RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/712 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2021 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en Senzer namens burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo, verweerder (gemachtigde: mr. D. Slegers). Procesverloop Bij besluit van 1 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand voor het levensonderhoud op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Bij besluit van 1 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Eiser is woonachtig op het adres [adres] . Tot 16 september 2020 was eiser eigenaar van [bedrijf] in Eindhoven, gevestigd in een gehuurde bedrijfsruimte. Met deze onderneming is hij gestopt (onder meer) als gevolg van de coronacrisis. Per 17 september 2020 is de onderneming uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Eiser heeft nog een huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte van [bedrijf] tot 1 september 2024. Verhuurder [bedrijf] is ermee akkoord gegaan dat eiser de bedrijfsruimte tot 1 september 2024 onderverhuurt aan onderhuurder [naam] . 2. Eiser heeft over de periode 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020 bijstand ontvangen op grond van de Tijdelijke Ondersteuningsmaatregel Zelfstandig Ondernemers (Tozo). 3. Eiser heeft op 25 september 2020 een aanvraag gedaan om bijstand voor het levensonderhoud op grond van de Pw. 4. Verweerder heeft eiser onder meer bij brief van 24 november 2020 om aanvullende gegevens gevraagd in het kader van deze aanvraag van eiser, waaronder: - een verifieerbare verklaring met betrekking tot het verschil in de huur die eiser betaalt aan verhuurder [bedrijf] (€ 1.086,33) en de huur die hij in rekening brengt (€1.449,33) aan [naam] ( [bedrijf] ). 5. Op 1 december 2020 heeft er een nader intakegesprek plaatsgevonden tussen verweerder en eiser, waarbij eiser uitleg heeft gegeven over de (onder)verhuurconstructie en de ontvangen gelden. 6. Verweerder heeft het onderzoek naar eisers bijstandsaanvraag vervolgens afgerond en de bevindingen in dat kader neergelegd in zijn ‘Rapportage aanvraag levensonderhoud Participatiewet’ gedateerd op 1 december 2020. 7. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers bijstandsaanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat eiser volgens verweerder maandelijks een bedrag van € 1.449,33 aan inkomsten ontvangt en de volledige beschikkingsmacht heeft over deze inkomsten. Deze inkomsten liggen hoger dan de voor hem relevante bijstandsnorm en aldus heeft eiser geen recht op bijstand. Bestreden besluit 8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van zijn bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser kan vrijelijk over de huurinkomsten beschikken. Het feit dat hij contractueel verplicht is om huur te betalen aan verhuurder [bedrijf] maakt dit niet anders. Het hebben van profijt is immers geen toetsingscriterium. Volgens verweerder is er op grond van vaste rechtspraak geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Standpunt eiser 9. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiser is contractueel gebonden aan de huur van de bedrijfsruimte tot september 2024. Eiser onderverhuurt deze bedrijfsruimte, met toestemming van de verhuurder, aan de onderhuurder voor hetzelfde bedrag als hij moet betalen aan de verhuurder, namelijk € 1.086,33 per maand. Voor bijkomende diensten en leveringen is een bedrag van € 363,- per maand overeengekomen. Dit is hetzelfde bedrag als eiser verschuldigd is voor gas, water en elektriciteit. Eiser kan daarom niet (redelijkerwijs) beschikken over de huurinkomsten, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Pw. Beoordeling rechtbank 10. De door de rechtbank te beoordelen periode betreft 25 september 2020 (meldingsdatum) tot 1 december 2020 (datum primaire besluit). 11. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden de door eiser ontvangen huurinkomsten als inkomen heeft aangemerkt op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw – en daarbij de door hem verschuldigde huur niet als kosten die hier in mindering op kunnen worden gebracht – met als gevolg dat eiser wegens inkomsten boven de voor hem relevante norm niet in aanmerking komt voor bijstand. 12. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 13. De term beschikken moet volgens vaste jurisprudentie zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om het middel feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:70. 14. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit vermogen en inkomsten uit verhuur dan wel naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. 15. Artikel 19, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, bepaalt dat een alleenstaande recht heeft op algemene bijstand indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.