vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingslocatie 's-Hertogenbosch Zaaknummer: C/01/363893 / HA ZA 20/684 Vonnis van 22 september 2021 in de zaak van: [eiseres] , wonende in [plaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. C.J.M. Bongers in ’s-Hertogenbosch, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , beiden wonende in [plaats 2] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. A. Kroondijk in Wolvega . Partijen worden hierna (in het vrouwelijk enkelvoud) [eiseres] en [gedaagden] genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 januari 2021; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 juni 2021 en de daarin genoemde processtukken; de brief van [gedaagden] van 12 juli 2021 met opmerkingen over het proces-verbaal; de brief van [eiseres] van 14 juli 2021 met opmerkingen over het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken. 2De feiten 2.1. In november 2019 hebben partijen contact gehad over de koop door [eiseres] van het ZZL geklasseerde dressuurpaard “ [naam paard] ” (hierna: het paard) van [gedaagden] Voorafgaand aan de koop is op 25 november 2019 het paard zowel klinisch als röntgenologisch gekeurd bij het Veterinair Centrum in Someren. Bij deze keuring is een peesblessure aan de laterale tak van de tussenpees rechtsvoor geconstateerd. De koop is daarom niet doorgegaan. 2.2. Het paard is vervolgens behandeld met bloedplaatjes in Someren. Daarna is het paard van medio december 2019 tot 5 januari 2020 in behandeling geweest bij Sportpaardenkliniek [B] (hierna: de kliniek) waar stamceltherapie is toegepast. Na deze behandeling heeft [gedaagden] van de kliniek advies gekregen over de opbouw van de training van het paard. Gedurende de opbouw van de training zijn door de dierenarts van [gedaagden] , [A] , tussentijds echobeelden gemaakt. Deze beelden zijn door dierenarts [B] , werkzaam bij de kliniek, beoordeeld. In deze periode is [eiseres] door [gedaagden] op de hoogte gehouden van de voortgang van het paard. 2.3. Op 6 mei 2020 heeft [gedaagde 1] aan [eiseres] het volgende WhatsApp-bericht gestuurd: “Hij is heel mooi genezen mag weer vol aan de bak gelukkig als je nog interesse heb hoor ik het graag” En op 7 mei 2020: “Ik ga hem pas over twee maanden verkopen zodat ik zeker weet dat het goed blijft tegen die tijd app ik je nog wel een keertje Gr [gedaagde 1] ” 2.4. Op 26 juni 2020 heeft [gedaagde 1] aan [eiseres] laten weten dat zij het paard weer in de verkoop zette. Kort daarna hebben partijen overeenstemming bereikt over de prijs van € 30.000,-. Op 4 juli 2020 heeft [eiseres] via WhatsApp aan [gedaagde 1] bericht: “Van mij hoeft ie niet weer gekeurd. Ik wil alleen graag een scan nog van dr pees om te vergelijken met de scan van voordat je begon met opbouwen. Maar dat geheel op onze kosten. Gr En “Rijden hoeft op zich niet meer denk ik. Ik kan me nog goed herinneren wat voor gevoel hij gaf ” 2.5. Op 7 juli 2020 heeft [A] een scan gemaakt van de pees van het paard. Deze scan is beoordeeld door [B] en door hem telefonisch met [eiseres] besproken. Hierna heeft [eiseres] op 8 juli 2020 via WhatsApp aan [gedaagde 1] bericht: “(…) Alles ziet er top uit zegt ie. Geen probleem voor een sport carrière. Voor zover ze dat kunnen zeggen natuurlijk. Dus ik denk dat we dan een deal hebben!! 2.6. [B] heeft over dit gesprek met [eiseres] op 28 december 2020 schriftelijk verklaard: “Ik heb mevrouw [eiseres] uitgelegd dat ik de beelden van [A] heb vergeleken met onze oorspronkelijke beelden van voor de behandeling. Naar mijn professionele mening mocht het paard naar aanleiding van de verbetering die op de beelden te zien was, in combinatie met de verklaring dat het paard weer normaal getraind en belast werd, weer volledig gebruikt worden als sportpaard. Ik wil nadrukkelijk vermelden dat wij niet gesproken hebben over de risico’s voor de toekomstige sportcarrière van [naam paard] ten gevolge van dit behandelde pees letsel. Mevrouw [eiseres] heeft daar niet naar gevraagd.” 2.7. Op 9 juli 2020 heeft [eiseres] het paard bij [gedaagden] opgehaald. De volgende dag heeft [eiseres] een dikke kogel bij het paard geconstateerd en de daaropvolgende dag was de kogel nog dikker. 2.8. Op 13 juli 2020 heeft de dierenarts van [eiseres] , [C] van Paardenkliniek Hollands Kroon, het paard onderzocht. [C] heeft hierover het volgende gerapporteerd: “(…) Laatste scans zijn door [B] beoordeeld en zou goed genoeg zijn om hem te verkopen. Na 1x longeren en 1x kort rijden echter een dik been RV, met name aan laterale zijde. bevindingen: Scan: nieuw blessure van de laterale tak van de tussenpees met flinke zwelling van de tak. diagnose: RV laterale tak tussenpees advies / therapie: Gezien de nieuwe verscheuring van de laterale tak is de prognose voor gebruik als hoog niveau dressuurpaard slecht. Advies om paard terug te brengen naar de verkoper.” [eiseres] heeft [gedaagden] hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. 