RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 20/1397 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam] en [naam] , eisers ouders (gemachtigde: M.J. Heesakkers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder (gemachtigden: mr. I. Willems en W. van Grinsven). Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw) afgewezen. Bij besluit van 14 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn moeder, [naam] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen De aanvraag 1. Eiser, geboren op [geboortedag] 2015 en bekend met een zeldzame bindweefselaandoening, heeft op 26 februari 2019 een aanvraag ingediend voor jeugdhulp. Het gaat om de voorziening begeleiding individueel voor 42 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te besteden aan zorg verleend door eisers moeder. Het aanvraagformulier is door eisers ouders samen met het Basisteam Jeugd en Gezin Gemeente Oss (BJG) ingevuld. Daarbij luidt de hulpvraag dat eisers moeder zichzelf wil inkopen met een pgb, omdat ze niet kan werken vanwege de fysieke en communicatieve beperkingen van eiser. In de begeleidende e-mail aan verweerder heeft het BJG toegelicht dat eisers ouders en het BJG van visie verschillen over de vraag of het gevraagde pgb op zijn plaats is. Zo stelt het BJG zich in het aanvraagformulier op het standpunt dat eiser veel zorg en aandacht van zijn ouders vraagt en dat de zorg voor hem intensief is. Gezien zijn leeftijd is volgens het BJG 24-uurs toezicht van ouders echter passend, evenals het feit dat hij zorg nodig heeft bij alle dagelijkse activiteiten (slapen, eten, aankleden, zindelijkheid). Verder vermeldt het aanvraagformulier dat volgens de behandelend kinderarts eisers grootste beperking op het gebied van communicatie ligt. Ook heeft eiser fysieke beperkingen waarvoor hij regelmatig naar het ziekenhuis moet, maar dit vereist geen specifieke medische zorg van zijn ouders. Gelet hierop ziet het BJG geen reden om een pgb ten behoeve van eisers moeder te adviseren. Ter afsluiting merkt het BJG op dat het ziet dat eisers moeder zwaar belast is door de zorg voor eiser en dat deze zorg intensief is. Maar eisers moeder zou geen gebruik willen maken van een aanbod om te onderzoeken welke hulp er voor hen mogelijk is ter ontlasting van de opvoedsituatie. De besluitvorming 2. Bij het primaire besluit is eisers aanvraag voor jeugdhulp afgewezen. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat de inzet van de voorziening begeleiding individueel niet noodzakelijk is. Gezien eisers leeftijd wordt 24-uurs toezicht passend bevonden. Dagelijkse activiteiten als slapen, eten, aankleden en zindelijkheid vallen daar volgens verweerder onder. Verweerder heeft vastgesteld dat een tegemoetkoming in de vorm van een pgb de mate van overbelasting van eisers moeder niet verandert. Verweerder stelt verder dat eisers ouders het aanbod om verder onderzoek te doen naar passende (zorg)aanbieders ter ontlasting van de opvoedsituatie hebben afgeslagen. 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat afdoende onderzoek is gedaan naar eisers hulpvraag en dat ook eisers problematiek afdoende duidelijk is. De vraag is of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Bij de beantwoording van deze vraag constateert verweerder dat eisers moeder in staat is de gevraagde hulp zelf te bieden, omdat zij dit ook al zonder pgb doet. Daarnaast stelt verweerder dat het gaat om gebruikelijke zorg voor een kind van drie tot vijf jaar, waarbij verweerder verwijst naar de Beleidsregels Indicatiestelling Wlz 2019. In hoofdstuk 4 van deze beleidsregels staat dat kinderen van drie tot ongeveer vijf jaar overdag voortdurend begeleiding, toezicht en overname van zelfzorg nodig hebben. ’s Nachts hebben zij soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig. Verder handhaaft verweerder zijn standpunt dat een pgb geen effect zal hebben op eventuele overbelasting, aangezien eisers moeder dezelfde zorg zal blijven uitoefenen. Voor wat betreft genoemde financiële problemen, wijst verweerder erop dat een pgb primair niet is bedoeld als inkomensvoorziening voor ouders. Verweerder is dan ook van mening dat hij voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en deugdelijk heeft gemotiveerd dat een individuele voorziening zoals aangevraagd in deze situatie niet noodzakelijk is. Niet is gebleken dat de door eisers moeder geboden zorg redelijkerwijs niet van haar kan worden verwacht. Het standpunt van eiser 4. Eiser voert in beroep aan dat het onderzoek van verweerder slechts heeft bestaan uit het verwijzen naar een besluit dat is genomen in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wlz-aanvraag is afgewezen vanwege gebruikelijke zorg. Eiser merkt op dat verweerder verwijst naar de Wlz en de Wlz verwijst naar verweerder. Eiser stelt dat hij zo geen stap verder komt. Volgens eiser is er sprake van vooringenomenheid bij verweerder. Het heeft er volgens hem alle schijn van dat een huisbezoek alleen voor de vorm wordt ingepland. Er is naar de mening van eiser onvoldoende naar de gezinssituatie gekeken. Eiser stelt dat zijn gezondheidsproblemen en die van zijn vader weliswaar zijn genoteerd en erkend, maar dat deze voor kennisgeving zijn aangenomen. 5. Verder stelt eiser dat hem niet op waarheid berustende verwijten worden gemaakt. Verweerder stelt ten onrechte dat eisers ouders geen gebruik wensen te maken van het aanbod om verder te onderzoeken welke hulp mogelijk is ter ontlasting van de gezinssituatie. Eisers moeder heeft aangegeven wel degelijk een dergelijk onderzoek te willen en dat onderzoek zelfs toe te juichen. Zij heeft daarbij aangegeven dat zorg in natura een probleem zal opleveren, omdat de hulpverlener de gebarentaal machtig dient te zijn. Als die mogelijkheid er is, wenst eisers moeder echter graag zorg in natura, zodat zij zelf haar werk weer kan oppakken. Anders dan verweerder stelt, is eisers aanvraag voor een pgb zeer zeker niet bedoeld als inkomensvoorziening voor zijn moeder. Eisers moeder heeft nu een ziektewet-/werkloosheidsuitkering die op korte termijn zal eindigen. Zij wil graag aan het werk, maar dat is gezien de omstandigheden niet mogelijk. Eiser stelt dat overbelasting van zijn moeder met een pgb kan worden opgevangen door bijvoorbeeld de inhuur van een vakkracht voor vervoer naar school of voor huishoudelijke taken en dergelijke. Voor wat betreft het leerlingenvervoer heeft eiser aangegeven dat zijn moeder heeft aangeboden om een aantal maal mee te rijden om hem te laten wennen, maar dat dit aanbod werd afgewezen omdat zijn moeder niet verzekerd zou zijn. 6. Verder wijst eiser erop dat het bij gebruikelijke zorg gaat om de normale, dagelijkse zorg die ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Bovendien ontbreekt in zijn gezin de balans. Alle zorg voor eiser komt neer op eisers moeder, nu zijn vader als gevolg van twee auto-ongevallen 100% arbeidsongeschikt is. Ook alle huishoudelijke taken komen neer op eisers moeder. Eiser stelt dat er voor zijn moeder geen onderscheid is te maken tussen uitstelbare en niet-uitstelbare taken. Daarnaast ligt het probleemoplossend vermogen bij zijn moeder in plaats van bij beide ouders, aldus eiser. Eiser stelt dat er in zijn geval geen sprake is van gebruikelijke zorg, maar juist van de bijzondere omstandigheden die de wetgever op het oog had bij de Wlz. Het juridische kader 7. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 8. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.