← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2021:5806

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 20/046 Beslissing van 22 januari 2021 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoeker. 1De procedure Bij beschikking van 31 mei 2019 is aan verzoeker een administratieve sanctie van € 400 opgelegd. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft op 20 februari 2020 een dwangbevel aan verzoeker uitgevaardigd om het openstaande bedrag van € 1.209 te verhalen. Dit dwangbevel is op 26 februari 2020 aan verzoeker betekend. Tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel (met CJIB-nummer 2062 5422 2579 7473) heeft verzoeker op 4 maart 2020 verzet ingesteld. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 9 november 2020 laten weten dat het verzet (met zaaknummer 8365586 MV VERZ 20-5) behandeld zal worden op de zitting van 14 december 2020 te 10:30 uur. Verzoeker heeft bij e-mail van 13 december 2020 om 16:30 uur een wrakingsverzoek ingediend. 2De beoordeling 2.1 Verzoeker heeft in zijn e-mail van 13 december 2020 het volgende vermeld: “Hierbij wraak ik de onderstaande rechter, De reden, de rechtspraak is zo corrupt dat mijn broertje beslist waar de rechter de handtekening onder zet en de rechtbanken zijn bezig om hem daaron te dienen. Er is een schrijven naar de Tweede Kamer gegaan over het van de rechtspraak, mocht daar geen antwoord op komen of een onafdoende ga ik naar een ander rechtsysteem op zoek.” 2.2. De e-mail van verzoeker bevat slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de vooringenomenheid van een rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid, ontbreken. Uit het verzoek blijkt voorts niet dat dit betrekking heeft op de rechter die met de behandeling van de zaak belast is. Een wrakingsgrond moet gelegen zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Verzoeker heeft niet concreet uiteen gezet welke feiten en omstandigheden hij aan zijn verzoek ten grondslag legt. Een beweerd gebrek aan onafhankelijkheid of beweerde corruptie van ‘de rechtspraak’ levert geen grond voor wraking op. Verzoeker heeft niet gemotiveerd waarom de met de beoordeling van de zaak belaste rechter onvoldoende onafhankelijk zou zijn. De rechtbank oordeelt dat het verzoek daarom kennelijk ongegrond is. De mondelinge behandeling van het verzoek kan om die reden achterwege blijven. 4De beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven op 22 januari 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.L.W.M. Viering en mr. F.E. Roll , leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen voorziening open

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.