RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/2256 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2021 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.A.P.M. Theunen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, verweerder (gemachtigden: mr. J.J.E Hendriksen en mr. H.J.M. Marcus). Procesverloop Bij brief van 9 september 2020 heeft verweerder een sloopmelding voor het slopen van een woning met bijbehorende opstallen aan het adres [adres] geaccepteerd. Bij besluit van 3 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze sloopmelding niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 19 november
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Stichting [naam] heeft op 7 september 2020 een sloopmelding ingediend voor de sloop van de in het procesverloop genoemde opstallen. Deze melding is op 9 september 2020 geaccepteerd onder de voorwaarde dat met de start van de sloop kan worden gestart zodra er sprake is van een goedgekeurd veiligheidsplan. Voorts dient de aanvang van de sloop minimaal twee werkdagen van tevoren bij de gemeente te worden gemeld. Op de locatie [adres] rust op grond van het bestemmingsplan “Koolenkampen - Iepenlaan” uit 2009 de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de acceptatie van de sloopmelding op zichzelf geen appellabel besluit is en dat eiser de aanvullende voorwaarde niet heeft aangevochten.
- Eiser merkt in zijn beroepschrift onder meer op dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om het bezwaarschrift aan te vullen en dat verweerder in het bezwaarschrift een verzoek had kunnen lezen dat nadere voorwaarden aan de sloop hadden moeten worden verbonden. Eiser heeft ook aangevoerd dat voor de sloop mogelijk een omgevingsvergunning vereist is.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift tijdig is ingediend nu het op de laatste dag van de beroepstermijn ter post is bezorgd.
- Voordat de rechtbank kan toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep, zal zij eerst moeten beoordelen of eiser nog wel belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit (procesbelang) nu de sloop al heeft plaatsgevonden. Volgens de rechtbank is dit niet het geval. Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij geen schade heeft geleden door de sloop. Eiser heeft in de bezwaarfase geen vergoeding verzocht van de kosten van juridische bijstand.
- Dan resteert de vraag wat eiser zou kunnen bereiken in deze procedure bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De sloop is namelijk al uitgevoerd. De rechtbank leest in het bezwaarschrift geen verzoek tot het stellen van verdere voorwaarden aan de sloop (dus daar valt ook niets te bereiken), noch een bezwaar tegen de voorwaarden aan de acceptatie van de sloopmelding. Verder heeft verweerder in dit verband terecht opgemerkt dat eisers verwijzing naar de archeologische bescherming in het bestemmingsplan niet leidt tot de noodzaak voor een sloopvergunning. Voor zover eiser van mening is dat ook een aanlegvergunning is vereist voor de sloopwerkzaamheden, kan hij om handhaving verzoeken maar er is geen onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) tussen de acceptatie van een sloopmelding en een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1, onder b, van de Wabo. Ook op dat vlak valt in deze procedure niets te bereiken.
- Overigens vindt de rechtbank het opmerkelijk dat een bezwaarschrift na zeven maanden zonder hoorzitting (dus kennelijk) niet ontvankelijk wordt verklaard. Eiser merkt terecht op dat het voor verweerder niet zo kennelijk was, anders had verweerder er geen zeven maanden over hoeven doen.
- Het beroep is niet-ontvankelijk omdat er geen procesbelang is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van een der partijen.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier op 19 november
- griffier de rechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.