← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:5486

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 21/025 Beslissing van 28 juli 2021 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van [verzoeker] te [woonplaats] (Duitsland) hierna te noemen: verzoeker. strekkende tot de wraking van mr. H.A. van Gameren, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 02/137713-

  1. Verzoeker heeft op 24 januari 2021 ingevolge artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering een verzoek ingediend tot het verrichten van onderzoekshandelingen. Bij beschikking van 22 februari 2021 heeft de rechter (als rechter-commissaris) dit verzoek afgewezen. Bij een e-mail van 8 juni 2021 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend en gesteld dat de rechter partijdig is. Verzoeker heeft op 9 juli een nadere e-mail gestuurd. 2De beoordeling 2.1 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 2.2 Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan (artikel 513 lid 1 Sv). Verzoeker heeft bij e-mail van 8 juni 2021 de rechter heeft gewraakt naar aanleiding van de beschikking van 22 februari
  2. 2.3 De rechtbank oordeelt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is en dat zij daarom niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Bij dat oordeel gebruikt de rechtbank de volgende overwegingen. 2.3.1 Voor het tijdsverloop van ruim 15 weken tussen de beschikking van 22 februari 2021 en de indiening van het wrakingsverzoek op 8 juni 2021 heeft verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Omdat de door verzoeker in zijn e-mails gestelde omstandigheden aanleiding gaven om te veronderstellen dat hij het niet eens is met de procedurele afhandeling van een bezwaarschrift en de strafzaak, heeft de klachtencoördinator van de rechtbank contact met hem gezocht. In de daarop gevolgde telefonische reactie heeft verzoeker evenmin een verklaring gegeven voor het tijdsverloop. Het verzoek is daarom te laat ingediend. 2.3.2 De rechter heeft de beschikking genomen op 22 februari 2021 en is daarna niet meer betrokken geweest bij de behandeling van de zaak. Verzoeker heeft daarom geen belang meer bij het door hem ingediende wrakingsverzoek. 2.3.3 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke beslissing nooit grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. 3De beslissing De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven op 28 juli 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (artikel 515 lid 5 Rv)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.