vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/997520-16 Datum uitspraak: 23 december 2021 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren [geboortejaar 1] 1956, postadres [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2018, 10 november 2020, 1 december 2020, 14 mei 2021, 1 juni 2021, 9, 10, 11, 15, 16, 18, 22, 23 november 2021 en 9 december 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. 1De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 december 2017. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 10 november 2020 gewijzigd. De tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht (bijlage I). Ten gevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan in feit 5, staat in regelnummer 2 van dat feit vermeld ‘tot en met 29 oktober 2016’ in plaats van ‘tot en met 29 november 2016’. De rechtbank herstelt deze schrijffout en leest het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. Voor zover verder in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 2Inleiding. In een RIEC-verband, een samenwerking tussen verschillende opsporings-, vervolgings-, en overheidsinstanties, luidden in 2014 de alarmbellen toen bij een aankoop van een jachthaven in Loosdrecht een financiering werd gebruikt van een rechtspersoon uit Hong Kong, te weten [medeverdachte 1] . Na enig doorspitten werd duidelijk dat sprake was van meerdere financieringen door deze rechtspersoon in Nederland, Frankrijk en Spanje van in totaal meer dan € 35.000.000, -. Dit gegeven heeft uiteindelijk geleid tot het onderzoek genaamd [naam onderzoek] . In het onderzoek [naam onderzoek] zijn behalve [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de volgende rechtspersonen als verdachten aangemerkt: - [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ); - [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ); - [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ); - [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ); - [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ). [verdachte] wordt naar aanleiding van het onderzoek – kort gezegd – beschuldigd van: - feitelijk leidinggeven aan witwassen gepleegd door [medeverdachte 3] / [medeverdachte 1] , dan wel medeplegen van witwassen (feiten 1 en 2); - feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte gepleegd door [medeverdachte 1] , dan wel medeplegen van valsheid in geschrifte (feit 3); - feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrifte gepleegd door [medeverdachte 6] , dan wel medeplegen van valsheid in geschrifte (feit 4); - feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste belastingaangiften gepleegd door [medeverdachte 6] , dan wel medeplegen van het doen van valse belastingaangiften (feit 5). 3De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen, waarover hierna meer. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. 4Bespreking van de ontvankelijkheidsverweren. Door de verdediging zijn diverse verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie raken of zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. Deze verweren worden hier besproken. 4.1 Rechtsmacht ten aanzien van feit 3. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de vervolging van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte onder 3. Daartoe voert de verdediging aan dat de Nederlandse strafwet niet van toepassing kan zijn, nu [medeverdachte 1] geen Nederlandse rechtspersoon is (als bedoeld in art. 7 Sr) en het opstellen en ondertekenen van de leningsovereenkomsten niet in Nederland heeft plaatsgevonden (als bedoeld in art. 2 Sr), maar in Hong Kong respectievelijk Hong Kong en Taiwan. De stelling dat de locus delicti ook in Nederland ligt, doordat [verdachte] en [medeverdachte 2] vanuit Nederland feitelijk leidinggeven aan [medeverdachte 1] is onjuist. Ten eerste omdat in Nederland geen zaken worden gedaan voor [medeverdachte 1] en ten tweede omdat het feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon in het strafrecht geen grondslag voor rechtsmacht geeft. Hong Kong is de enige locus delicti nu de leningsovereenkomst door [medeverdachte 1] in Hong Kong is opgesteld. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het territorialiteitsbeginsel (art. 2 Sr) ten aanzien van [medeverdachte 1] van toepassing is nu de aan [medeverdachte 1] verweten valsheid in geschrifte mede heeft plaatsgevonden in Nederland en de feitelijke vestigingsplaats van [medeverdachte 1] Nederland is. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kunnen gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 Sr ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. Om rechtsmacht te kunnen aannemen moet het daarbij gaan om hetzelfde feitencomplex. In dat geval geldt de rechtsmacht voor het gehele feitencomplex. De rechtbank komt op grond van de volgende rechtsoverwegingen tot het oordeel dat daarvan sprake is. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] met [verdachte] en [medeverdachte 2] Nederlandse aandeelhouders heeft, die ook na de overdracht van de aandelen aan [neef verdachte] door middel van Declarations of Trust de begunstigden zijn gebleven. Daarnaast liggen de leningsovereenkomsten tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] ten grondslag aan leningen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] . Ook [medeverdachte 3] betreft een Nederlands bedrijf met [medeverdachte 2] als middellijk aandeelhouder en afwisselend [medeverdachte 2] of [verdachte] als directeur. [medeverdachte 3] leent de gelden vervolgens uit aan de partijen die in de ten laste gelegde leningsovereenkomsten staan vermeld. Onder die partijen bevindt zich onder andere de Nederlandse B.V. ‘ [bedrijf 3] ’ en de bestemming betreft onder meer de financiering van hotelprojecten in Nederland. Bovendien schuilt de verdenking van valsheid in geschrifte juist hierin, dat niet de buitenlandse [neef verdachte] , maar de Nederlandse [verdachte] en/of [medeverdachte 2] degenen zijn die verantwoordelijk zijn voor de in de leningsovereenkomsten genoemde geldstromen naar [medeverdachte 1] . De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de ten laste gelegde leningsovereenkomsten (mede) feitelijke uitwerking hadden in Nederland. Het gaat immers om geldstromen die via Nederland gaan en deels ook hun bestemming hadden in Nederland. Hierdoor wordt Nederland als pleegplaats van dit feit aangemerkt en komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op grond van het ontbreken van rechtsmacht – een verweer dat overigens tevens een verweer impliceert tegen de bevoegdheid van de rechtbank – wordt verworpen. 4.2 Start onderzoek en de heimelijke doorzoeking. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest en dat de heimelijke doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden. De verdediging voert daartoe aan dat PV 26 onvoldoende grond biedt om [verdachte] , [medeverdachte 2] en de firma’s aan te merken als verdachten in de zin van art. 27 Sv. De inhoud van het PV 26 is uitsluitend gebaseerd op niet onderbouwde aannames. Zonder redelijke verdenking is het Openbaar Ministerie onderzoek gaan doen en heeft zij op oneigenlijke gronden een heimelijke doorzoeking gedaan. Nu er geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit of feiten (redelijk vermoeden van schuld) zijn de in het kader van de opsporing toegepaste opsporingsmiddelen onrechtmatig toegepast. Nu het gaat om een veelvoud aan onrechtmatige opsporingsbevoegdheden is naar het oordeel van de verdediging ook het recht op een eerlijk proces in ernstige mate geschonden, hetgeen primair moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel subsidiair tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair tot strafvermindering. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de inhoud van PV 26 de verdenking kan dragen en dat daarmee voldoende gronden aanwezig waren voor de start van het onderzoek. Op grond van deze verdenking heeft ook de heimelijke doorzoeking plaatsgevonden. Bij de inzet van de heimelijke doorzoeking zijn de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen. Er is geen sprake van een vormverzuim of anderszins onrechtmatig optreden. Het oordeel van de rechtbank. De aan de start van het onderzoek gelegen verdenking is vastgelegd in PV 26 van 17 december 2015. De rechtbank heeft bij herhaling vastgesteld dat de inhoud van PV 26 voldoende verdenking oplevert richting [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ter zake witwassen. Zo heeft de rechtbank in de processen-verbaal van de zitting van 22 januari 2018 in de zaken van [verdachte] en [medeverdachte 2] reeds opgemerkt dat op grond van de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in PV 26 (samengevat op pagina 17 en 18 van dat
- pv)er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. De gehanteerde indicatoren voor witwassen zijn voldoende objectief en bovendien internationaal erkend, zodat op grond daarvan een onderzoek kon worden gestart. De rechtbank ziet in het nu door de verdediging herhaalde verweer geen nieuwe gronden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank stelt verder vast dat al in PV 26 melding wordt gemaakt van een groot aantal binnenlandse en buitenlandse bedrijven waarbij de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] betrokken zijn, waaronder de latere verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Op een later moment wordt de verdenking van witwassen uitgebreid met een verdenking van overtreding van de Wet op het financieel toezicht, zie PV 406 van 6 juli 2016 met betrekking tot de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] . Later ontstaat deze verdenking ook richting [medeverdachte 2] , zie PV 1136 van 22 september 2017. De verdenkingen omschreven in PV 26 en PV 406 vormen de basis voor de start van het onderzoek en het inzetten van (bijzondere) opsporingsmiddelen, waaronder de heimelijke doorzoeking die plaats heeft gehad op 19 maart 2017. Uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] meerdere dagen per week in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] te Gennep verbleven en dat in het bedrijfspand administratie van verdachten ( [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) werd bewaard. Om nader inzicht te kunnen krijgen over de herkomst van het uitgeleende geld, de facturen- en goederenstromen, de afnemers van [medeverdachte 1] en [bedrijf 11] (de eenmanszaak van [medeverdachte 2] ) en de bankrekeningen van verdachten, was het kennelijk nodig die administratie in te zien. Bij de heimelijke doorzoeking zijn kopieën van digitale en fysieke stukken gemaakt. Gelet op het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachten was de heimelijke doorzoeking rechtmatig. Dat op het adres [adres 1] te Gennep eveneens administratie is gekopieerd van de op dat moment nog niet verdachte rechtspersoon [medeverdachte 6] , doet aan de rechtmatigheid van de heimelijke doorzoeking niet af. De inzet van deze opsporingsbevoegdheid was immers niet specifiek op haar gericht. Het is inherent aan een strafrechtelijk onderzoek dat in de loop van een onderzoek nieuwe inzichten ontstaan en dat verdenkingen zich kunnen uitbreiden dan wel komen te vervallen. In het onderzoek [naam onderzoek] heeft nader onderzoek geleid tot een overzichtelijker beeld van de concernstructuur van de bedrijven waarbij [verdachte] en [medeverdachte 2] betrokken zijn. In PV 1023 van 16 mei 2017 worden nieuwe onderzoeksresultaten uiteengezet die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen richting [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Tot slot wordt in PV 1033 van 13 juni 2017 uiteengezet op basis waarvan [medeverdachte 6] wordt verdacht van fiscale fraude en valsheid in geschrifte. De administratie van [medeverdachte 6] is gekopieerd in het kader van het onderzoek naar witwassen door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De tegen [medeverdachte 6] ontstane verdenking van fiscale fraude en valsheid in geschrifte is aan te merken als bijvangst van een tegen een andere verdachte ingezet opsporingsmiddel. Uiteindelijk vindt op 10 oktober 2017 de formele actiedag plaats waarbij doorzoekingen plaatsvinden op verschillende locaties, waaronder de [adres 1] in Gennep. Op deze datum wordt het eerder bij de heimelijk doorzoeking vastgelegde materiaal formeel in beslag genomen. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van een onrechtmatige start van het onderzoek dan wel van een onrechtmatige heimelijke doorzoeking of anderszins onrechtmatig toegepaste opsporingsbevoegdheden. De verweren strekkende tot niet- ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden verworpen. Gezien de conclusie dat er geen vormen zijn verzuimd, zijn bewijsuitsluiting of strafvermindering op grond van hetzelfde verweer ook niet aan de orde. 4.3 Start strafrechtelijk financieel onderzoek. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie eveneens zonder gerechtvaardigde basis een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) heeft aangevraagd. Het oordeel van de rechtbank. Op vordering van de officier van justitie zijn op 21 juni 2017 door de rechter-commissaris machtigingen SFO verleend ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat op 21 juni 2017 sprake was van een redelijk vermoeden van schuld op basis van de inhoud van PV 26, PV 1023 en PV 1033. Daarnaast was sprake van verdenkingen die gelet op hun aard vroegen om een SFO. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van een onrechtmatige start van het SFO. Het verweer wordt verworpen. 4.4. Schending onschuldpresumptie en koerswijzigingen. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt dat voor het Openbaar Ministerie vaststond dat verdachten schuldig waren en dat het Openbaar Ministerie steeds op zoek is gegaan naar nieuwe strafbare feiten op het moment dat eerdere verdenkingen onjuist bleken te zijn. Het Openbaar Ministerie is in het requisitoir opnieuw van koers gewijzigd door daarin te stellen dat het gehele vermogen van [verdachte] en [medeverdachte 2] afkomstig is uit een onbekend gronddelict. Door deze koerswijzigingen wist de verdediging nauwelijks waartegen zij zich moest verdedigen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de aard van de verdenking voor de verdediging duidelijk was. Het 6-stappenplan is reeds uitgewerkt in het overzichtsproces-verbaal I en tijdens de verhoren van verdachten is ingegaan op het 6-stappenplan. Ook wordt in het rapport van [persoon 14] , dat door de verdediging is ingebracht, het 6-stappenplan benoemd. Het oordeel van de rechtbank. Opnieuw overweegt de rechtbank dat het inherent is aan een strafrechtelijk onderzoek dat het onderzoeksteam gedurende het onderzoek tot nieuwe inzichten komt en dat de verdenkingen zich kunnen uitbreiden of concretiseren. Duidelijk is dat het onderzoek zich vanaf de start heeft gericht op witwassen. In dat kader is onderzoek gedaan naar de mogelijke herkomst van het geld dat door [medeverdachte 1] is uitgeleend. Dit onderzoek heeft volgens het Openbaar Ministerie niet geleid tot een legale bron voor de herkomst van het geld of tot concrete strafbare feiten die dat geld hebben opgeleverd. Op dat moment komt het 6-stappenplan in beeld. Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat de aard van de verdenking volstrekt helder was en dat van een koerswijziging of schending van de onschuldpresumptie geen sprake is geweest. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tevens van oordeel dat het voor de verdediging van meet af aan en gedurende het gehele onderzoek voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting en tijdens het onderzoek ter terechtzitting duidelijk is geweest op welke feiten de vervolging zag. De verdediging is naar het oordeel van de rechtbank niet geconfronteerd met zodanige koerswijzigingen dat het voor de verdediging niet meer helder was waartegen zij zich moest verdedigen. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van schending van de onschuldpresumptie en van onrechtmatige koerswijzigingen. De verweren worden verworpen. 4.5 Toepassing dwangmiddelen. Het standpunt van de verdediging. De verdediging stelt dat de verdachte onder onmenselijke druk is gezet door de alomvattende beslagleggingen en de zeer vrijheidsbeperkende schorsingsvoorwaarden. Het recht op een eerlijk proces is hiermee in ernstige mate geschonden, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt dat de schorsingsovereenkomst op vrijwillige basis tot stand is gekomen. De verdediging is bij het opstellen van de schorsingsovereenkomst bijgestaan door een advocaat. De schorsingsovereenkomst die tussen partijen is overeengekomen, is vervolgens overgenomen door de rechtbank. Van onmenselijke druk is geen sprake. Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de inzet van dwangmiddelen rechtmatig is geweest. Het zijn van verdachte in een strafrechtelijk onderzoek brengt naar het oordeel van de rechtbank altijd een bepaalde druk met zich mee. De aard van de verdenkingen en het door het Openbaar Ministerie berekende geldelijke nadeel rechtvaardigen de omvangrijke beslagleggingen en de vrijheidsbeperkende schorsingsvoorwaarden, waar de verdachten overigens contractueel mee hebben ingestemd. De inbeslagneming, de voortduring daarvan en de schorsingsvoorwaarden, zijn via de gerechtelijke procedures die daarvoor openstaan, getoetst en rechtmatig bevonden. Van onaanvaardbare druk is in onderhavig onderzoek niet gebleken. Het verweer wordt verworpen. 4.6 Fair trial as a whole. Uit het voorgaande volgt dat de verschillende verweren – elk op zich genomen – zijn verworpen. Van vormverzuimen is geen sprake. Ook anderszins is niet gebleken van onrechtmatigheden of een handelen in strijd met een van de bepalingen uit artikel 6 EVRM. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een – as a whole – fair trial in de zin van artikel 6 EVRM. 5Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan. 5.1 De bewijsmiddelen. Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage II bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank baseert haar oordeel op de in deze bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen. Omwille van de leesbaarheid en controleerbaarheid, heeft de rechtbank ook voetnoten opgenomen in haar overwegingen. De voetnoten verwijzen naar de bewijsmiddelen die in bijlage II staan en naar niet in de bewijsmiddelen vermelde feiten en omstandigheden, die de rechtbank redengevend heeft gevonden. 5.2 Feiten 1 en 2. Hieronder zullen de feiten 1 en 2 gelet op de samenhang gecombineerd besproken worden. In voetnoten zal worden aangegeven waar de betreffende informatie in brondocumenten staat. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 3] , al dan niet met anderen, $ 13.500.000,- en € 6.150.000,- heeft geleend van [medeverdachte 1] , vervolgens heeft uitgeleend aan derden en – nadat zij het uitgeleende geld had terugontvangen – € 17.699.994,56 heeft overgemaakt naar [medeverdachte 1] , terwijl zij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, uit enig misdrijf afkomstig waren. [verdachte] en [medeverdachte 2] worden ervan verdacht hiertoe opdracht te hebben gegeven of hieraan feitelijk leiding te hebben gegeven. Het gaat om de periode van 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011. Voorts stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] , al dan niet met anderen, $ 13.500.000,- en € 6.150.000,- heeft uitgeleend aan [medeverdachte 3] en € 17.699.994,56 heeft terugontvangen, alsmede € 4.500.000,- heeft uitgeleend aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Voor alle geldstromen geldt volgens Openbaar Ministerie dat [medeverdachte 1] wist dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, uit enig misdrijf afkomstig waren. [verdachte] en [medeverdachte 2] worden ervan verdacht opdracht te hebben gegeven of feitelijk leiding te hebben gegeven. Het gaat om de periode van 1 juli 2007 tot en met 26 mei 2017. Het standpunt van de verdediging. De verdediging betwist niet dat de leningen zijn verstrekt, dat de geldbedragen zijn uitbetaald en – al dan niet gedeeltelijk – weer zijn terugontvangen. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat dat deze gang van zaken geen witwassen oplevert, omdat het geld volgens de verdediging niet afkomstig is uit enig misdrijf. Daarvoor is volgens de verdediging in elk geval geen bewijs. Er zijn volgens de verdediging uitsluitend rechtmatige, zakelijke transacties geweest. Het oordeel van de rechtbank. Over de rechtspersonen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is opgericht in Hong Kong in 1997. [medeverdachte 1] is officieel gevestigd op het adres van [bedrijf 2] in Hong Kong. [bedrijf 2] , oftewel [bedrijf 2] , vertegenwoordigt [medeverdachte 1] in Hong Kong, bewaart officiële documenten, houdt statutaire wijzingen bij en is contactpersoon voor de overheid van Hong Kong. Voor bedrijven die zich in Hong Kong vestigen, is het een vereiste om een [bedrijf 2] te hebben. De rechtbank put regelmatig uit documenten die bij [bedrijf 2] zijn bewaard (de uitvoeringsstukken uit Hong Kong). De activiteit van [medeverdachte 1] is het verstrekken van financieringen. [medeverdachte 1] wordt gerund door de Nederlandse [verdachte] en [medeverdachte 2] en richt zich nagenoeg volledig op de Nederlandse markt. De rechtbank komt daar hierna op terug. [medeverdachte 3] is opgericht in Nederland in 1989 en is gevestigd in Gennep. De activiteiten van [medeverdachte 3] zijn volgens het uittreksel uit de kamer van Koophandel: “Het verkrijgen, vervreemden, exploiteren en beheren van roerende en onroerende zaken alsmede vermogenswaarden van welke aard ook, het deelnemen in en financieren van en het beheren en administreren van andere vennootschappen en ondernemingen alsmede het directie voeren daarover.” Beoordelingskader. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" uit de delictsomschrijving van witwassen, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp – bijvoorbeeld een geldbedrag – afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een concreet misdrijf, bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het voorwerp. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar de gestelde herkomst van het voorwerp waar de verdenking betrekking op heeft. Als uit de resultaten van een dergelijk onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden, kan tot een bewezenverklaring van witwassen worden gekomen. De rechtbank gaat eerst in op de verschillende geldstromen die in de tenlastelegging staan. De rechtbank benoemt daarbij de leningsovereenkomsten, de voorwaarden waaronder die zijn gesloten en de bijzonderheden omtrent de verplaatsing van de geldbedragen. Tevens staat de rechtbank stil bij de vraag wie de directeuren en aandeelhouders van de rechtspersonen waren op het moment dat de concrete gedragingen werden verricht. Tot slot gaat de rechtbank in op de vraag of enig misdrijf ten grondslag heeft gelegen aan (een deel van) het vermogen dat voor een en ander is aangewend. De geldstroom [medeverdachte 1] – [medeverdachte 3] – [bedrijf 3] De geldstroom [medeverdachte 1] – [medeverdachte 3] – [bedrijf 4] De geldstroom [persoon 2] – [medeverdachte 3] – [medeverdachte 1] De rechtbank zal [bedrijf 3] hierna aanduiden als [bedrijf 3] en [bedrijf 4] als [bedrijf 4] . Van 1 juli 2007 t/m 6 november 2007 [medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 3] een bedrag van $ 13.500.000,- geleend. Hiervoor is een leningsovereenkomst opgemaakt, die op 6 november 2007 in Hong Kong is ondertekend door [persoon 1] namens [medeverdachte 1] en door [verdachte] namens [medeverdachte 3] . In deze overeenkomst staat: dat de leningsovereenkomst is opgemaakt op 1 juli 2007; dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] maximaal $ 13.500.000,- beschikbaar stelt ter financiering van “ [bedrijf 3] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] ”; dat [medeverdachte 3] 8% rente per jaar verschuldigd is, berekend op basis van het dagelijkse saldo van de leningsrekening; dat [medeverdachte 3] bij ondertekening van de leningsovereenkomst alle rechten uit haar overeenkomst met [bedrijf 3] overdraagt aan [medeverdachte 1] , inclusief de eerste hypotheek en de persoonlijke borgstelling van [persoon 2] . Van 1 augustus 2007 t/m 6 november 2007 [medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 3] een bedrag van € 6.150.000,- geleend. Hiervoor is een leningsovereenkomst opgemaakt, die op 6 november 2007 in Hong Kong is ondertekend door [persoon 1] namens [medeverdachte 1] en door [verdachte] namens [medeverdachte 3] . In deze overeenkomst staat: dat de leningsovereenkomst is opgemaakt op 1 augustus 2007; dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] maximaal € 6.150.000,- beschikbaar stelt ter financiering van “ [bedrijf 4] , [bedrijf 7] ”; dat [medeverdachte 3] 8% rente per jaar verschuldigd is, berekend op basis van het dagelijkse saldo van de leningsrekening; dat [medeverdachte 3] bij ondertekening van de leningsovereenkomst alle rechten uit haar overeenkomst met [bedrijf 4] overdraagt aan [medeverdachte 1] , inclusief de eerste en derde hypotheek en de persoonlijke borgstelling van [persoon 2] . 21 augustus 2007 [medeverdachte 3] heeft aan [bedrijf 3] een bedrag van $ 13.500.000,- geleend. Hiervoor is een leningsovereenkomst opgemaakt, die op 21 augustus 2007 in Gennep is ondertekend door [verdachte] namens [medeverdachte 3] en door [persoon 2] namens [bedrijf 3] . In deze overeenkomst staat: dat [medeverdachte 3] aan [bedrijf 3] een lening verstrekt ter hoogte van $ 13.500.000,- ter financiering van de verbouw en verruiming van het voormalige terrein van de [bedrijf 8] met verscheidene gebouwen, munitiebunkers en hallen in een hotelcomplex; dat de uitbetaling van $ 8.100.000,- plaatsvindt in één bedrag binnen 30 dagen na ondertekening van de leningsovereenkomst, op de rekening van [bedrijf 9] , [rekeningnummer 1] bij de ABN Amrobank Zwolle in Nederland; dat ten gunste van [medeverdachte 3] hypotheek wordt gevestigd bij het kadaster van [bedrijf 9] blad 5955, 5961, 5970 en 6016; dat uitbetaling van $ 5.400.000,- plaatsvindt na voltooiing van het hotelcomplex en kennisgeving van die voltooiing; dat het rentepercentage 9% per jaar bedraagt en dat de verschuldigde rente elk kwartaal op [rekeningnummer 2] van ING Bank te Nijmegen wordt overgemaakt, dat de totale lening in één som terugbetaald moet worden; dat ter verdere zekerheid de heer [persoon 2] tegenover [medeverdachte 3] een hoofdelijke aansprakelijke borgstelling op zich neemt ter hoogte van $ 13.500.000,-; dat [bedrijf 3] [medeverdachte 3] van alle publieke heffingen en verdere lasten in verband met deze leningsovereenkomst zal ontheffen. 21 augustus 2007 [medeverdachte 3] heeft aan [bedrijf 4] een bedrag van € 6.150.000,- geleend. Hiervoor is een leningsovereenkomst opgemaakt, die op 21 augustus 2007 in Gennep is ondertekend door [verdachte] namens [medeverdachte 3] en door [persoon 3] namens [bedrijf 4] . In deze overeenkomst staat: dat [medeverdachte 3] aan [bedrijf 4] een lening verstrekt ter hoogte van € 6.150.000,- ter financiering van de verbouw en verruiming van de voormalige kerncentrale [kerncentrale] ; dat de uitbetaling van de lening plaatsvindt in één bedrag binnen 30 dagen na ondertekening van de leningsovereenkomst, op de rekening van [bedrijf 4] , [rekeningnummer 3] bij de Rabobank Hardenberg in Nederland; dat de hypotheek van DM 12.000.000,- die ten gunste van [bedrijf 10] is ingeschreven in de kadasters van [poldergebied] blad 8 en [plaats] blad 163, wordt overgedragen aan [medeverdachte 3] ; dat het rentepercentage 9% per jaar bedraagt en dat de verschuldigde rente elk kwartaal op [rekeningnummer 2] van ING Bank te Nijmegen wordt overgemaakt, [Rechtbank: alleen in de originele Duitse versie]; dat de totale lening in één som terugbetaald moet worden; dat ter verdere zekerheid de heer [persoon 2] tegenover [medeverdachte 3] een hoofdelijke aansprakelijke borgstelling op zich neemt ter hoogte van € 6.150.000,-; dat [bedrijf 4] [medeverdachte 3] van alle publieke heffingen en verdere lasten in verband met deze leningsovereenkomst zal ontheffen. 4 september 2007 t/m 13 september 2007 Dat de geldleningen daadwerkelijk ter beschikking zijn gesteld en zijn overgemaakt, volgt uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] en leidt de rechtbank bovendien af uit het volgende. