← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:5740

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: SHE 21/1766DEF mondeling SHE 21/1966 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker, (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder,(gemachtigden: mr. M. Stoof en [naam]). Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van verweerder van 21 december 2020, waarbij verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd. Op grond hiervan moet verzoeker de op het perceel [adres] te [woonplaats] aanwezige bijbehorende bouwwerken verwijderen en verwijderd houden, voor zover deze een oppervlakte van 25 m² te boven gaan. Dit beroep is geregistreerd met zaaknummer SHE 21/

  1. In het besluit van 15 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 21 december 2020 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft, naar aanleiding hiervan, de gronden van het beroep aangevuld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd met zaaknummer SHE 21/
  2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 oktober 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting van 28 oktober 2021 gesloten en vervolgens onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft de volgende beslissing genomen. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 21 december 2020 te herroepen; veroordeelt verweerder in de proceskosten van het beroep en het bezwaar tot een bedrag van € 2.244,00; bepaalt dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht in de beroepszaak van € 181,00 moet vergoeden; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter heeft aan deze beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Overwegingen 1.1 De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. 1.2 Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 2.1 In het bestemmingsplan "[naam]" heeft het perceel van verzoeker de bestemming "[naam]", met de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - permanent wonen toegestaan' en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 100m2'. Op grond van artikel 4 van de planregels zijn de als zodanig aangeduide gronden bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden in de vorm van recreatiewoningen en, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - permanent wonen toegestaan', tevens voor permanente bewoning van bestaande recreatiewoningen door een huishouden. Op grond van artikel 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels bedraagt de gezamenlijke bebouwingsoppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoningen maximaal 25 m². 2.
  3. In artikel 2, aanhef en onder 3, onder g, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits - onder andere - een bepaalde oppervlakte niet wordt overschreden en niet wordt gebouwd aan of bij een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden. 2.3 Verzoeker en verweerder verschillen van mening over de vraag of deze bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, het mogelijk maken dat zonder omgevingsvergunning voor bouwen en strijdig gebruik bijbehorende bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 25 m2 worden opgericht. Volgens verweerder mag de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 25 m2 bedragen. Volgens verzoeker mag hij, gelet op de oppervlakte van het bebouwingsgebied van 500 m2, zonder omgevingsvergunning 110 m2 aan bijbehorende bouwwerken bouwen. Dit ontleent hij aan artikel 2, derde lid, onder f, onder 3o, van Bijlage II bij het Bor. Hij heeft 106 m2 aan bijbehorende bouwwerken, zodat hij niet in overtreding is. 2.4 De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van de planregels permanente bewoning van bestaande recreatiewoningen door een huishouden is toegestaan. Op grond van artikel 2 van Bijlage II bij het Bor is geen omgevingsvergunning voor bouwen en voor afwijkend gebruik nodig, voor een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied aan of bij een bouwwerk dat niet wordt gebruikt ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden. 2.5 Verzoeker en zijn echtgenote bewonen de recreatiewoning op [adres] te [woonplaats] overeenkomstig het bestemmingsplan permanent. Er is dus geen sprake van het gebruik van bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Verder wordt de maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten behoeve van dit gebruik niet overschreden. Van strijd met het bestemmingsplan en van het bouwen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning is dan ook geen sprake. 2.6 Verweerder was, gelet hierop, niet bevoegd om handhavend op te treden en heeft het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 21 december 2020 bij het bestreden besluit dan ook ten onrechte in stand gelaten. 2.7 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 21 december 2020 te herroepen. Dit heeft tot gevolg dat er geen last onder dwangsom meer is waar verzoeker aan moet voldoen. 2.8 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de proceskosten. Deze kosten bedragen, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, € 2.244,00 voor de door verzoekers gemachtigde verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt € 748,00, wegingsfactor 1). 2.9 Ook zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder verzoeker het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden. 2.10 Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen belang meer bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.
  4. De voorzieningenrechter heeft medegedeeld dat, overeenkomstig het aan het einde van dit proces-verbaal vermelde rechtsmiddel, tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober
  5. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.