beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer Zaaknummer: WR 20/043 Beslissing van 4 februari 2021 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van: [verzoeker] wonende te [adres] strekkende tot de wraking van: de behandelende rechter van de strafzaak met parketnummer 01.261800.
- en/of mr. P.J. Appelhof in zijn hoedanigheid van rechter in deze rechtbank. Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechter worden genoemd. Waar een onderscheid moet worden gemaakt tussen de behandelend rechter en mr. Appelhof, zal dit in de tekst tot uitdrukking worden gebracht. 1Het procesverloop. De wrakingskamer heeft onder meer kennisgenomen van: het wrakingsdossier met zaaknummer WR 20/043 dat is aangelegd naar aanleiding van het wrakingsverzoek in de strafzaak; het wrakingsverzoek van verzoeker van 4 december 2020 met bijlagen; de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek. De mondelinge behandeling van het tegen de rechter gerichte wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021 om 13.45 uur. Verzoeker is via een videoverbinding verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen en is ook niet verschenen. 2Het verzoek tot wraking van de rechter en de reactie van de rechter. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter(s) in de strafzaak met parketnummer 01.261800.
- Aan het verzoek is – in de kern genomen – ten grondslag gelegd dat aan verzoeker ten onrechte door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 24 september 2020 een contactverbod is opgelegd, dat de aan hem sinds 2015 opgelegde lokaalverboden onrechtmatig zijn en dat bij beslissing van 17 februari 2020 ten onrechte zijn verzoek tot het horen van getuigen is afgewezen. Verzoeker stelt dat de rechter om deze redenen niet onbevooroordeeld het geschil in de hoofdzaak kan beoordelen. Mr. Appelhof heeft aangegeven dat – voor zover de wraking tegen hem is gericht – hij niet in de wraking berust en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. Uit de stukken is de wrakingskamer onder meer gebleken dat verzoeker op de zitting van 17 februari 2020 heeft terecht gestaan tegen de verdenking in de hiervoor genoemde strafzaak en in die met parketnummers 01.286060.19 en 01.307408.
- Verzoeker heeft op die zitting de behandelend rechter, mr. P.J. Appelhof, verzocht om het door hem gedane verzoek tot het horen van getuigen toe te staan. Dit verzoek is door de rechter afgewezen, waarop de rechter door verzoeker is gewraakt. De wrakingskamer heeft bij beschikking van 28 april 2020 het verzoek tot wraking van de rechter afgewezen, waarna een nieuwe zittingsdatum is gepland voor de behandeling van de strafzaak die bepaald is op 10 december
- Op 4 december 2020 heeft verzoeker onder de hiervoor weergegeven gronden de rechter die op 10 december 2020 de behandeling van zijn strafzaak zou behandelen gewraakt. Uit de stukken is gebleken dat de behandelend rechter mr. S.J.W. Hermans was. De wrakingskamer overweegt dat uit het verzoek niet is gebleken dat dit betrekking heeft op mr. P.J. Appelhof. Uit de toelichting van verzoeker op het verzoek tijdens de zitting heeft de wrakingskamer opgemaakt dat verzoeker niet alleen de rechter maar ook alle rechters in het algemeen heeft bedoeld te wraken. Voor zover dat laatste inderdaad is bedoeld, merkt de wrakingskamer op dat de wet wraking van alle rechters in het algemeen, niet toelaat. Voor zover het verzoek moet worden geacht (mede) te zijn gericht tegen alle rechters, zal de wrakingskamer dit dus niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover moet worden aangenomen dat het verzoek is gericht tegen mr. Appelhof en/of tegen de rechter die op 10 december 2020 de zaak behandelde, geldt dat verzoeker geen stellingen heeft aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat zich bijzondere omstandigheden voordoen om te veronderstellen dat ofwel mr. Appelhof ofwel de behandelend rechter op 10 december 2020 partijdig is in de strafzaak of de schijn in dat verband tegen heeft. Voor zover het wrakingsverzoek zich richt tegen mr. P.J. Appelhof, stelt de wrakingskamer vast dat na het afgewezen verzoek tot wraking van mr. P.J. Appelhof, er feitelijk niets anders is gebeurd dan dat er een nieuwe zittingsdatum is gepland. Hieruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is noch dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voor het overige is de grondslag van het wrakingsverzoek in essentie gelijk aan de redenen die aan de eerdere wraking ten grondslag zijn gelegd en die uiteindelijk hebben geleid tot de afwijzende beschikking van 28 april 2020 van de wrakingskamer. Aangezien ten opzichte daarvan door verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, hetgeen door verzoeker op de zitting is beaamd, kan het wrakingsverzoek in zoverre niet slagen. De inhoudelijke beslissingen omtrent onder meer de rechtmatigheid van de sinds 2015 geldende lokaalverboden en de beslissing van 24 september 2020 kunnen geen grond voor wraking opleveren. Zoals de wrakingskamer in de uitspraak van 28 april 2020 ook heeft overwogen, geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat de inhoud van een rechtelijke (tussen) geen grondslag voor wraking kan opleveren. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen. De wrakingskamer oordeelt tot slot dat verzoeker het middel van de wraking kennelijk gebruikt wordt voor een evident ander doel dan waarvoor het is bedoeld. Nu dit het tweede verzoek is in dezelfde strafzaak en dit verzoek is gebaseerd op nagenoeg dezelfde gronden als in het eerste verzoek waren opgenomen, concludeert de wrakingskamer dat sprake is van misbruik van recht. De wrakingskamer zal om die reden bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de strafzaak met parketnummer 01.261800.19 niet in behandeling zal worden genomen. 4De beslissing De wrakingskamer: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van alle rechters in het algemeen; - wijst het verzoek tot wraking van mr. P.J. Appelhof en/of de behandelend rechter op 10 december 2020 af; - bepaalt dat de procedure in de strafzaak met parketnummer 01.261800.19 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; - bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de strafzaak met parketnummer 01.261800.19 niet in behandeling zal worden genomen. Deze beslissing is gegeven door: mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. S.M.J. Korthuis-Becks, leden, in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari
- de griffier: de voorzitter: de griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.