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft [verdachte] een rekeningafschrift overgelegd van haar persoonlijke bankrekening bij Credit Suisse. Hierop is te zien dat op 4 september 2007 $ 8.100.000,- is ontvangen, met als omschrijving “Payment order [bedrijf 11] ” en dat diezelfde dag $ 8.104.387,50 is afgeschreven met als omschrijving “Fiduciary call dep. – liquidation F-00019”. Een paar weken eerder, op 18 juli 2007, zijn twee vergelijkbare bedragen binnengekomen op de Zwitserse bankrekening van [verdachte] : $ 8.100.000,- met als omschrijving “Fiduciairy call deposit F-00019” en $ 8.106.428,86 met als omschrijving “Reversal Fiduciary time deposit – reduction”. Diezelfde dag zijn exact diezelfde bedragen afschreven, in beide gevallen met als omschrijving “Fiduciary time deposit - reduction F-00015”. De stortingen en afschrijvingen zijn niet helemaal te volgen, maar het rekeningafschrift laat wel zien dat in de periode dat de lening aan [bedrijf 3] werd verstrekt, $ 8.100.000,- werd verplaatst. Dit past bij de voorwaarde dat de lening van $ 13.500.000,- in twee delen zou worden overgemaakt, waarvan het eerste deel ad $ 8.100.000,- binnen 30 dagen na ondertekening van de overeenkomst, op [rekeningnummer 1] . Verder zit in het dossier een rekeningafschrift van de Rabobank ten name van [bedrijf 4] , IBAN [rekeningnummer 3] , met afdrukdatum 14 september 2007. Op dit rekeningafschrift is te zien: dat [bedrijf 4] op 10 september 2007 via een spoedopdracht € 5.905.411,82 heeft ontvangen van [bedrijf 3] , [rekeningnummer 1] , met als omschrijving “overboeking”; dat [bedrijf 4] op 10 september 2007 via een spoedopdracht € 6.135.503,- heeft overgemaakt naar [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ), rekeningnummer onbekend, met als omschrijving “aflossing lening” en dat [bedrijf 4] op 13 september 2007 via een spoedopdracht € 6.150.000,- heeft ontvangen van [medeverdachte 3] , [rekeningnummer 4] , met als omschrijving “darlehensvereinbarung”. De eerste overmaking van € 5.905.411,82 door [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] matcht met de overmaking van $ 8.100.000,- aan [bedrijf 3] , zoals hiervoor is omschreven, gezien de wisselkoers van destijds die op internet te vinden is. Het bedrag komt bovendien van de rekening waarop dat bedrag zou moeten zijn gestort door [medeverdachte 3] ingevolge voornoemde overeenkomst ondertekend op 21 augustus 2007. Verder leidt de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat de betaling van € 6.135.503,- op 10 september 2007, de terugbetaling is van DM 10.000.000,- en DM 2.000.000,- die de Hong Kongse entiteit [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ), in respectievelijk 1998 en 2000 heeft uitgeleend aan [bedrijf 4] ter financiering van de “Um- und Ausbaus des früheren Kernkraftwerkes [kerncentrale] .” [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben dit ter terechtzitting bevestigd. Zij hebben verklaard dat [bedrijf 10] een bedrijf van [medeverdachte 2] was. Tussenconclusie De rechtbank stelt tot zover vast dat [medeverdachte 1] leningen van $ 13.500.000,- en € 6.150.000,- heeft verstrekt aan [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] die bedragen heeft doorgeleend aan respectievelijk [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . De onderliggende documenten laten ook iets bijzonders zien. De dollarlening die [medeverdachte 1] via [medeverdachte 3] heeft verstrekt aan [bedrijf 3] , is kennelijk door [bedrijf 4] gebruikt om een oude lening aan [bedrijf 10] terug te betalen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens een vergelijkbare lening verstrekt aan [bedrijf 4] , met overname van de hypotheek die eerder ten gunste van [bedrijf 10] was gevestigd. Feitelijk heeft [medeverdachte 1] in 2007 dus de positie van [bedrijf 10] als geldschieter van [bedrijf 4] overgenomen. Over [bedrijf 10] komt de rechtbank hierna nog te spreken. 26 t/m 29 september 2011 Bij e-mail van 27 september 2011 heeft de heer [persoon 4] , controller van [bedrijf 12] aan [verdachte] laten weten dat op 26 september 2011 € 17.700.000,- ter aflossing en € 113.473,97 aan rente (over 26 dagen) aan haar is overgemaakt. De terugbetaling en rentes hebben volgens de e-mail betrekking op “Lening [bedrijf 13] ”, “overname [bedrijf 14] ” en “ [bedrijf 9] ”. Op 28 september 2011 heeft [verdachte] aan [persoon 4] gemaild dat er nog € 4.184 aan rente moest worden overgemaakt. [verdachte] heeft in de mail drie leningsbedragen (€ 6.150.000,- en € 1.951.219,- en $ 13.500.000) en drie rentebedragen (€ 39.975,- en € 12.684,- en $ 87.750,-/€ 65.000) onder elkaar gezet en zij heeft [persoon 4] verzocht het resterende bedrag over te maken op de bankrekening van [medeverdachte 3] . Op 28 september 2011 heeft [persoon 4] [verdachte] gemaild om te laten weten dat de resterende € 4.184,- was overgemaakt. In totaal is dus € 17.817.657,97 overgemaakt. Aan de lening van € 1.951.219,- en de rente van € 12.684,- wordt gerefereerd met de omschrijving “overname [bedrijf 14] ”. Hiermee wordt kennelijk gedoeld op de schuld van [bedrijf 4] bij de Dresdner Bank, die omstreeks 2009 door [medeverdachte 3] is overgenomen. Hoe [medeverdachte 3] dit heeft gefinancierd, blijkt niet uit het dossier. Wel stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] eind 2007 aan [medeverdachte 3] een krediet- en leenfaciliteit van € 5.000.000,- heeft verstrekt ten behoeve van het werkkapitaal van [medeverdachte 3] . Kennelijk heeft [medeverdachte 3] dit werkkapitaal aangewend voor de overname van de schuld bij de Dresdner Bank. Op 29 september 2011 is € 17.699.994,56 overgemaakt op Euro-spaarrekening 429-1-004843-2 van [medeverdachte 1] , met als omschrijving “ [medeverdachte 3] Repay Loan”. Dit is te zien op een bankafschrift van [medeverdachte 1] van de Standard Chartered Bank te Hong Kong. Tussenconclusie Kennelijk is namens onder meer [bedrijf 3] en [bedrijf 4] € 17.699.994,56 terugbetaald aan [medeverdachte 3] en heeft [medeverdachte 3] dit bedrag op haar beurt terugbetaald aan [medeverdachte 1] . Directeuren en aandeelhouders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ten tijde van voornoemde gedragingen. [medeverdachte 1] Op 1 juli 2007 en 1 augustus 2007, op 21 augustus 2007, in september 2007, op 6 november 2007 en in september 2011 waren [medeverdachte 2] en [bedrijf 15] (hierna: [bedrijf 15] ) de directeuren van [medeverdachte 1] . De directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 15] was de heer [persoon 1] , oftewel de bedrijfssecretaris van [medeverdachte 1] . Hij tekende de leningsovereenkomsten namens [medeverdachte 1] , ondanks het feit dat [medeverdachte 2] op 6 november 2007 ook in Hong Kong was. Op 1 juli 2007 en 1 augustus 2007 waren [bedrijf 15] met 1 aandeel en [bedrijf 16] (hierna: [bedrijf 16] ) met 9.999 aandelen de aandeelhouders van [medeverdachte 1] . [verdachte] en [medeverdachte 2] waren beiden 50% aandeelhouder van [bedrijf 16] en [medeverdachte 2] was de directeur van [bedrijf 16] . Op 7 augustus 2007 - die datum ligt tussen de opmaakdatum van de overeenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en de ondertekening van die overeenkomsten – zijn alle aandelen van [medeverdachte 1] overgedragen aan [neef verdachte] , de neef van [verdachte] . Dit ging gepaard met een Declaration of Trust tussen [medeverdachte 2] en [neef verdachte] en een Declaration of Trust tussen [verdachte] en [neef verdachte] , op basis waarvan [medeverdachte 2] en [verdachte] in privé de rechthebbenden bleven op ieder 5.000 aandelen van [medeverdachte 1] . Deze situatie was ook nog aan de orde op 21 augustus 2007, in september 2007, op 6 november 2007 en in september 2011. Gelet op het voorgaande waren [medeverdachte 2] en [verdachte] ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de leningsovereenkomsten de natuurlijke personen die de ultimate benificial owners waren van [medeverdachte 1] . Zij bepaalden de gang van zaken. [medeverdachte 3] Op 1 juli 2007, 1 augustus 2007, 21 augustus 2007, in september 2007, op 6 november 2007 en in september 2011 was [verdachte] de directeur van [medeverdachte 3] . Zij was op 6 november 2007 met [medeverdachte 2] in Hong Kong en tekende de leningsovereenkomsten namens [medeverdachte 3] . In 2007 was [bedrijf 10] enig aandeelhouder van [medeverdachte 3] . De directeuren van [bedrijf 10] waren [medeverdachte 2] en [bedrijf 15] . De aandeelhouders van [bedrijf 10] waren [medeverdachte 2] en [bedrijf 16] . [verdachte] en [medeverdachte 2] waren in 2007 beiden 50% aandeelhouder van [bedrijf 16] . In september 2011 was [bedrijf 17] (hierna: [bedrijf 17] ) enig aandeelhouder van [medeverdachte 3] . De directeuren van [bedrijf 17] waren toen [persoon 6] en [bedrijf 18] . De enig aandeelhouder van [bedrijf 17] was [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). De directeur van [medeverdachte 4] was [verdachte] . De enig aandeelhouder van [medeverdachte 4] was [bedrijf 16] . [medeverdachte 2] was in september 2011 directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 16] ; [verdachte] heeft op 4 juli 2011 haar aandelen in [bedrijf 16] overgedragen aan [medeverdachte 2] . Gelet op het voorgaande waren [medeverdachte 2] en [verdachte] ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de leningsovereenkomsten ook de natuurlijke personen die de ultimate benificial owners waren van [medeverdachte 3] . Zij bepaalden de gang van zaken. Aanvullende overweging ten aanzien van de aandeelhouderswissel bij [medeverdachte 1] Gezien de opvallende aandeelhouderswissel bij [medeverdachte 1] in augustus 2007, acht de rechtbank het van belang hier vast het volgende toe te voegen. Bij [bedrijf 2] in Hong Kong zijn drie overeenkomsten tussen “de nieuwe aandeelhouder” [neef verdachte] en [medeverdachte 1] aangetroffen, waarin is vastgelegd dat [neef verdachte] geld leent aan [medeverdachte 1] . Eén overeenkomst is volgens de aanhef opgemaakt op 15 november 2007. Hierin leent [neef verdachte] € 5.000.000 aan [medeverdachte 1] ter financiering van bouwprojecten in Duitsland en Nederland. Deze overeenkomst is 7 november 2008 ondertekend door [neef verdachte] in Taiwan en door [persoon 1] namens [medeverdachte 1] in Hong Kong. Van deze overeenkomst bestaat nog een identieke versie, op dezelfde dagen opgemaakt en ondertekend, maar dan met [bedrijf 10] als lener. Op die overeenkomst is het woord VOID (nietig) gestempeld. De andere twee overeenkomsten zijn volgens de aanhef opgemaakt op 15 juli 2007. Hierin leent [neef verdachte] aan [medeverdachte 1] $ 13.500.00,- ter financiering van [bedrijf 3] respectievelijk € 6.150.000,- ter financiering van [bedrijf 4] . In beide overeenkomsten staat dat [medeverdachte 1] de zekerheden uit de overeenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 4] overdraagt aan [neef verdachte] . Deze overeenkomsten zijn op 7 november 2008 ondertekend door [neef verdachte] in Taiwan en door [persoon 1] namens [medeverdachte 1] in Hong Kong. Op deze overeenkomsten staat een stempel van [bedrijf 19] van 14 november 2008. Deze officiële documenten zijn bewaard bij [bedrijf 2] in Hong Kong. Het voorgaande impliceert dat rond het moment dat grote geldstromen in beweging kwamen, [neef verdachte] voor de buitenwereld niet alleen de enig aandeelhouder was van [medeverdachte 1] , maar ook de grote geldschieter. Dat dit de waarheid was, is ook door [verdachte] en [medeverdachte 2] verkondigd in een gesprek met de Belastingdienst op 6 september 2011. Later in het strafrechtelijke onderzoek en ter terechtzitting van de rechtbank hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] echter bevestigd dat er nooit geld van [neef verdachte] is gekomen. Het aan [medeverdachte 1] uitgeleende geld was van [verdachte] en [medeverdachte 2] zelf. Er zijn ook helemaal geen overeenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] en [bedrijf 3] , waaruit rechten zouden kunnen worden overgedragen aan [neef verdachte] . De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er ten tijde van het verstrekken van de geldleningen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] en van [medeverdachte 3] aan [bedrijf 4] en [bedrijf 3] , drie verhaallijnen bestonden: 1) [neef verdachte] is enig aandeelhouder van [medeverdachte 1] , leent miljoenen dollars en euro’s uit aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] sluit overeenkomsten met [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en draagt de zekerheden uit deze overeenkomsten over aan [neef verdachte] . In deze verhaallijn is het opvallend dat er geen overeenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 3] en [bedrijf 4] boven water zijn gekomen. 2) [neef verdachte] is enig aandeelhouder van [medeverdachte 1] , leent miljoenen dollars en euro’s uit aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] leent exact deze bedragen uit aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] sluit overeenkomsten met [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en draagt de zekerheden uit deze overeenkomsten over aan [medeverdachte 1] . Dit is de versie die in 2011 gepresenteerd is aan de Nederlandse Belastingdienst. Van belang is dat [medeverdachte 1] uit Hong Kong ogenschijnlijk een andere, niet-Nederlandse ultimate benificial owner heeft dan [medeverdachte 3] uit Nederland en dat [medeverdachte 3] een megaschuld op haar naam heeft. 3) [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn – afgeschermd door een trust – de aandeelhouders van [medeverdachte 1] , lenen zelf miljoenen dollars en euro’s uit aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] leent exact deze bedragen uit aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] sluit overeenkomsten met [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en draagt de zekerheden uit deze overeenkomsten over aan [medeverdachte 1] . In deze versie is het opvallend dat er geen leningsovereenkomsten tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn aangetroffen bij [bedrijf 2] in Hong Kong, noch elders. Enige zekerheid voor de leningen van miljoenen euro’s en dollars is kennelijk niet gesteld. [verdachte] heeft verklaard dat er geen overeenkomsten nodig waren, het was immers – kort gezegd – tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en hun ondernemingen een kwestie van ‘broekzak-vestzak’. Het uitgangspunt nu, is dat de Nederlandse [verdachte] en [medeverdachte 2] geld hebben uitgeleend aan hun eigen Hong Kongse bedrijf [medeverdachte 1] , met het doel dat [medeverdachte 1] dit geld weer zou doorlenen aan hun eigen Nederlandse bedrijf [medeverdachte 3] , die het geld weer kon doorlenen aan derden. Met betrekking tot de herkomst van het vermogen waren echter ook andere verhaallijnen beschikbaar, zoals de verhaallijn waarin de buitenlandse [neef verdachte] de geldsommen had uitgeleend aan [medeverdachte 1] . Volgens de rechtbank zijn de drie overeenkomsten tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] overigens vals. Daar gaat de rechtbank later op in. Geldstroom [medeverdachte 1] – [bedrijf 1] . De rechtbank zal [bedrijf 1] hierna aanduiden als [bedrijf 1] . 