2.9. Op 29 juli 2020 heeft [eiseres] dierenarts [D] , van Lingehoeve Diergeneeskunde, het paard laten onderzoeken. [D] heeft hierover gerapporteerd: “(…) Conclusie: Tendinopathie van de laterale schenkel van de Tendo Interosseus van het rechter voorbeen met zowel acute als meer chronische elementen. Prognose: Gezien de uitgebreidheid van de veranderingen is de prognose voor het gebruik in de hogere dressuursport slecht. De echografische beelden van voor/tijdens de keuring zijn mij ter hand gesteld maar waren m.i. onvoldoende te beoordelen. Afgezien van het feit dat echobeelden gemaakt door een ander en met andere apparatuur in het algemeen lastiger te beoordelen zijn waren de beelden erg donker. Een omvangstoename van de getoonde schenkel met enkele hypoechogene gedeelten was wel duidelijk aanwezig. Deze veranderingen bevinden zich in dezelfde regio als de hierboven vermelde blessure en zouden m.i. een verhoogd risico op recidief inhouden. De beelden bestonden uit video-opnamen (…) met als datum 7 juli 2020 zonder locatie aanduiding.” Op 17 juni 2021 heeft [D] schriftelijk nader verklaard dat de peesblessure een duidelijke chronische component heeft en dat het een opflikkering van een oude blessure betreft. 2.10. Per brief van 4 augustus 2020 van haar advocaat heeft [eiseres] aan [gedaagden] de mogelijkheid gegeven om de bij het paard gebleken gebreken binnen zeven dagen na dagtekening van de brief te verhelpen. Daarbij heeft zij de koopovereenkomst bij voorbaat per 11 augustus 2020 ontbonden op grond van non-conformiteit, dan wel vernietigd op grond van dwaling, voor het geval de gebreken niet binnen zeven dagen zijn hersteld. 2.11. [gedaagden] heeft per brief van 10 augustus 2020 gereageerd. Zij betwist dat er sprake is van een grond voor ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst. 2.12. Ter verzekering van haar vordering heeft [eiseres] op 28 september 2020 conservatoir beslag laten leggen op de onroerende zaken van [gedaagden] bij het kadaster bekend als [kadastrale aanduidingen 1] , [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] . 3Het geschil in conventie 3.1. [eiseres] vordert na eiswijziging – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: primair: 1. te verklaren voor recht dat [eiseres] de koopovereenkomst op 11 augustus 2020 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden, dan wel de koopovereenkomst te ontbinden; subsudiair: 2. te verklaren voor recht dat [eiseres] de koopovereenkomst op 11 augustus 2020 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd, dan wel de koopovereenkomst te vernietigen; primair en subsidiair: 3. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] € 30.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2020; 4. [gedaagden] hoofdelijk te gebieden om na betaling van het onder 3. genoemde bedrag het paard bij [eiseres] op te halen, op straffe van een dwangsom; 5. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] € 6.090,39 + PM te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2020 dan wel vanaf de 8e dag na betekening van het vonnis; 6. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.135,90, vermeerderd met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald; 7. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald. 3.2. [eiseres] baseert haar vorderingen primair op non-conformiteit (artikel 7:17 BW). Subsidiar beroept zij zich op dwaling (artikel 6:228 BW). Beide grondslagen hebben tot gevolg dat [gedaagden] het paard moet terugnemen en de koopsom van € 30.000,- moet restitueren. Ook stelt [eiseres] dat [gedaagden] de schade die [eiseres] heeft geleden moet vergoeden, omdat [gedaagden] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst (6:74 en 6:277 BW) dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt (artikel 6:212 BW). Die schade bestaat uit de kosten van de aankoopkeuring, dierenartskosten, stallingskosten, hoefsmidkosten en kosten voor vaccinatie, ontwormen en supplementen. 3.3. [gedaagden] voert aan dat ook de echtgenoot van [eiseres] contractspartij is bij de koopovereenkomst. Daarnaast betwist zij dat er sprake is van non-conformiteit of dwaling. Verder stelt zij dat [eiseres] bij het sluiten van de overeenkomst haar onderzoeksplicht heeft verzaakt door het paard niet te laten keuren en ook niet nogmaals te berijden. Ten slotte bestrijdt [gedaagden] de gevorderde schadeposten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagden] vordert [eiseres] te veroordelen tot: het opheffen van het conservatoire beslag dat rust op de onroerende zaken [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] ; betaling van de proceskosten. 3.6. [eiseres] is van mening dat [gedaagden] geen reconventionele vordering heeft ingediend, omdat dit niet expliciet is benoemd in de conclusie van antwoord. Dit standpunt deelt de rechtbank niet. In de conclusie van antwoord staat onder het kopje ‘Voor Antwoord’ voldoende duidelijk verwoord wat [gedaagden] vordert (zie 3.5.). Bovendien heeft [eiseres] in haar voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie inhoudelijk op deze vordering gereageerd, daaruit blijkt dat ook voor [eiseres] de vordering voldoende duidelijk was. De rechtbank zal die vordering hierna dan ook beoordelen. 