden (linker duim) dat, zoals blijkt uit onderzoek, wordt toegeschreven aan [medeverdachte 10] . Op een andere verpakking werd een dactyloscopisch spoor gevonden (rechter duim) dat – eveneens volgens onderzoek – wordt toegeschreven aan [verdachte] . Tijdens de doorzoeking in november 2019 zijn verder in de schuur behorende bij de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] twee geldtelmachines aangetroffen. Daarnaast werd in de woonkamer onder de bekleding van een fauteuil een blauwe sealbag gevonden met notities met aantekeningen. Zo is bijvoorbeeld te lezen: ’30-10 500 [medeverdachte 3] ’, ’31-10 es Leeuwarden’, 2-11 1000 [medeverdachte 1] ’, ‘3-11 1000 [naam 9] ’ 5-11 15000 [medeverdachte 1] 5000 [medeverdachte 1] ’ ‘4-10 5000 bulg’, do 2850 Leeuwarden’ ’66.000 bulg’ ‘6000 [medeverdachte 6] ’ ’20-12 20000 goudhaan’ Een jaar eerder, op 7 november 2018, zijn tijdens een fouillering van [medeverdachte 10] vergelijkbare notities gevonden. In een maandverband in haar tas en in haar telefoonhoes zijn notities gevonden met teksten als: ‘1000 [medeverdachte 6] -> [medeverdachte 1] ticket’, ’3000 [medeverdachte 3] ’, ‘1000 [verdachte] ’, 20-9 5000 [medeverdachte 1] , 2250 [medeverdachte 1] , 2000 [medeverdachte 7] ’ ‘2000 [medeverdachte 5] ’ ‘4000 [naam 9] ’ ‘200 [medeverdachte 12] ’. Tijdens een doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] , eveneens in november 2018, zijn twee documenten gevonden in een tussenstuk van een uitschuifbare salontafel; een document betrof een foto van een 20-voetscontainer en het andere een document getiteld ‘opgave kosten naar Guayaquil’ met een overzicht van kostenposten (aanschaf containers, transportkosten, kosten verscheping) met bijbehorende prijzen. De rechtbank acht het verder van belang om vast te stellen dat tijdens verschillende OVC-gesprekken gesproken wordt over geld. Uit de OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] geld werd geteld, verpakt en verstopt. [verdachte] heeft het zelfs over pijn aan zijn ‘telduim’ van het geld tellen. [medeverdachte 10] spreekt over ‘6 rooien onder vloer’ en [medeverdachte 1] wil na de politie inval op 23 oktober 2019 ‘de rest terug onder de vloer’. [medeverdachte 1] noemt [verdachte] ‘de bankier, de kassière’ als [medeverdachte 11] tegen hem zegt dat hij het geld aan [verdachte] ( de rechtbank begrijpt [verdachte] ) heeft gegeven. [medeverdachte 10] legt in opdracht geld weg en geeft in opdracht geld mee aan onder andere, [medeverdachte 13] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 12] . In een OVC-gesprek zegt [medeverdachte 10] dat ze, als ze pech heeft, dadelijk nog van ‘witwassen’ wordt beschuldigd. [medeverdachte 10] bespreekt met [verdachte] de uitgaven van/uitbetaling aan verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 12] en zij bespreekt met [medeverdachte 1] het geldopnamepatroon van zijn zoon [medeverdachte 3] . Zij noemt ook dat zij gaat opschrijven wat [medeverdachte 1] heeft gepakt. Verder wordt ook gesproken over ‘de pot’ door bijvoorbeeld [verdachte] in een gesprek met [medeverdachte 4] en in een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] . In het gesprek met [medeverdachte 5] zegt [verdachte] ook dat hij alles opschrijft. Toetsingskader. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de gelden waarop de witwasgedragingen van de verdachten betrekking zouden hebben van een specifiek misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat er geen zogenaamd gronddelict bekend is. Witwassen kan in zo’n geval echter bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarvoor zal eerst moeten worden vastgesteld dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld of de goederen. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien hieraan wordt voldaan en de verklaring van verdachte daartoe dus aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de eventuele alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van dit onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Vermoeden van witwassen? Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een vermoeden van witwassen. Hiertoe wordt het volgende overwogen: - Er is in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 10] een geldbedrag van behoorlijke omvang, in contante coupures gevonden, dat niet in verhouding staat tot het bij de Belastingdienst bekende legale gezinsinkomen van deze verdachten en daaruit ook niet verklaard kan worden. Uit het overzicht van de Belastingdienst blijkt namelijk dat [medeverdachte 10] in de periode van 2015-2019 een jaarlijks inkomen heeft genoten van tussen de bijna € 8.000,- en € 10.000,-. Uit het overzicht van de Belastingdienst betreffende [verdachte] blijkt dat hij in de jaren 2015 tot en met 2017 (per jaar) gemiddeld € 9.180,- aan privé onttrekkingen heeft gedaan uit zijn eenmanszaak. - In de woning van diezelfde verdachten zijn tijdens doorzoekingen in 2018 en 2019 notities met aantekeningen gevonden. In 2018 had [medeverdachte 10] ook not

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.