23 t/m 29 oktober 2014 Op 29 oktober 2014 heeft [medeverdachte 1] een financiering van € 4.500.000,- verstrekt aan [bedrijf 1] tegen een rentepercentage van 10% per jaar. Hierbij is een recht van hypotheek gevestigd op onroerende goederen in Ochten, Schijndel, Sinderen en Weert. In de leningsovereenkomst staat dat de betaling van de rente over het eerste jaar verrekend wordt met de hoofdsom van de lening. Dit betrof een bedrag van € 450.000. De overeenkomst tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 1] is ondertekend door [medeverdachte 2] namens [medeverdachte 1] en door [persoon 7] namens [bedrijf 1] , in het bijzijn van [verdachte] . Uit het rekeningafschrift van de HSBC-bank te Hong Kong, ten name van [medeverdachte 2] en [verdachte] , [rekeningnummer 5] , blijkt dat op 23 oktober 2014 een bedrag van € 4.200.000,- is afgeschreven (withdrawal). Deze rekening wordt tevens gebruikt als rekening van [bedrijf 20] . Uit het rekeningafschrift van HSBC-bank, ten name van [medeverdachte 1] , [rekeningnummer 6] , blijkt dat op 23 oktober een bedrag van € 4.200.000,- is gestort en vervolgens een bedrag van € 4.049.962 is afgeschreven. In de periode vanaf eind oktober 2014 tot en met september 2017 hebben er verschillende betalingen – rente en aflossingen – plaatsgevonden namens [bedrijf 1] op bankrekeningen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in Hong Kong, omdat de lening nog voortduurde. De directeur en aandeelhouder van [medeverdachte 1] ten tijde van voornoemde gedraging. In oktober 2014 was [medeverdachte 2] de directeur van [medeverdachte 1] . De enig aandeelhouder was [verdachte] . Sinds 23 maart 2017 is [verdachte] directeur van [medeverdachte 1] . Gelet hierop waren [medeverdachte 2] en [verdachte] ultimate benificial owners van [medeverdachte 1] . Zij waren ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de leningsovereenkomst degenen met zeggenschap. Zij bepaalden de gang van zaken. Afkomstig uit enig misdrijf. In de hiervoor besproken leningsconstructies, was [medeverdachte 1] steeds de geldbron. Het ging alleen al bij deze leningen om (omgerekend) ruim € 20.000.000,-. In het strafrechtelijk (financieel) onderzoek zijn ook nog andere financieringen van [medeverdachte 1] gevonden die in de ten laste gelegde periode zijn verstrekt. De rechtbank noemt, niet limitatief, de volgende financieringen: - [medeverdachte 1] heeft eind 2007 een krediet- en leenfaciliteit van € 5.000.000,- beschikbaar gesteld aan [medeverdachte 3] . - [medeverdachte 1] heeft in december 2008 € 5.000.000,- beschikbaar gesteld aan [medeverdachte 6] . - [medeverdachte 1] heeft in januari 2013 € 2.200.000,- geleend aan [medeverdachte 5] voor de aankoop van een vakantiepark in Frankrijk. - [medeverdachte 1] heeft in mei 2013 € 2.200.000 geleend aan [medeverdachte 4] voor de aankoop van appartementen met parkeerplaatsen in Groningen. - [medeverdachte 1] heeft in september 2013 € 1.300.000 geleend aan onder meer de [bedrijf 21] ter financiering van appartementen in [complex] te Bergentheim. - [medeverdachte 1] heeft in november 2013 een lening van € 1.800.000,- verstrekt aan [persoon 8] en [persoon 9] voor de aankoop van een jachthaven in Loosdrecht. - [medeverdachte 1] heeft in september 2016 aan [medeverdachte 4] een kredietfaciliteit verleend tot € 10.000.000,-. De vraag is hoe [medeverdachte 1] aan zoveel geld kwam. Bewijsvermoeden van witwassen De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting tal van witwasindicatoren af, die het vermoeden rechtvaardigen dat het geld dat [medeverdachte 1] uitleende, een illegale bron had die buiten beeld moest blijven. De rechtbank sluit in dat kader aan bij de witwasindicatoren die in het proces-verbaal van verdenking van [medeverdachte 1] worden genoemd en vult deze aan. [medeverdachte 1] is gevestigd in Hong Kong, dat bekend staat om het gunstige belastingklimaat, terwijl [medeverdachte 1] nagenoeg uitsluitend opereert op de Nederlandse markt en gerund wordt de Nederlandse [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 1] ontvangt post van haar bedrijfssecretaris op de [adres 1] in Gennep, Nederland. In het bedrijfspand op dit adres is een woongedeelte ingericht voor [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft zelf niets om het lijf. Het is gevestigd op het adres van de bedrijfssecretaris, heeft geen eigen kantoor, noch personeel. [medeverdachte 1] heeft wel bankrekeningen, waarop [medeverdachte 2] en [verdachte] gemachtigd zijn. [medeverdachte 1] heeft geld aan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] uitgeleend. Die bedrijven staan ogenschijnlijk op zichzelf, maar in werkelijkheid gaan achter al deze rechtspersonen dezelfde natuurlijke personen schuil als achter [medeverdachte 1] zelf: [medeverdachte 2] en [verdachte] . In deze leningsconstructies, lenen [medeverdachte 2] en [verdachte] dus indirect aan en van zichzelf. [medeverdachte 1] maakt hierdoor winst, die in Hong Kong kennelijk niet wordt belast. De in Europa gevestigde lenende rechtspersonen worden hierdoor in een schuldenpositie gebracht, waardoor zij niet of nauwelijks belasting hoeven te betalen. Een zekere parallel met de feiten 4 en 5 op de tenlasteleggingen van [verdachte] en [medeverdachte 2] – feiten die zich later in de tijd afspelen – is hier wel te trekken. De structuur achter [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is lange tijd een spinnenweb geweest. Directeuren wisselden elkaar met regelmaat af en er moesten – in elk geval in de ten laste gelegde periode – twee tot vier andere rechtspersonen ontleed worden, voordat duidelijk wordt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] de natuurlijke personen zijn die aan de touwtjes trokken. Zodra grote geldstromen in beweging komen, verdwenen [verdachte] en [medeverdachte 2] op papier nagenoeg uit het zicht. Dit gebeurde in elk geval bij het verstrekken van de leningen aan [bedrijf 3] en [bedrijf 4] in 2007, toen [neef verdachte] als aandeelhouder ten tonele verscheen. Een volgbare en toetsbare stroom documenten die inzichtelijk maakt hoe [medeverdachte 1] aan het uit te lenen geld komt, ontbreekt. Er is slechts een papertrail vanaf [medeverdachte 1] naar de partijen die geld lenen, al bestaan daar soms wel verschillende versies van. De bron waar [medeverdachte 1] daadwerkelijk uit put, blijft onzichtbaar. Ondertussen lijken de natuurlijke personen achter [medeverdachte 1] van de wind te leven. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben nooit aantoonbaar loon, managementvergoedingen of dividend ontvangen voor hun werkzaamheden. Dat dit niet aantoonbaar is, heeft niet te maken met het verstrijken van de tijd en de beperkte bewaringsplicht ten aanzien van administratie. Het volgt uit hun eigen verklaringen: [verdachte] en [medeverdachte 2] gebruikten de bankrekeningen van hun rechtspersonen in Hong Kong simpelweg als hun persoonlijke portemonnee. Ze nemen wat ze nodig hebben. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [verdachte] en [medeverdachte 2] hun feitelijke positie nooit hebben vertaald naar bijvoorbeeld een managementovereenkomst of arbeidsovereenkomst, omdat zij dan zonder meer een inkomen zouden hebben ontvangen dat traceerbaar en belastbaar was. Overigens hebben ook andere kunstgrepen eraan bijgedragen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] persoonlijk buiten beeld bleven voor de fiscus. De kunstgrepen waar de rechtbank in deze zaak op is gestuit, variëren van het zich uitschrijven als inwoner van Nederland, ondanks dat men verblijft en werkt in Nederland, het stallen van vermogen op een Zwitserse bankrekening en het opvoeren van een alternatieve vermogensbron voor [medeverdachte 1] in de persoon van de niet-Nederlandse [neef verdachte] . Het behoeft geen betoog dat de ingrediënten voor grootschalige belastingfraude ruimschoots aanwezig zijn. Voorts spreekt het voor zich dat indien structureel belasting wordt ontdoken, een steeds groter deel van het vermogen een criminele herkomst heeft (in strijd met de wet niet afgedragen belastingen). Het uitlenen of investeren van crimineel vermogen, levert witwassen op. Bovendien leidt het ertoe dat het criminele vermogen – met de ontvangst van rente – nog verder toeneemt. Na verloop van tijd is het criminele vermogen niet meer te isoleren uit het totale vermogen. Patroon Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat de voorgaande bevindingen kenmerkend zijn voor een patroon, dat ook vóór de ten laste gelegde periode al zichtbaar was en van invloed moet zijn geweest op de aanwas van vermogen in het verleden tot aan de ten laste gelegde periode. De beschikbaarheid van het door [medeverdachte 1] uit te lenen vermogen wordt daardoor verklaard. De rechtbank legt uit waar zij dit patroon in ziet. Om te beginnen heeft [verdachte] ter terechtzitting bevestigd dat zij nog nooit belasting heeft betaald, waar dan ook ter wereld. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij voor het laatst belasting heeft betaald in 1979, in Nederland. Ook de rechtspersonen waar [verdachte] en [medeverdachte 2] zich van bedienen, hebben tot nu toe niet of nauwelijks belasting betaald. Daarnaast blijkt dat [medeverdachte 1] niet de eerste Hong Kongse rechtspersoon is met een sleutelfunctie in de financieringsactiviteiten van [verdachte] en [medeverdachte 2] . In het verleden vervulde het hierboven al genoemde [bedrijf 10] die rol. [bedrijf 10] is in 1978 opgericht door een [bedrijf 2] in Hong Kong en in 2012 uitgeschreven. [bedrijf 10] had zelf niets om het lijf. Het was gevestigd op het adres van de bedrijfssecretaris, had geen eigen kantoor, noch personeel. [bedrijf 10] had wel bankrekeningen, waarop [medeverdachte 2] en [verdachte] gemachtigd waren. [bedrijf 10] ontving post van haar bedrijfssecretaris op de [adres 1] in Gennep, ter attentie van mr. [medeverdachte 2] . Van 1979 tot en met 1989 waren [persoon 10] en [persoon 11] de aandeelhouders van [bedrijf 10] . [persoon 10] en zijn vrouw [persoon 12] waren de directeuren. [persoon 11] was vroeger de vriendin van [medeverdachte 2] . Als getuige heeft zij verklaard dat zij het bedrijf [bedrijf 10] helemaal niet kent. Van een aandelenpakket weet zij ook niets. [persoon 10] , een voormalig zakenpartner van [medeverdachte 2] , heeft verklaard helemaal geen activiteiten te hebben uitgevoerd bij [bedrijf 10] . Gelet op het voorgaande was het tot 1989 voor derden, waaronder de Nederlandse en Hong Kongse overheid, niet zichtbaar dat in werkelijkheid [medeverdachte 2] de natuurlijke persoon was achter [bedrijf 10] . Buiten het zicht van een ieder, was [medeverdachte 2] vanaf dag één betrokken bij [bedrijf 10] . Hij bracht de opbrengst van de verkoop van onroerend goed in Bemmel in en deelde mee in de winst die [bedrijf 10] maakte, althans de winst die ogenschijnlijk door [bedrijf 10] werd gemaakt. In werkelijkheid was al het vermogen van [bedrijf 10] namelijk van [medeverdachte 2] en [verdachte] persoonlijk. In de officiële documenten die bij [bedrijf 2] van [bedrijf 10] zijn bewaard en die teruggaan tot 1979, ontbreekt elk spoor van deze feitelijke gang van zaken. Ook [verdachte] heeft in de loop van het strafrechtelijk onderzoek verklaard dat zij persoonlijk vanaf 1994 geld is gaan uitlenen aan [bedrijf 10] en in verband daarmee rente ontving op haar eigen rekening. [medeverdachte 2] plaatst de eerste inbreng van [verdachte] eerder in de tijd, in 1988. [verdachte] had het ingebrachte geld naar eigen zeggen ten dele geleend van [medeverdachte 2] (t.b.v. een lening aan [bedrijf 4] ) en voor het overige was het door haarzelf verdiend. Van de private inbreng van [verdachte] ontbreekt elk spoor in de officiële stukken van [bedrijf 10] . [bedrijf 10] heeft vele miljoenen guldens, marken en euro’s uitgeleend. De rechtbank noemt, niet limitatief, de volgende leningen: - In 1994 heeft [bedrijf 10] fl. 5.000.000,- tegen 7,5% rente per jaar geleend aan [medeverdachte 6] , ter overname een lening die [verdachte] eerder aan [medeverdachte 6] had verstrekt. - In 1998 heeft [bedrijf 10] DM 6.000.000 tegen 12% rente per jaar geleend aan [medeverdachte 3] , ter financiering van bouwprojecten in Duitsland. - In 2005 heeft [bedrijf 10] € 5.000.000 tegen 10% en later 7,5% per jaar geleend aan [medeverdachte 3] , ter financiering van bouwprojecten in Duitsland en Nederland. [bedrijf 10] verstrekte die leningen, terwijl de Nederlandse [verdachte] en [medeverdachte 2] zowel de geldschieters van [bedrijf 10] waren als de natuurlijke personen achter de Nederlandse rechtspersonen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . De winst die [bedrijf 10] genereerde door de renteopbrengsten, waren in Hong Kong kennelijk niet belast. Ondertussen verkeerden de Nederlandse bedrijven in een schuldenpositie, zodat ook zij niet of nauwelijks belasting hoefden te betalen. Het spreekt voor zich dat door het ontbreken van enig zicht op het vermogen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] persoonlijk tot hun beschikking hadden, ook zij - kennelijk wereldwijd - de dans ontsprongen. Het strekt te ver om te onderzoeken wat de reden is geweest om [bedrijf 10] langzaam, maar zeker in te ruilen voor [medeverdachte 1] . Wat vaststaat is dat [verdachte] in 1997 de toenmalige bedrijfssecretaris van [bedrijf 10] vanuit Nederland heeft verzocht [medeverdachte 1] op te richten, met als bedrijfsomschrijving: “same as [bedrijf 10] .” Tussenconclusie De rechtbank concludeert dat in elk geval belastingfraude ten grondslag ligt aan de aanwas van het vermogen dat [medeverdachte 1] – al dan niet via [medeverdachte 3] – in de ten laste gelegde periode kon uitlenen. Dit volgt uit het hiervoor geschetste patroon. Het kan niet anders dan dat de niet afgedragen belastingen, vermeerderd met het vervolgprofijt dat met financieringsactiviteiten is behaald, over een periode van tien tot twintig jaar voorafgaand aan de ten laste gelegde periode, een zo groot deel is gaan uitmaken van het totaalvermogen, dat dit niet meer te isoleren is. Dat betekent dat het in elk geval niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] vermogen voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit vermogen afkomstig was van enig misdrijf. Tevens heeft [medeverdachte 1] verhuld wat de herkomst van het vermogen was en wie de rechthebbenden op dit vermogen waren. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben aan deze gedragingen leidinggegeven. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat de wetenschap van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van de herkomst van het vermogen, samenvalt met de wetenschap van [verdachte] en [medeverdachte 2] daaromtrent. De rechtbank is niet in staat om nauwkeuriger aan te duiden door welke (rechts)persoon, op welke datum en welke locatie belastingfraude is gepleegd, simpelweg omdat door de werkwijze van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [bedrijf 10] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de papertrail niet compleet is, noch betrouwbaar. Het is misdrijf is daardoor niet verder te concretiseren. Nog een criminele bron: eenzelfde patroon In aanvulling op het voorgaande, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat er nog een andere, enigszins vergelijkbare, criminele bron heeft bijgedragen aan de aanwas van het vermogen dat [medeverdachte 1] kon aanwenden om financieringen te verstrekken, zoals de onderhavige. Het gaat om belastingfraude door middel van het verplaatsen van winsten uit de handel in legeronderdelen van het Nederlandse bedrijf [medeverdachte 6] naar het Hong Kongse bedrijf [bedrijf 11] . Het Openbaar Ministerie noemt het “de wereldwijde zwarte handel in legeronderdelen.” De rechtbank heeft kennisgenomen van de aard van de “samenwerking” tussen [medeverdachte 6] (opgericht in 1989) en [bedrijf 11] (opgericht in 1994). Dit zijn eveneens bedrijven van [verdachte] en [medeverdachte 2] . Door middel van valse facturen is de winst van [medeverdachte 6] kunstmatig verplaatst naar [bedrijf 11] . Hierdoor hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] wereldwijd nagenoeg elke fiscale afrekening over de winsten in de handel in legeronderdelen weten te ontduiken. Dit is uitgewerkt in de feiten 4 en 5 die hierna worden besproken. De positie die [bedrijf 11] in de legeronderdelenhandel inneemt, is vergelijkbaar met de rol die [medeverdachte 1] en [bedrijf 10] hebben (gehad) in de financieringsbranche. [bedrijf 11] is een Hong Kongs bedrijf (een eenmanszaak) dat niets om het lijf heeft, behalve bankrekeningen waarop [verdachte] en [medeverdachte 2] gerechtigd zijn. De feiten 4 en 5 kunnen, gelet op de periode waarin deze zijn gepleegd, niet concreet hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de grote bedragen die [medeverdachte 1] in 2007 heeft uitgeleend. Dit neemt niet weg dat het vermoeden gerechtvaardigd is, dat met de komst van [bedrijf 11] in 1994, op eenzelfde wijze ten onrechte niet afgedragen belasting en het vervolgprofijt uit de legeronderdelenbranche een bron van crimineel vermogen is geworden, dat ook vóór 2007 al door [bedrijf 10] en later door [medeverdachte 1] werd aangewend. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben zelf verklaard dat de opbrengsten uit de handel in legeronderdelen zijn aangewend voor de financieringsactiviteiten van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] heeft leningen aan [verdachte] gefinancierd met de opbrengst uit de legeronderdelenhandel. [verdachte] heeft die leningen weer geïnvesteerd. Het hierop gebaseerde bewijsvermoeden van witwassen wordt door [verdachte] en [medeverdachte 2] niet ontkracht, anders dan door de verweren te voeren die tegen de feiten 4 en 5 zijn gevoerd. De rechtbank verwijst in dat kader naar de bespreking van die verweren. Tot slot sluit de rechtbank niet uit dat ook enig legaal vermogen deel heeft uitgemaakt van het geheel. Dat legale vermogen is echter door hetgeen hiervoor is overwogen in de loop van vele jaren zozeer vermengd geraakt met het criminele vermogen, dat het niet meer te isoleren is. Het startkapitaal: een legale component? [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben, met het rapport van [persoon 14] in de hand, gesteld dat zij tot ongeveer 1994, op legale wijze een meer dan respectabel startkapitaal hebben weten te verwerven van bij elkaar (omgerekend) een paar miljoen euro, waarna zij volledig binnen de wettelijke kaders hun vermogen hebben vermeerderd, vooral door het verstrekken van financieringen vanaf 1994. Het opgebouwde vermogen is allemaal van hen persoonlijk. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling in zijn algemeenheid zonder meer onjuist, gelet op hetgeen hiervoor in het onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” is overwogen. De stelling van [verdachte] en [medeverdachte 2] raakt hetgeen de rechtbank heeft overwogen over het patroon van belastingfraude in de financieringsbranche en in de handel in legeronderdelen namelijk niet. De rechtbank heeft dat patroon, terug redenerend, kunnen vaststellen van 2017 tot in elk geval 1994. Of het patroon ook voor die tijd is gevolgd, kan de rechtbank niet meer nagaan. De stelling van [verdachte] en [medeverdachte 2] , gebaseerd op het rapport van [persoon 14] , is hooguit relevant voor de vraag of tot ongeveer 1994 ook legaal vermogen onderdeel is gaan uitmaken van het geheel. Tenzij dit legale vermogen aanzienlijk was, zal het inmiddels vermengd zal zijn geraakt met crimineel vermogen. Om zicht te krijgen op de omvang van een eventueel legaal vermogen, zal de rechtbank daar wel op ingaan. Over [medeverdachte 2] De inkomsten van [medeverdachte 2] zijn maar voor een bepaalde periode min of meer transparant en dat is de periode dat hij nog in Nederland was ingeschreven, dus tot 1982. In PV 345 is uiteengezet wat bekend is geworden over de economische activiteiten van [medeverdachte 2] zelf, voordat hij met [verdachte] in zee ging. [medeverdachte 2] is geboren [geboortejaar 2] 1936. Toen hij 22 jaar was overleed zijn vader. Hij erfde met zijn zus een woonhuis in Ressen, verschillende percelen in Ressen, Bemmel en Elst en een erfpachtrecht van beperkte duur. De waarde van deze onroerende goederen is niet achterhaald. [medeverdachte 2] is in 1958 getrouwd met [persoon 13] . In 1967 is het huwelijk ontbonden. In de boedel van [medeverdachte 2] zat toen in elk geval een bungalow met garage en omringende grond, erfpachtrechten van beperkte duur, aandelen in [bedrijf 23] en [bedrijf 24] en enkele schulden van in totaal fl. 170.000. In 1961 heeft [medeverdachte 2] het geërfde woonhuis in Ressen verkocht voor fl. 55.000,-. In 1965 heeft [medeverdachte 2] een perceel in Bemmel verkregen, waarop nog een hypotheek van fl. 60.000,- zat. Dit pand heeft [medeverdachte 2] in mei 1968 verkocht voor fl. 165.000,-, zodat de vermoedelijke winst fl. 105.000,- was In 1969 en 1970 heeft [medeverdachte 2] in delen het terrein met woonhuis en garages aan de [adres 2] te Bemmel gekocht. [medeverdachte 2] heeft ingeschreven gestaan op dit adres. Deze aankoop heeft fl. 182.500 gekost. In 1978 heeft [medeverdachte 2] het onroerend goed aan de [adres 2] in Bemmel verkocht voor fl. 3.500.000,-. De prijsvermeerdering ten opzichte van het aankoopbedrag, wordt verklaard door diverse uitbreidingen waarvoor de gemeente bouwvergunningen heeft verleend. Uit de bouwaanvragen blijkt dat hiermee ten minste fl. 810.000 gemoeid is geweest. Per saldo heeft [medeverdachte 2] hier fl. 2.506.650,- mee verdiend. Heel veel later, in 1995 heeft [medeverdachte 2] nog een stuk grond verkocht voor fl. 5.000. Per saldo is er in elk geval een bruto bedrag van fl. 2.671.650,- verdiend met de verkoop van onroerend goed in de periode van 1961 tot 1995. Uitgestreken over de jaren, zou dat neerkomen op ongeveer fl. 78.580,- per jaar. Wat [medeverdachte 2] daar netto van heeft overgehouden is moeilijk in te schatten. Uit de scheiding van [persoon 13] heeft hij bijvoorbeeld een schuld overgehouden. Ook is de woning aan [adres 3] te Gendt, waar hij in 1979 met zijn tweede vrouw woonde, executoriaal verkocht, terwijl hij hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheek die op dit onroerend goed was gevestigd. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] in elk geval kosten moeten maken voor wonen, eten en reizen. Over activiteiten in de autohandel vóór 1989 is slechts bekend dat [medeverdachte 2] officieel geen rol had in het [autobedrijf 1] en dat [autobedrijf 2] , de voorganger van [bedrijf 25] , in 1982 failliet is verklaard. De rechtbank acht het al met al echter niet onaannemelijk dat [medeverdachte 2] op het moment van vertrek uit Nederland, enig legaal vermogen had dat hij – zoals hij zelf heeft verklaard – kon investeren in [bedrijf 10] . De omvang daarvan zal echter zonder meer veel beperkter zijn, dan het door hemzelf genoemde bedrag van fl. 3.500.000,-. Over [verdachte] De omvang van de inkomsten van [verdachte] in de tijd vóórdat zij in 1989 [medeverdachte 6] oprichtte en met [medeverdachte 2] ging samenwerken, wordt alleen bevestigd door [verdachte] zelf. Zij heeft [persoon 14] het volgende laten optekenen in zijn rapport. - [verdachte] is begonnen met een handelsonderneming in auto-onderdelen in Taiwan, genaamd [bedrijf 26] . Hieruit heeft zij in totaal € 200.000,- aan dividend ontvangen. Verder verdiende ze € 5.000,- per maand. Haar kosten voor levensonderhoud beliepen € 6.000,- per jaar. - Van 1980 tot 1985 heeft [verdachte] gewerkt met en voor de heer Wichart en zijn bedrijf [bedrijf 29] B.V. in Nederland. Hiervoor kreeg [verdachte] € 18.000,- per jaar en aan het einde een gouden handdruk van € 205.000. - Van 1985 tot 1990 heeft [verdachte] in Taiwan haar eigen bedrijf [bedrijf 27] gehad. Dit bedrijf handelde in legermateriaal. De gemiddelde winst per jaar bedroeg € 400.000,-. Het salaris was € 8.000,- per maand. Haar kosten voor levensonderhoud beliepen € 6.000,- per jaar. Het bedrijf is in 1990 verkocht aan [neef verdachte] voor € 638.000. - In het rapport van [persoon 14] wordt uitgegaan van 8% rendement per jaar op al het vergaarde vermogen. - Het voorgaande stelde [verdachte] in staat om in de periode van 1989 tot 1994 te investeren in [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en [bedrijf 28] . [verdachte] heeft ruim € 2.200.000,- geïnvesteerd. In 1994 zijn de financieringsactiviteiten gestart. Rapporteur [persoon 14] heeft met tussenkomst van het kabinet van de rechter-commissaris schriftelijke vragen beantwoord over dit rapport. Hieruit blijkt het volgende: Het was geen onderdeel van de opdracht om met alle kosten rekening te houden. Het salaris is door mevrouv [verdachte] meegedeeld: er waren geen historische jaarrekeningen van de twee ondernemingen [bedrijf 26] en [bedrijf 27] beschikbaar. Het dividend is door mevrouw [verdachte] meegedeeld: er waren geen historische jaarrekeningen van de twee ondernemingen beschikbaar. Gevraagd of € 205.000,- een redelijk bedrag is als compensatie voor de door haar [verdachte] werkzaamheden bij [bedrijf 29] , antwoordde [persoon 14] : “De controle van de redelijkheid was geen onderdeel van de opdracht.” Voorwerp van de opdracht was niet de controle van de juistheid van het salaris en het dividend, maar de vraag of op basis van de aangegeven bedragen de plausibiliteit vastgesteld kan worden, en dit is ook gebeurd. De echtheid van de documenten kan hij niet beoordelen. De wijze waarop het rapport tot stand is gekomen, doet afbreuk aan de waarde ervan. Uitsluitend met het doel voor ogen om een vermogen van ruim € 40.000.000,- te verklaren, is de verklaring van [verdachte] overgeschreven zonder historische gegevens, zonder controle op de redelijkheid en zonder verificatie van de echtheid van de door [verdachte] verschafte documenten. De rechtbank acht het in dit kader van belang te benoemen dat de door [verdachte] verschafte documenten, ter terechtzitting ter sprake zijn gekomen. Het gaat veelal om door [verdachte] “gereproduceerde” documenten, omdat de originele documenten “no longer available” waren; dat staat ook onderaan verschillende documenten vetgedrukt. Ter terechtzitting geconfronteerd met een aantoonbare onjuistheid in een van die documenten en met de omstandigheid dat het beweerdelijk beschikbaar gestelde vermogen niet matcht met [verdachte] ’s eigen verklaring over de opbouw daarvan, heeft [verdachte] uitgelegd dat de rechtbank de gereproduceerde documenten niet letterlijk moet opvatten; het kan zijn dat er in het geheel geen document beschikbaar is geweest, het kan zijn dat [verdachte] het zich niet helemaal goed heeft herinnerd, dat de volgens de gereproduceerde documenten uitgeleende bedragen niet telkens in één keer zijn uitgeleend, enzovoorts. [verdachte] heeft de suggestie gewekt dat zij een verklaring aflegde die enigszins verifieerbaar was op basis van reproducties van echte documenten. Gebleken is echter dat haar verklaring niet of nauwelijks verifieerbaar is. Desalniettemin heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de verklaring van [verdachte] wel onderzoek laten doen. De bevindingen zijn niet alleen dat de verklaring van [verdachte] niet of nauwelijks verifieerbaar is; de verklaring is op onderdelen ook aantoonbaar onjuist en in elk geval hoogstonwaarschijnlijk. Enkele observaties zijn: Er is niet uitgelegd hoe het verdiende geld werkelijk heeft kunnen renderen met 8% per jaar vanaf het moment van ontvangst; er is slechts gewerkt met algemene aannames; Het genoten maandsalaris bij [bedrijf 26] bedroeg 5,5 tot 9 maal het gemiddelde netto maandsalaris in Nederland. Aangevuld met dividend is dit hoogstonwaarschijnlijk veel voor iemand van nog geen 20 jaar oud in die tijd; De gestelde gouden handdruk van [bedrijf 29] komt neer op 1,6 keer de jaarwinst van [bedrijf 29] in 1984. Het is hoogstonwaarschijnlijk dat dit is gebeurd; Het genoten salaris bij [bedrijf 27] bedroeg 8,5 maal het gemiddelde netto maandsalaris in Nederland. Aangevuld met dividend is dit onwaarschijnlijk veel. Het past ook niet bij een bedrijf dat bestaat uit alleen [verdachte] en haar neef; Kosten voor machines, inkoop van legermateriaal en huur zijn niet meegenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [verdachte] omtrent de opbouw van haar vermogen tot aan de periode tot 1989-1994 niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. Dit brengt met zich dat de rechtbank met betrekking tot dat eventuele vermogen – dat wil zeggen: voor zover het er echt was – oordeelt dat het niet anders kan zijn dan dat dit geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf. Conclusie De rechtbank blijft bij haar eerdere tussenconclusie. Op basis van de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van de rechtbank, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] geld hebben witgewassen door dit geld uit te lenen, door te lenen en terug te ontvangen, een en ander zoals hierna in de bewezenverklaring is vermeld. Medeplegen en feitelijk leidinggeven Nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het witwassen ter zake van de geldstromen genoemd in feit 1, zal de rechtbank het medeplegen in zoverre bewezen verklaren. Ten aanzien van de geldstroom genoemd in feit 2, kan de rechtbank niet beoordelen of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met andere (rechts)personen, zodat alleen [medeverdachte 1] als pleger wordt aangemerkt. In alle gevallen zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] de feitelijk leidinggevenden. 