3.7. [gedaagden] legt aan haar vorderingten grondslag dat alleen de onroerende zaak [kadastrale aanduidingen 1] al een waarde vertegenwoordigt die het bedrag van € 41.780,-, waarvoor de voorzieningenrechter verlof heeft verleend, ruim te boven gaat, zodat het beslag op de andere twee onroerende zaken onnodig is. 3.8. [eiseres] betwist dat er een grond aanwezig is voor het gedeeltelijk opheffen van het conservatoir beslag. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In conventie De echtgenoot van [eiseres] is geen contractspartij bij de koopovereenkomst 4.1. Volgens [gedaagden] is niet alleen [eiseres] , maar ook haar echtgenoot dan wel zijn bedrijf [naam bedrijf] partij bij de koopovereenkomst. Daartoe stelt zij dat de echtgenoot bij de tweede keer proefrijden door [eiseres] aanwezig was, dat [eiseres] in verschillende WhatsApp-berichten over ‘wij’ spreekt en dat de helft van de koopsom door [naam bedrijf] is voldaan. Volgens [gedaagden] had [eiseres] daarom samen met haar echtgenoot, als mede-koper, deze vorderingen in moeten stellen en – zo begrijpt de rechtbank – is zij, nu ze dit niet gedaan heeft niet ontvankelijk in haar vorderingen. 4.2. [eiseres] betwist dat haar echtgenoot dan wel [naam bedrijf] partij is bij de koopovereenkomst. Hij heeft louter via zijn eenmanszaak – als schenking aan [eiseres] – een deel van de koopsom betaald. Als productie 23 heeft [eiseres] een verklaring overgelegd waarin haar echtgenoot uitdrukkelijk aangeeft het paard niet te hebben gekocht. 4.3. Het verweer van [eiseres] slaagt niet. Dat de echtgenoot een keer aanwezig was bij het bekijken en berijden van het paard door [eiseres] en dat zij in een WhatsApp bericht een enkele keer spreekt over ‘wij’, betekent nog niet dat hij mede-koper is. Het is immers niet ongebruikelijk dat een echtgenoot betrokken is bij een dergelijke (grote) aankoop. Dat de echtgenoot mede-koper is volgt ook niet uit het feit dat hij via zijn eenmanszaak gedeeltelijk de koopsom heeft betaald. Het (gedeeltelijk) betalen van een koopsom maakt iemand immers nog geen partij bij een koopovereenkomst (artikel 6:30 lid 1 BW). Dat het de bedoeling was dat de echtgenoot van [eiseres] zou worden aangemerkt als mede-koper, heeft [gedaagden] in het licht van de betwisting van [eiseres] dus onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt daarom vast dat alleen [eiseres] koper is, en zij dus ontvankelijk is in haar vorderingen. De koop is geen consumentenkoop 4.4. [eiseres] doet geen beroep op de specifiek voor consumentenkoop geschreven bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding deze bepalingen toe te passen. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van partijen op de zitting volgt dat partijen beiden bij de sluiting van de koop niet hebben gehandeld in de uitoefening van beroep of bedrijf. [eiseres] en [gedaagde 1] rijden beiden paard op hoog (amateur)niveau, hebben ervaring met de koop en/of verkoop van paarden en hebben beiden een instructeurlicentie, maar zij hebben geen KvK-inschrijving en verdienen geen (hoofd)inkomen in de paardenbranche. De rechtbank kan nog niet vaststellen of er sprake is van non-conformiteit Inleiding 4.5. Op grond van artikel 7:17 BW moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden (lid 1). Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als zij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, en de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien (lid 2). 4.6. [eiseres] stelt dat het paard niet de eigenschappen bezit die zij mocht verwachten, omdat het paard op het moment van levering op 9 juli 2020 niet volledig genezen was van de peesblessure die in november 2019 is geconstateerd. De peesblessure is na levering weer op gaan spelen, waardoor het paard niet geschikt is voor gebruik als dressuurpaard op hoog niveau, het doel waarvoor [eiseres] het paard heeft gekocht. 4.7. [gedaagden] betwist dat het paard niet aan de koopovereenkomst voldoet. [eiseres] was immers volledig op de hoogte van de in november 2019 geconstateerde peesblessure. Het is een feit van algemene bekendheid in de professionele paardensector dat een dergelijke blessure een verhoogd risico met zich meebrengt, aldus [gedaagden] Ook betwist [gedaagden] dat het paard op het moment van het sluiten van de overeenkomst niet geschikt was voor de dressuursport op hoog niveau. De blessure die het paard nu heeft, kan volgens haar ook ontstaan zijn na de levering. 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat het paard aan [eiseres] is verkocht als dressuurpaard voor de hogere dressuur. Ook staat vast dat het paard vanwege de blessure die hij op dit moment heeft, daarvoor (in elk geval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.