5.3 Feit 3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie. De officieren van justitie achten het feit wettig en overtuigend bewezen en hebben daartoe het volgende aangevoerd. Het is nooit de bedoeling geweest dat [medeverdachte 1] geld zou lenen van [neef verdachte] . De leningsovereenkomsten zijn valselijk opgemaakt met het oogmerk de daadwerkelijke herkomst van het geld dat [medeverdachte 1] heeft uitgeleend aan derden, te verhullen. Dit blijkt mede uit het feit dat ook het aandeelhouderschap van [medeverdachte 1] werd verhuld door een constructie met Declarations of Trust. Het standpunt van de verdediging. De verdediging pleit voor vrijspraak en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De leningsovereenkomsten zijn met een verklaarbare en zakelijke achtergrond tot stand gekomen. [neef verdachte] zou het geld lenen aan [medeverdachte 1] , te weten het geld dat door [medeverdachte 1] aan derden was verstrekt. De vorderingen die [verdachte] op [medeverdachte 1] had omdat zij aanvankelijk degene was die het geld beschikbaar had gesteld, kon daarmee worden afgelost. Daarnaast werd [neef verdachte] aandeelhouder van [medeverdachte 1] om meer grip op de zaken van [medeverdachte 1] te krijgen. Omdat [neef verdachte] niet direct het kapitaal kon leveren zijn de Declarations of Trust opgemaakt. [neef verdachte] heeft echter nooit de leningen aan [medeverdachte 1] kunnen verstrekken, waardoor de leningsovereenkomsten in 2012 zijn ontbonden en de aandelen in 2013 weer zijn overgedragen aan [verdachte] en [medeverdachte 2] . De overeenkomsten zijn daarom niet valselijk opgemaakt. Daarnaast zijn de overeenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [neef verdachte] niet extern gebruikt. Daarom kan niet worden gezegd dat deze geschriften zijn opgesteld met het oogmerk om ze te gebruiken. Het oordeel van de rechtbank. Feiten en omstandigheden Op basis van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. In het klantendossier van [medeverdachte 1] afkomstig van [bedrijf 2] te Hong Kong zijn een drietal leningsovereenkomsten aangetroffen. De getuige [persoon 1] , directeur van [bedrijf 2] , heeft verklaard dat hij optreedt als secretaris voor bedrijven in Hong Kong, zoals vereist door aldaar geldende regelgeving. De belangrijkste taak van een secretaris is om relaties te onderhouden met de overheid. De activiteiten van een secretaris worden uitgevoerd in opdracht van het management van het bedrijf. Eén van de bedrijven waarvoor [persoon 1] optrad als secretaris betrof [medeverdachte 1] . De leningsovereenkomsten zijn door [bedrijf 2] opgenomen in het klantendossier van [medeverdachte 1] . In de leningsovereenkomsten staat opgenomen dat [neef verdachte] en [medeverdachte 1] overeenkomen dat [neef verdachte] (de kredietgever) geld aan [medeverdachte 1] (de kredietnemer) beschikbaar zal stellen ten behoeve van de financiering van de in de leningsovereenkomsten nader omschreven projecten. De overeenkomsten zijn ondertekend in Hong Kong door [persoon 1] namens [medeverdachte 1] en in Taiwan door [neef verdachte] . Het gaat om de volgende drie leningsovereenkomsten: een leningsovereenkomst tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] , gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake de verstrekking van een lening door [neef verdachte] aan [medeverdachte 1] tot een maximum bedrag van € 6.150.000,- voor de financiering van [bedrijf 4] en/of haar hotelprojecten in Kalkar onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden. Eén van de voorwaarden van de overeenkomst houdt in dat de kredietnemer met ondertekening van de overeenkomst afstand doet van alle rechten op grond van zijn leningsovereenkomst met [bedrijf 4] in Kalkar, Duitsland, inclusief 1e hypotheek en 3e hypotheek en persoonlijke verplichtingen van de heer [persoon 2] , etc. jegens de kredietgever, en/of draagt hij deze rechten over; een leningsovereenkomst tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] , gedateerd 15 juli 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake de verstrekking van een lening door [neef verdachte] aan [medeverdachte 1] tot een maximum bedrag van $ 13.500.000,- voor de financiering van [bedrijf 3] , vestiging Meppen, haar hotelproject in Duitsland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden. Eén van de voorwaarden van de overeenkomst houdt in dat de kredietnemer met ondertekening van de overeenkomst afstand doet van alle rechten op grond van zijn leningsovereenkomst met [bedrijf 3] , Meppen, inclusief 1e hypotheek en persoonlijke verplichtingen van de heer [persoon 2] , etc. jegens de kredietgever, en/of draagt hij deze rechten over; een leningsovereenkomst tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] , gedateerd 15 november 2007 en ondertekend op 7 november 2008, ter zake de verstrekking van een lening door [neef verdachte] aan [medeverdachte 1] tot een maximum bedrag van € 5.000.000,- voor de financiering van onroerend goed en/of bouwprojecten in Duitsland en/of Nederland, onder de in die leningsovereenkomst vermelde voorwaarden. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] (de kredietnemer) in de leningsovereenkomsten onder 1 en 2 afstand doet van alle rechten op grond van diens leningsovereenkomsten met [bedrijf 4] en [bedrijf 3] en deze overdraagt aan [neef verdachte] . Ten tijde van het opmaken en ondertekenen van de leningsovereenkomsten op 15 juli 2007 en 7 november 2008, waren er echter helemaal geen leningsovereenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] en [bedrijf 3] . Er waren slechts leningsovereenkomsten tussen de twee laatstgenoemde partijen en [medeverdachte 3] . Dit is een eerste sterke aanwijzing voor de valsheid van voornoemde leningsovereenkomsten. Uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] blijkt voorts dat [neef verdachte] feitelijk nooit geld heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] . [verdachte] en [medeverdachte 2] verklaren dat het geld dat [medeverdachte 1] heeft ontvangen en heeft uitgeleend aan [medeverdachte 3] afkomstig was van [verdachte] . [verdachte] beschikte onder meer over privévermogen dat op haar Zwitserse bankrekening stond gestald. Met betrekking tot deze feitelijke geldstromen, te weten de leningen van [verdachte] aan [medeverdachte 1] , is niets op papier vastgelegd. Tot 7 augustus 2007 zijn de aandelen van [medeverdachte 1] middellijk in handen van [verdachte] en [medeverdachte 2] . Op 7 augustus 2007 gaan de aandelen van [medeverdachte 1] over naar [neef verdachte] . Feitelijk blijven echter [verdachte] en [medeverdachte 2] , via zogenaamde Declarations of Trust, de daadwerkelijke begunstigden. Dat [verdachte] en [medeverdachte 2] via deze Declarations of Trust de begunstigden blijven is niet opgenomen in een openbare bron. Voor derden is in het bedrijvenregister zichtbaar dat [neef verdachte] vanaf 7 augustus 2007 de aandeelhouder is van [medeverdachte 1] . Op de Declarations of Trust staat een stempel met daarop de tekst ‘ [bedrijf 19] ’. De heer [persoon 1] schrijft daarover in een e-mailbericht aan [verdachte] dat deze stempel afkomstig is van de Hong Kong stamp duty office en dat hieruit de geldigheid van de Declarations of Trusts blijkt. Op de drie leningsovereenkomsten tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] staat dezelfde stempel van de Hong Kong stamp duty office. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook de drie leningsovereenkomsten door de Hong Kong stamp duty office zijn gevalideerd. Op 6 september 2011 vindt een gesprek plaats tussen onder andere [verdachte] , [medeverdachte 2] en medewerkers van de Belastingdienst. Van dit gesprek is door één van de belastingambtenaren een gespreksverslag opgemaakt. Uit dit gespreksverslag blijkt dat tijdens het gesprek door [medeverdachte 2] is verklaard dat het door [medeverdachte 1] uitgeleende geld grotendeels afkomstig is van [neef verdachte] . Daarnaast is door [medeverdachte 2] verklaard dat [neef verdachte] de aandeelhouder is van [medeverdachte 1] . Het feit dat hij en [verdachte] de daadwerkelijke begunstigden zijn wordt niet vermeld, noch wordt er dan melding gemaakt van het feit dat het geld van [verdachte] afkomstig is. Tussenconclusie De rechtbank stelt vast dat [neef verdachte] nooit geld heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] . Toch zijn er drie leningsovereenkomsten opgesteld en ondertekend waarin onder andere wordt opgenomen dat [medeverdachte 1] bij ondertekening haar zekerheden overdraagt aan [neef verdachte] , waaronder zekerheden uit niet bestaande leningsovereenkomsten tussen [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] en [bedrijf 3] . De leningsovereenkomsten zijn gevalideerd door de Hong Kong stamp duty office. De werkelijke geldstroom uit het vermogen van [verdachte] en [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] wordt daarentegen op geen enkele manier vastgelegd. In dezelfde periode gaan de aandelen van [medeverdachte 1] over naar [neef verdachte] , terwijl feitelijk [verdachte] en [medeverdachte 2] de begunstigden blijven. Op papier ontstaat hiermee de schijnwerkelijkheid dat [neef verdachte] de geldverstrekker is van [medeverdachte 1] . Deze schijnwerkelijkheid wordt in 2011 door [verdachte] en [medeverdachte 2] ook voorgehouden aan de Belastingdienst, hetgeen een bevestiging is voor het oogmerk om de valse leningsovereenkomsten als echt en onvervalst te gebruiken. Verklaring verdediging De verdediging stelt dat de drie leningsovereenkomsten zijn opgesteld en ondertekend in verband met de intentie dat [neef verdachte] de leningen van [verdachte] aan [medeverdachte 1] zou overnemen. Het is vanaf het begin de bedoeling geweest dat uiteindelijk [neef verdachte] het geld zou lenen aan [medeverdachte 1] . Voor [neef verdachte] was het dan ook van belang om meer zeggenschap te krijgen over [medeverdachte 1] . Daarom zijn de aandelen van [medeverdachte 1] overgedragen aan [neef verdachte] . Later is gebleken dat [neef verdachte] het benodigde geld niet kon verkrijgen. De overeenkomst is daardoor niet uitgevoerd. Dit is de reden waarom [verdachte] vanaf 4 februari 2013 weer 100% aandeelhouder is geworden van [medeverdachte 1] . De rechtbank acht het bij die gang van zaken zeer opmerkelijk dat dit nooit is “gecorrigeerd”. Op geen enkele wijze is vastgelegd dat de overeengekomen geldstromen tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] feitelijk niet op gang zijn gekomen en dat de in de leningsovereenkomsten opgenomen voorwaarden niet (meer) van toepassing zijn. Zou de alternatieve lezing van de verdediging waar zijn, dan zou het ontbreken van enige vastlegging hiervan onbegrijpelijk of zelfs roekeloos zijn, gelet op de omvang van de in de overeenkomsten genoemde bedragen, de verplichtingen voor de betrokken partijen en de waarde die aan gevalideerde documenten gehecht moet kunnen worden, bijvoorbeeld door overheden. Ook is het opvallend dat de werkelijke geldstroom vanuit het vermogen van [verdachte] en [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] , nooit is vastgelegd op papier. De werkelijke herkomst van het geld van [medeverdachte 1] is daarmee op geen enkele wijze te herleiden. Voorts blijft de evidente onwaarheid in de overeenkomsten onder 1 en 2, namelijk dat [medeverdachte 1] rechten uit niet bestaande overeenkomsten overdraagt aan [neef verdachte] , ook bij de door [verdachte] en [medeverdachte 2] gegeven uitleg over de overeenkomsten overeind. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien met de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden, acht de rechtbank de verklaring van de verdediging volstrekt ongeloofwaardig. Feitelijk leidinggeven Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de strafbare gedragingen zijn verricht ten behoeve van [medeverdachte 1] , dat de gedragingen zijn verricht in naam van [medeverdachte 1] en dat deze gedragingen dienstig zijn geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [medeverdachte 1] worden toegerekend. Uit de verklaring van [persoon 1] , de bedrijfssecretaris van [medeverdachte 1] , volgt dat hij enkel in opdracht handelde bij het zetten van handtekeningen onder de overeenkomsten. Uit het feit dat er naast getekend ook gestempeld is, volgt tevens dat het de bedoeling is geweest dat de overeenkomsten er geldig uitzagen en als echt en onvervalst tegenover derden gebruikt konden worden. Daarnaast stelt de rechtbank aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat [verdachte] en [medeverdachte 2] volledig zeggenschap had over het handelen van [medeverdachte 1] , ook over deze concreet ten laste gelegde gedragingen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 2] feitelijk leiding hebben gegeven aan de ten laste gelegde gedragingen van [medeverdachte 1] . Conclusie. De rechtbank concludeert dat de drie leningsovereenkomsten tussen [neef verdachte] en [medeverdachte 1] zijn opgemaakt met als enige doel de ware herkomst van het geld te verhullen. Daarmee staat vast dat deze leningsovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt, dat zij bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen en dat zij zijn opgemaakt met het oogmerk ze als echt en onvervalst te gebruiken. Deze gedraging kan aan [medeverdachte 1] worden toegerekend en [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben aan dit strafbaar feit feitelijk leidinggegeven. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5.4 Feiten 4 en 5. Hieronder zullen de feiten 4 en 5 gelet op de samenhang gecombineerd besproken worden. In voetnoten zal worden aangegeven waar de betreffende informatie in brondocumenten staat. Voor zover het bewijsmiddelen betreft, zijn deze opgenomen in de bewijsbijlage. De rechtspersonen [bedrijf 28] zal worden aangeduid als [bedrijf 28] . [bedrijf 11] zal vaak worden aangeduid als [bedrijf 11] . Het standpunt van het Openbaar Ministerie. De Belastingdienst heeft in juni 2017 mede op basis van aangetroffen facturen en de wetenschap dat [verdachte] en [medeverdachte 2] door hun betrokkenheid en mate van zeggenschap bij [medeverdachte 6] en [bedrijf 11] op de hoogte waren van de feitelijke gang van zaken, geconcludeerd dat sprake is van winstverschuiving en dus van het doen van een onjuiste aangifte door [medeverdachte 6] . De rechtbank begrijpt de stelling van het Openbaar Ministerie aldus dat zij ervan uit gaat dat verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door [bedrijf 11] op te richten en in te zetten als handelspartner, de winst van [medeverdachte 6] opzettelijk naar beneden hebben bijgesteld zodat daarover in Nederland geen belasting hoefde te worden betaald. De oprichting van [bedrijf 11] heeft volgens het OM geen ander doel gehad dan het bereiken van dat resultaat, oftewel er is sprake van een schijnconstructie. Het standpunt van de verdediging. Volgens de verdediging is van een schijnconstructie geen sprake en is er correct zakelijk gehandeld. [bedrijf 11] had een bestaansrecht en -reden. De administratie is juist opgemaakt en de aangiften zijn ook juist gedaan. Het oordeel van de rechtbank. Algemene wet inzake Rijksbelastingen. Om te kunnen bepalen of sprake is geweest van het doen van onjuiste aangifte in de zin van artikel 69 lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dient te worden gekeken naar de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Vpb). In die wet is bepaald dat van in Nederland gevestigde vennootschappen belasting wordt geheven naar het belastbare bedrag. Dit belastbare bedrag is de in een jaar genoten belastbare winst verminderd met de (…) te verrekenen verliezen. De financiële situatie van [medeverdachte 6] . De aangiften vennootschapsbelasting van [medeverdachte 6] over de jaren 2005 tot en met 2015 geven per saldo een fiscaal negatief resultaat weer. Dit betekent dat [medeverdachte 6] over die periode per saldo geen vennootschapsbelasting verschuldigd is. Dit blijkt uit de als bewijsmiddelen opgenomen aangiften die op de tenlastelegging staan vermeld, maar ook uit de aangiften over de overige jaren. Elk jaar is het verschil tussen het beginvermogen en het eindvermogen zodanig dat het ofwel negatief is en er dus verlies is, danwel dat het verrekend kan worden met verliezen van voorgaande jaren. In elk geval hoeft er ook in andere jaren niet of nauwelijks vennootschapsbelasting te worden betaald. Uit de jaarstukken van [medeverdachte 6] opgemaakt in 2004 blijkt dat in het jaar 2003 geen vennootschapsbelasting verschuldigd was (een negatief bedrag) en dat in 2004 een bedrag van € 2.337,- verschuldigd was. Op basis van deze gegevens kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 6] gedurende dertien van de twaalf bekeken jaren in het geheel geen vennootschapsbelasting heeft betaald, en één keer een verwaarloosbaar bedrag. Op basis van de beschikbare gegevens kan eveneens worden vastgesteld dat de netto jaaromzet van [medeverdachte 6] in die jaren per jaar niet minder is geweest dan € 1.000.000,-. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 6] als actieve onderneming er gedurende een lange periode kennelijk in is geslaagd het hoofd boven water te houden, zonder daarbij belastbare winst te maken. Voor de goede orde merkt zij hierbij op dat over de voorliggende periode (vanaf het ontstaan van [medeverdachte 6] ) minder gegevens beschikbaar zijn, waardoor door de rechtbank niet op deze cijfermatige wijze gekeken is naar die periode. Door de Belastingdienst is wel naar de voorliggende periode gekeken en die bevindingen komen geheel overeen met de bovenstaande vaststellingen van de rechtbank. De Belastingdienst heeft geconstateerd dat volgens een cijfermatige analyse van de gedane aangiften in de periode 1998 tot en met 2015 in totaal een belastbare winst gerealiseerd is van negatief € 185.798. Dit gevoegd bij het feit dat in de periode 2002 tot en met 2015 (over de periode 1998 tot en met 2001 is de omzet niet meer na te gaan) redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd tot een totaalbedrag van € 24.235.390 bij een inkoopwaarde van per saldo € 17.437.782, rechtvaardigt het vermoeden dat in de opbrengst- en/of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat aan de directie van [medeverdachte 6] géén salaris werd toegekend. Normaliter diende dat te gebeuren. Zodoende zou het resultaat over de periode 2006-2015 minimaal nog € 413.000 meer negatief zijn geweest. In een controlerapport van de Belastingdienst van 8 september 2003 staat dat [medeverdachte 6] veelal vaste afnemers heeft en dat de goederen in de meeste gevallen door [bedrijf 11] te Hong Kong aan een afnemer wordt verkocht. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van verkoopcontracten. [medeverdachte 6] factureert aan [bedrijf 11] te Hong Kong, maar de goederen worden rechtstreeks afgeleverd aan de uiteindelijke afnemer. Voor de betaling van gefactureerde bedragen maakt [bedrijf 11] gebruik van een rekening courant die geadministreerd wordt door [medeverdachte 6] . In incidentele gevallen verkoopt [medeverdachte 6] rechtstreeks aan een afnemer. In deze gevallen worden de gefactureerde bedragen per bank overgemaakt. In het controlerapport staat niets over de achtergronden van [bedrijf 11] . Tussenconclusie Op basis van hetgeen hierboven staat beschreven kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 6] geld verdiende via [bedrijf 11] te Hong Kong (hierna: [bedrijf 11] ). [bedrijf 11] was dus een factor die van invloed was op de winst van [medeverdachte 6] . Over de rechtspersonen [medeverdachte 6] en [bedrijf 11] . De rechtbank zal in het kader van de beoordeling van de standpunten eerst nader ingaan op de beide ondernemingen, de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 2] bij die ondernemingen en de bekendheid daarmee bij de Nederlandse instanties. [medeverdachte 6] is op 29 september 1989 opgericht door [verdachte] en [persoon 10] (ook wel [persoon 10] , hierna ook: [persoon 10] ). Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte 6] in september 1989 (de maand van oprichting) de handel in nieuwe onderdelen voortzette van [bedrijf 28] (hierna [bedrijf 28] ). In de bijbehorende koopovereenkomst staat dat [medeverdachte 6] het recht krijgt om de naam [medeverdachte 6] te gebruiken. Naast voorraden worden ook relaties overgenomen, genoemd in bijlage B. Ter zitting zijn een aantal van deze klanten genoemd als recente klanten van [medeverdachte 6] , te weten [bedrijf 30] , [bedrijf 31] en [bedrijf 32] . [bedrijf 28] was in 1984 opgericht door [persoon 10] en [persoon 15] . Verdachte [medeverdachte 2] heeft ter zitting verklaard dat beide personen kennissen van hem zijn, dat hij ze aan elkaar heeft voorgesteld en dat hij met hen via [bedrijf 28] in Nederland heeft samengewerkt in de handel. Volgens [medeverdachte 2] was Nederland destijds dé marktlocatie voor de surplushandel. [persoon 10] heeft verklaard dat hij in het geheel geen rol of functie bij [bedrijf 28] heeft gehad. Hij heeft misschien ingestemd met het oprichten, omdat er twee mensen voor nodig waren. Hij denkt dat [medeverdachte 2] wellicht de baas van [bedrijf 28] was omdat hij de business kende.[persoon 10] heeft ook verklaard dat hij niets weet van [medeverdachte 6] en dat hij in het geheel niet aan dat bedrijf verbonden was. Op 31 december 1991 zijn de aandelen van [persoon 10] in [medeverdachte 6] overgedragen aan [verdachte] . [verdachte] was in die periode al procuratiehouder van [bedrijf 28] (van 1 juli 1990 tot 1 januari 1992). In het dossier bevindt zich een verslag van een boekenonderzoek door de Belastingdienst bij [bedrijf 28] betreffende de controlejaren 1989-1990. In dit stuk wordt een complete alinea gewijd aan Mw. [verdachte] , haar inkomsten, haar verblijfplaats en haar belastingaangifte. De ambtenaar besluit dat stuk met de opmerking dat hij er helaas geen vinger achter heeft kunnen krijgen. In het bij dat stuk behorende interne memo worden opgesomd onder het kopje verwevenheid: - [bedrijf 28] - [medeverdachte 6] - [medeverdachte 3] Verder staat erin dat de administratie van de drie B.V.’s wordt verzorgd door [persoon 15] en dat er een bankmachtiging is van [bedrijf 28] en [medeverdachte 3] voor [verdachte] . [persoon 15] is geen DGA (ook nooit geweest), hij is in loondienst bij [bedrijf 28] en ingaande 010192 bij [medeverdachte 6] . Op 1 januari 1993 heeft [medeverdachte 6] onder leiding van haar directeur [verdachte] de totale voorraad overgenomen van [bedrijf 28] . Hier stond tegenover dat [medeverdachte 6] tevens de schulden van [bedrijf 28] overnam, schulden in de rekening-courantverhoudingen met voornamelijk bedrijven van [persoon 10] en [verdachte] en [verdachte] privé. [medeverdachte 2] tekende namens schuldeiser [medeverdachte 3] mee voor de overdracht van [bedrijf 28] aan [medeverdachte 6] . [medeverdachte 2] was in die periode namelijk directeur van [medeverdachte 3] ; een eveneens een door [verdachte] en [persoon 10] in 1989 opgericht bedrijf dat sinds 1992 volledig in handen was van aandeelhouder [bedrijf 10] , waarvan [medeverdachte 2] op zijn beurt weer een van de aandeelhouders en de directeur was. In haar eerste verhoor heeft [verdachte] verklaard dat zij naar Bemmel is gegaan en daar het bedrijf [medeverdachte 6] heeft opgericht. Ze verklaarde toen dat [medeverdachte 2] daar al zijn eigen bedrijf had: [bedrijf 28] . Uit haar verklaring blijkt verder dat [medeverdachte 2] vanaf de oprichting een significante rol heeft gespeeld bij [medeverdachte 6] . [medeverdachte 2] was “the Legend” in de handel in legeronderdelen. Als een samenwerking met [medeverdachte 2] geen optie was geweest, was [verdachte] niet eens naar Nederland gekomen. Hij wist wat de waarde van onderdelen was en hij had de klanten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2017 in de loods van [medeverdachte 6] de voorraad is nagelopen en dat met de waarde ervan heeft genoteerd (de lijst bevindt zich in het dossier). Tussenconclusie Uit bovenstaande gegevens en verklaringen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] in grote mate betrokken was bij [bedrijf 28] vanaf de oprichting in 1984 en dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] de handel van [bedrijf 28] voortzette in haar nieuwe onderneming [medeverdachte 6] vanaf de komst van [verdachte] naar Nederland in 1989. Beiden hebben een grote mate van bemoeienis gehad met beide bedrijven. Volgens een notariële akte van aandelenoverdracht van 25 februari 1994 is [persoon 10] tot dat moment betrokken gebleven bij [bedrijf 28] . Op die dag heeft [neef verdachte] uit Taiwan het aandeelhouderschap en de bestuurdersfunctie van [bedrijf 28] op zich genomen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank opvallend om meerdere redenen. In de eerste plaats heeft [persoon 10] verklaard in het geheel geen rol of functie te hebben gehad bij [bedrijf 28] . In de tweede plaats stelde [bedrijf 28] op dat moment feitelijk nauwelijks meer iets voor na de overname door [medeverdachte 6] een jaar eerder. Tot slot is [neef verdachte] de neef van verdachte [verdachte] . Beide bij de betreffende akte betrokken personen zijn derhalve mensen die niet in Nederland wonen en hebben allebei een directe link met respectievelijk [medeverdachte 2] en [verdachte] . [bedrijf 11] Op 2 maart 1994, dus bijna vijf jaar na de oprichting van [medeverdachte 6] , werd door [persoon 10] (Singapore) een brief gestuurd aan [persoon 1] van het kantoor [bedrijf 33] in Hong Kong. Er staat in: Mr. [medeverdachte 2] wants to register a ‘Sole Proprietor’ Company in Hong Kong. Two names have been chosen for de the Company and they are: [bedrijf 11] (1st choice) [bedrijfsnaam] (2nd choice). Verder verzocht [persoon 10] om openingsformulieren voor een US dollarbankrekening. Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte 2] op 12 april 1994 zijn handtekening heeft gezet op het registratieformulier (application by an individual for registration of business carried by him in Hong Kong) van [bedrijf 11] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [bedrijf 11] zijn bedrijf is. [persoon 10] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en hijzelf [bedrijf 11] hebben opgericht in Hong Kong. Hij heeft verklaard dat het niet veel nut had, omdat er geen aanzienlijke transacties hebben gespeeld. Op 25 april 1997 is een US-dollar bankrekening geopend ten behoeve van [bedrijf 11] door [medeverdachte 2] . Hij heeft hierbij meteen [verdachte] gemachtigd. In het dossier bevindt zich een vraag- en een antwoordbrief van respectievelijk de Inland Revenue Department in Hong Kong (Belastingdienst Hong Kong) en [medeverdachte 2] . Op 2 december 1997 heeft de Inland Revenue Department de antwoordbrief van [medeverdachte 2] van 21 november 1997 ontvangen. In deze brief staat dat [medeverdachte 2] handelt in U.S. Army Surplus Truck, truck parts and materials related to de Automotive Industry. Er staat: My contact location is at the office of: [medeverdachte 6] , [adres 4] , Bemmel, Holland. I do not own this company, but use their facilities. They do not act for me. [medeverdachte 6] BV does not handle my Sales or other business activities. I have no equipment and office facilities in Hong Kong. All the Shipments DO NOT PASS trough Hong Kong. Op 5 februari 1999 werd een Eurobankrekening geopend op naam van [bedrijf 11] , als adres wordt opgegeven [verdachte] , [adres 5] , Germany. Ook op deze rekening werd [verdachte] gemachtigd. Op 16 oktober 2000 stuurde [medeverdachte 2] een formulier naar de Hong Kongse Belastingdienst met daarop de mededeling dat [bedrijf 11] “has been dormant since 1st april 1999.” Er waren geen zakelijke activiteiten in de jaren 1999 en 2000. In het dossier bevinden zich geen aangiften meer van [bedrijf 11] aan de Belastingdienst van Hong Kong na 20 april 2000. In de periode september 2011 tot en met juli 2013 is er meermalen een substantieel bedrag van de bankrekening van [bedrijf 11] overgeboekt naar de bankrekening van [verdachte] . Het gaat om successievelijk $ 600.000,-, $ 250.000,-, drie maal $ 300.000,-, en twee maal $ 10.000,-. Dat is een totaalbedrag van $ 1.770.000,-. Ook zit in de stukken uit Hong Kong een door [verdachte] en [medeverdachte 2] ondertekende Partnership Agreement, gemaakt op 1 november 2012. Hier staat onder meer kort gezegd in dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zaken doen sinds 1994. Om die reden zal [verdachte] tegen betaling een gelijkwaardig partner worden in [bedrijf 11] . Ter zitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat er feitelijk niets in zijn werkzaamheden veranderde na de oprichting van [bedrijf 11] . Hij bleef actief in de surplushandel, de handel in legeronderdelen, zoals hij dat ook al deed vóór de oprichting van [bedrijf 11] , samen met [verdachte] vanuit [medeverdachte 6] . Tussenconclusie De rechtbank constateert op basis van bovenstaande gegevens dat [medeverdachte 2] en [verdachte] na de oprichting van [bedrijf 11] in 1994 op dezelfde voet als voorheen intensief zijn blijven samenwerken en dat de plaats Hong Kong geen enkele rol van betekenis heeft gespeeld in de handel in legeronderdelen door [verdachte] en [medeverdachte 2] . Het enige tastbare in Hong Kong zijn de bankrekeningen waar zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] voor gemachtigd zijn. In de periode van 29 februari 1992 tot en met 18 oktober 2007 is [verdachte] volgens het Taiwanese bevolkingsregister gehuwd met [medeverdachte 2] , Nederlandse nationaliteit, geboren [geboortejaar 2] 1936. [verdachte] heeft hier over verklaard dat later bleek dat het geen rechtsgeldig huwelijk was, [medeverdachte 2] was nog getrouwd. Om die reden heeft zij het huwelijk laten deregistreren. Dat heeft zij in 2007 gedaan. De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] in de periode dat [bedrijf 11] werd opgericht in de veronderstelling was dat zij met [medeverdachte 2] getrouwd was. In die context is het minder opvallend dat zij op de bankrekeningen van [bedrijf 11] gemachtigd werd vanaf de opening van die rekeningen. Vanwege de persoonlijke betrokkenheid en eensluidende en gezamenlijke handel wordt echter des te vager wat de functie van een onderneming met enkel een bankrekening in Hong Kong is. Bekendheid [bedrijf 11] in Nederland (bij de instanties). De enige stukken waarin over [bedrijf 11] gerept wordt tot 2003 zijn de stukken die komen uit Hong Kong in het kader van het rechtshulpverzoek. Deze stukken waren niet bekend in Nederland. Het huwelijk tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] is niet in Nederland geregistreerd. Niet gebleken is dat iemand in Nederland bekend is geweest met het huwelijk. Indien men ten tijde van het eerdergenoemde controlerapport van de Belastingdienst van 8 september 2003 bekend was geweest met het feit dat [bedrijf 11] enkel [medeverdachte 2] is, die op dat moment zowel de zakelijke partner van [verdachte] was in [medeverdachte 6] als haar echtgenoot, dan was de truc om belasting te ontduiken door het invoegen van een zinloze Hong Kongse entiteit direct doorzien. Deze informatie was echter op dat moment niet bekend bij de Nederlandse instanties. In het boekenonderzoek van [medeverdachte 6] in 2007-2008 komt de naam [bedrijf 11] niet meer voor. Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte 2] op 6 september 2011 aan a4-tje (begrijpt de rechtbank) aan de Belastingdienst heeft overhandigd met de belangrijkste gegevens met betrekking tot zijn persoon. Op dat overzicht staat wel: Ik ben eigenaar van [bedrijf 11] . Uit het gespreksverslag blijkt echter dat het die dag niet is gegaan over [bedrijf 11] en/of [medeverdachte 6] . De focus in dat gesprek lag op de geldleningen van de andere ondernemingen waar [verdachte] en [medeverdachte 2] bij betrokken waren. In een mail van 20 juli 2016 stelt de Belastingdienst vragen aan [verdachte] in verband met een aanstaand bezoek op 10 augustus 2016 aan [medeverdachte 6] . Vraag 4 luidt: Van het bedrijf [bedrijf 11] uit Hong Kong kan ik niets terugvinden. Graag uittreksel van koophandel en nadere uitleg. Het antwoord op die vraag is dat de eigenaar van [bedrijf 11] [medeverdachte 2] is en dat het een relatie is van [medeverdachte 6] . Ter onderbouwing worden officiële stukken uit Hong Kong overhandigd. Dan beseft de Belastingdienst hoe de vork in de steel zit. Tussenconclusie De rechtbank stelt vast dat pas in 2016 door [verdachte] (in verband met [medeverdachte 6] ) desgevraagd aan de Belastingdienst is gemeld dat [medeverdachte 2] de eigenaar is van [bedrijf 11] . Daarbij is enkel gezegd dat het een (de rechtbank begrijpt: handels-)relatie van [medeverdachte 6] is. Een en ander betekent dat vanaf de oprichting van [bedrijf 11] tot aan 2016 (in verband met [medeverdachte 6] ) verzwegen is aan de Nederlandse instanties dat [medeverdachte 2] achter [bedrijf 11] zit. Ook is verzwegen dat [verdachte] en [medeverdachte 2] een persoonlijke relatie hadden, zelfs een lange periode getrouwd waren en feitelijk bijna niet van elkaars zijde weken. Evenmin is vermeld dat [verdachte] feitelijk de administratieve touwtjes van [bedrijf 11] in handen had, nu [medeverdachte 2] niet met computers werkt. Zij was gemachtigd op de bankrekeningen van [bedrijf 11] en maakte de facturen op. Verder ontving zij zelf ook substantiële bedragen van de bankrekening van [bedrijf 11] , terwijl de betalingen tussen [bedrijf 11] en [medeverdachte 6] enkel via een rekening-courant verhouding liepen. Hierboven is reeds vastgesteld dat [medeverdachte 2] in hoge mate betrokken is bij het reilen en zeilen van [medeverdachte 6] en dat [verdachte] in min of meer dezelfde mate betrokken is bij [bedrijf 11] . Zij opereerden feitelijk als een twee-eenheid. [bedrijf 11] bankierde zelfs met de gezamenlijke privébankrekening van [verdachte] en [medeverdachte 2] in Hong Kong. De onderlinge verwevenheid van [verdachte] en [medeverdachte 2] en hun bedrijven [medeverdachte 6] en [bedrijf 11] maakte het zeer eenvoudig om creatief om te gaan met hun verdiensten. Hierboven is reeds vastgesteld dat de winst van [medeverdachte 6] er nooit rooskleurig heeft uit gezien. Beoordeeld moet worden of dit te maken heeft met de eenvoudigheid van het schuiven met winsten naar [bedrijf 11] in Hong Kong. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat hiervoor niet van belang is of [medeverdachte 6] en [bedrijf 11] ook nog handelden buiten elkaar om. Dit maakt immers een winstverschuiving onderling niet meer of minder mogelijk. Winstverschuiving naar Hong Kong? Aan de orde komt vervolgens de vraag of er in de tenlastegelegde aangiften over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 & 2015 ten onrechte geen gewag is gemaakt van winsten die toekwamen aan [medeverdachte 6] , maar zijn weggeschreven via [bedrijf 11] . Daar gaat de bespreking van het tenlastegelegde feit 4 aan vooraf. De onder feit 4 tenlastegelegde valsheden in facturen tussen [medeverdachte 6] , [bedrijf 11] en derden vormen voor het Openbaar Ministerie een basis voor de veronderstelling dat sprake is geweest van het onrechtmatig verschuiven van winst naar [bedrijf 11] . De rechtbank zal hieronder elk gedachtestreepje van feit 4 bespreken. Feit 4 Gedachtestreepje 1: een factuur van de B.V., gericht aan [bedrijf 11] , gedateerd op 17 juli 2012 (Variant 1, bijlage nr. 1334 1/13, pag. 00032483 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de BV . aan [bedrijf 11] . tegen een (totale) factuurprijs van EUR 275.223,-, zulks terwijl een verkoop van goederen zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, in elk geval niet heeft plaatsgevonden aan [bedrijf 11] . De rechtbank merkt op dat dit één van de transacties is die in het dossier ook wel ‘ [dossiernaam] ’ worden genoemd. In het proces-verbaal wordt deze transactie gezien als ‘variant 1’. Wat vast staat omtrent de verkooprijs van deze goederen is dat hier door [medeverdachte 6] nauwelijks winst op wordt gemaakt. De inkoopprijs voor de goederen is € 262.479,- en de verkoopprijs aan [bedrijf 11] blijkens de tenlastegelegde factuur € 275.223,-. [bedrijf 11] factureert de goederen aan [bedrijf 34] voor € 1.035.180,-. Niet in discussie is dat tussen [bedrijf 11] en [bedrijf 34] nog een tussenschakel zit, dit is [bedrijf 35] . Kennelijk diende er tussen [bedrijf 11] en [bedrijf 35] ook nog het een en ander verrekend te worden en heeft dat plaatsgevonden. De rechtbank wil dit aannemen, maar acht niet relevant op welke manier een en ander vorm heeft gekregen. Gelet op het aanzienlijke prijsverschil en de uiterst kleine winstmarge voor [medeverdachte 6] is volstrekt duidelijk dat het in elk geval niet de bedoeling is geweest dat [medeverdachte 6] hier veel aan zou verdienen. Gedachtestreepje 2: een factuur van de BV ., gericht aan [bedrijf 36] , gedateerd op 14 maart 2012 (Variant 3, bijlage nr. 1344 2/9, pag. 00032521 proces-verbaal), ter zake verkoop van goederen door de B.V. aan [bedrijf 36] tegen een (totale) factuurprijs van USD 37.425,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) Uit de stukken blijkt dat in de laptop van [verdachte] een overzicht is aangetroffen met betrekking tot een transport van Rotterdam naar Keelung in Taiwan op 29 maart 2012. Het overzicht vermeldt de containernummers, de goederen en de prijs van $ 54.445,-. Betaald moest worden op [rekeningnummer 7] t.n.v. [bedrijf 11] bij de Standard Chartered Bank te Hong Kong. In het kantoor van [medeverdachte 6] is een ordner in beslag genomen met opschrift “Verkopen Supply 2012”. In deze ordner zat de in de tenlastelegging genoemde factuur aan [bedrijf 36] Het betrof een factuur met betrekking tot hetzelfde transport. De containernummers op de documenten kwamen overeen. Het factuurbedrag was echter $ 37.425. De rechtbank ziet dat er op 29 maart 2012 op de voornoemde bankrekening t.n.v. [bedrijf 11] een bedrag van $ 54.826,79 is betaald. Er is derhalve sprake van een substantieel prijsverschil en de goederen zijn aan Koun Shin verkocht tegen $ 54.445,- in plaats van het in de factuur van [medeverdachte 6] genoemde bedrag van $ 37.425,-. Opvallend is dat de correspondentie over de uiteindelijke prijs aan de klant verloopt via de laptop van [verdachte] , de eigenaar van [medeverdachte 6] . Vastgesteld kan worden dat het niet de bedoeling was dat het prijsverschil ten goede zou komen aan [medeverdachte 6] . Gedachtestreepje 3: twee, althans een factu(u)r(
- en)van [bedrijf 11] , gericht aan de BV ., (respectievelijk) gedateerd op 15 april 2010 en/of 28 december 2010 (Variant 4, bijlage nrs. 1043A 2/3 en 1345 2/2, pag. 00032067 en 00032530 proces-verbaal), (telkens) ter verrekening van (respectievelijk) USD 29.700,- en/of USD 48.800,-, in elk geval (telkens) ter verrekening van (een deel van) de verkoopprijs inzake verkoop en/of levering van goederen door de B.V. namens [bedrijf 11] aan [bedrijf 37] en/of [bedrijf 37] , zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een verkoop van die goederen door de BV . namens [bedrijf 11] , althans terwijl de BV . inzake de verkoop van die goederen in werkelijkheid (telkens) geen te verrekenen schuld had aan [bedrijf 11] Bij de stukken zijn twee facturen van [medeverdachte 6] gericht aan [bedrijf 37] aangetroffen. Dit betreft een factuur van 8 april 2010 met een te betalen bedrag van $ 90.000,- en een factuur van 17 november 2010 met een te betalen bedrag van $ 241.000,-. Daarnaast zijn in een ordner met het opschrift “Supply 2010 inkopen” twee facturen van [bedrijf 11] aan [medeverdachte 6] aangetroffen: d.d. 15 april 2010 ten bedrage van $ 29.700,- ($90.000,- minus cost price $ 60.300,-); d.d. 28 december 2010 ten bedrage van $ 48.800,- ($ 244.000,- minus purchase price $ 195.200,-). Uit beide laatste facturen blijkt dat de bedragen verrekend zijn in de rekening-courant verhouding tussen [bedrijf 11] en [medeverdachte 6] (RC 1047). Een en ander betekent dat van deze verkopen aan [bedrijf 37] een substantieel bedrag kennelijk ten goede komt aan [bedrijf 11] en daarmee niet belandt bij [medeverdachte 6] . Gedachtestreepje 4: een factuur van de BV ., gericht aan [bedrijf 38] , gedateerd op 16 januari 2013 (Variant 5, bijlage nr. 1333 2/3, pag. 00032481 proces-verbaal), ter zake verkoop en/of levering van goederen door de BV . aan [bedrijf 38] voornoemd tegen een verkoopprijs van totaal USD 15.115,-, zulks terwijl een verkoop van goederen tegen de prijs zoals op die factuur vermeld in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden (immers was in werkelijkheid sprake van een hogere verkoopprijs) In de laptop van [verdachte] zijn twee verschillende facturen aangetroffen van [medeverdachte 6] gericht aan [bedrijf 38] . Beide facturen zien op dezelfde levering. Het gaat om de factuur in de tenlastelegging van 16 januari 2013 (die ook is opgenomen in de administratie van [medeverdachte 6] ) ten bedrage van $ 15.115,- (geboekt R/C 1047) en om de factuur van 21 januari 2013 ten bedrage van $ 34.210,- die betaald moet worden op de rekening van [bedrijf 11] bij de Standard Chartered Bank in Hong Kong. Uit het bankafschrift van de rekening van [bedrijf 11] blijkt een betaling van $ 34.208,05 op 25 januari 2013 ( [bedrijf 38] ). [persoon 15] heeft op 9 januari 2018 verklaard dat de rekening 1/3 ($ 34.210) niet bij hem/de boekhouding van [medeverdachte 6] bekend is. Hij geeft aan dat er ook geen betalingsbevestiging is opgeschreven en dat het factuurnummer GMB20130121 ook niet door [medeverdachte 6] wordt gebruikt. De rechtbank stelt vast dat de klant in werkelijkheid dus een substantieel hogere verkoopprijs heeft betaald aan [bedrijf 11] dan het bedrag dat op de factuur in de tenlastelegging staat vermeld en tot de administratie van [medeverdachte 6] behoort. Dit bedrag of het verschil tussen de twee gefactureerde bedragen is niet ten goede gekomen aan [medeverdachte 6] . Gedachtestreepje 5: drie, althans een of meer factu(u)r(
- en)van de BV ., gericht aan [bedrijf 11] , (respectievelijk) gedateerd op 17 maart 2011 en/of 14 april 2011 en/of 15 november 2011 (Variant 6, bijlage nrs. 1043B 1/6, 10438 2/6 en 10438 5/6, pag. 00032069, 00032070 en 00032073 proces-verbaal) (telkens) ter zake het in rekening brengen door de B.V. aan [bedrijf 11] van een deel van de inkoopprijs van de/het op die factu(u)r(
- en)voornoemd vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de BV . en [bedrijf 11] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 11] , althans terwijl [bedrijf 11] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de inkoop van de/het op die factu(u)r(
- en)voornoemd vermelde goed(eren), en/of Gedachtestreepje 6: drie, althans een of meer factu(u)r(
- en)van [bedrijf 11] , gericht aan de B.V., (respectievelijk) gedateerd op 9 november 2011 en/of 9 november 2011 en/of 16 december 2011 (Variant 6, bijlage nrs 1043B 3/6, 1043B 4/6 en 10438 6/6, pag. 00032071, 00032072 en 00032074 proces-verbaal), (telkens) ter zake het in rekening brengen door [bedrijf 11] aan de BV . van een deel van de verkoopprijs van de/het op die factu(u)r(
- en)vermelde goed(eren) in verband met een Joint Venture tussen de BV . en [bedrijf 11] voornoemd, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen sprake was van een Joint Venture tussen de B.V. en [bedrijf 11] , althans terwijl [bedrijf 11] in werkelijkheid (telkens) geen aandeel had in de verkoop van de/het gefactureerde goed(eren), Deze facturen kunnen gezamenlijk besproken worden omdat ze allemaal betrekking hebben op dezelfde goederen (dieselmotoren [motoren] ) voor dezelfde klant [bedrijf 39] te Denemarken in 2011. Deze facturen zien deels op de verkoop van 26 motoren waarvoor [medeverdachte 6] de helft van de kosten doorberekent aan [bedrijf 11] (het vijfde gedachtestreepje). De andere drie facturen zien op de opbrengsten van de motoren, [bedrijf 11] brengt daarvan de helft in rekening aan [medeverdachte 6] (het zesde gedachtestreepje). Aan inkoopkosten heeft [medeverdachte 6] de helft van € 332.326,- aan [bedrijf 11] gefacturee