vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Team strafrecht Parketnummer: 01/993265-19 Datum uitspraak: 14 juli 2022 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren [geboortejaar 1] 1982, wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te: P.I. Veenhuizen, locatie Norgerhaven. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 oktober 2020, 15 december 2020, 16 februari 2021, 13 april 2021, 15 april 2021, 4 mei 2021, 6 juli 2021, 27 september 2021, 12 oktober 2021, 14 december 2021, 1 maart 2022, 17 mei 2022, 18 mei 2022, 19 mei 2022, 24 mei 2022, 25 mei 2022, 31 mei 2022 en 2 juni 2022, 7 juni 2022, 9 juni 2022, 10 juni 2022 en 30 juni 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 september 2020. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 april 2021 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2019 tot en met 02 juli 2020 te Amersfoort en/of IJmuiden, gemeente Velsen, en/of Goes en/of Nijkerk en/of Diemen en/of een of meer (andere) plaatsen in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ( een ) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of ( een ) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende ( een ) (ander(e)) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, waaronder - op of omstreeks 4 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of Goes, ongeveer 80 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of - op of omstreeks 18 mei 2020 te Goes en/of Nijkerk ongeveer 159 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel ( een ) (ander(e)) middel(
- en)vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2019 tot en met 02 juli 2020 te Amersfoort, althans in Nederland, als oprichter en/of leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte 13] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet. 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2019 tot en met 02 juli 2020 te Eemnes en/of Amersfoort en/of IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meerdere wapens en/of munitie van categorie I en/of II en/of III van de Wet wapens en munitie te weten 100, in elk geval een of meerdere, 9mm patronen (SIN AAFP3531NL) en/of 150, in elk geval een of meerdere, 9mm patronen (SIN AAFP3535NL) en/of 150, in elk geval een of meerdere, .45 ACP patronen (SIN AAFP3537NL) en/of 99, in elk geval een of meerdere, .45 ACP patronen en/of 1 .40 S&W patroon (SIN AAFP3540NL) en/of 100, in elk geval een of meerdere, .223 REM patronen (SIN AAFP3541NL) (aangetroffen op 4 juni 2020 te IJmuiden) en/of een pistool van het merk FN Herstal (SIN AAMO460ONL) en/of een pistool van het merk Glock (SIN AAMO4566NL) en/of een pistool van het merk Sig Sauer en/of twee bijbehorende patroonmagazijnen met twee patronen (SIN AAMO4561NL en SIN AAMO4562NL) en/of een tweede pistool van het merk Sig Sauer (SIN AAMO4563NL) en/of een tweede pistool van het merk Glock (SIN AAMO4568NL) en/of een derde pistool van het merk Sig Sauer (SIN AAMO4604NL) en/of een revolver van het merk Smith & Wesson (SIN AAMO45603NL) en/of een pistool van het merk CZ (SIN AAMO4570NL) en/of een pistool van het merk Springfield Armory (SIN AAM04571NL) en/of een pistool van het merk Smith & Wesson (SIN AAMO4605NL) (aangetroffen op 2 juli 2020 te [adres 3] , Amersfoort) en/of een (geladen) vuurwapen van het merk Glock, kaliber 9 x 19 mm (SIN AABE9107NL) en/of een patroonmagazijn met 11, in elk geval een of meerdere, 9 x 19 mm patronen (SIN AABE9108NL) en/of een ploertendoder (aangetroffen op 2 juli 2020 te [adres 2] , Amersfoort) en/of - een (geladen) vuurwapen van het merk Glock, kaliber 9 x 19 mm (SIN AAFP3604NL) en/of 10, in elk geval een of meerdere, bijbehorende patronen (SIN AAFP3605NL) (aangetroffen op 2 juli 2020 te [adres 4] , Eemnes) voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. In het navolgende zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis verdachte en de medeverdachten steeds bij hun achternaam noemen en daaraan niet telkens het woord (mede)verdachte toevoegen. Omvang van het geding In een vroeg stadium van deze strafprocedure is er ter zitting discussie geweest over de vraag waar de beschuldiging van feit 1 nu precies op ziet: op alleen de specifiek genoemde cocaïnehandel na het woord ‘waaronder’ - te weten de 159 kilo op 18 mei 2020 en de 80 kilo op 4 juni 2020 - of ook nog op andere cocaïnehandel? Bij de beoordeling van de door de verdediging ingediende onderzoekswensen op de regiezitting van 13 april 2021, heeft de officier van justitie in antwoord op vragen van diverse raadslieden, kort gezegd ‘voorgesteld om het te hebben over die 80 en 159 kilo’s’. Na het requisitoir van het Openbaar Ministerie op 25 mei 2022 hebben verschillende raadslieden zich aangesloten bij het betoog van de raadsman van (medeverdachte) [medeverdachte 1] waarin verzocht werd om aanhouding van de zaak teneinde in de gelegenheid te worden gesteld eventueel nadere onderzoekswensen te formuleren, aangezien het Openbaar Ministerie in het requisitoir kennelijk tot een bewezenverklaring (en strafeis) is gekomen op basis van ook concrete andere cocaïnehandel dan de genoemde 80 kilo en 159 kilo. Na beraad heeft de rechtbank ter terechtzitting aangegeven dat de rechtbank, in lijn met de verdediging en de eerdere opmerkingen van de officier van justitie, het feitencomplex in de tenlastelegging van feit 1 naar aanleiding van de toelichting van de officier van justitie zo had begrepen dat het alleen betrekking heeft op die concreet genoemde 80 en 159 kilo. Daarmee zou het woord ‘waaronder’ als het ware als weggestreept gelezen kunnen worden. Het aanhoudingsverzoek werd daarom afgewezen. De rechtbank zal de dagvaarding verbeterd lezen, in die zin dat het ‘waaronder’ moet worden weggestreept met als gevolg dat feit 1 slechts ziet op de daarin genoemde 80 en 159 kilo’s. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officieren van justitie kunnen, zoals hierna zal blijken, in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Encrochat. Inleiding. Gang van zaken – verloop onderzoeken. Onderzoek 26Lemont. Onderzoeken 26ParkCity en 26Lemont. Frankrijk. 126uba-machtiging. Artikel 8 EVRM. Unierecht en EVRM. Integriteit en betrouwbaarheid van de data. Gebruik van zendmastgegevens. Geheimhouders. Afsluitende overweging. Conclusie. A. Inleiding. Zoals ter terechtzitting diverse malen aan de orde is geweest, worden alle verweren op dit gebied geacht te zijn gevoerd in alle zaken. De rechtbank betrekt daarom alle gevoerde verweren in onderstaande beoordeling. Daarbij merkt de rechtbank op dat in 2022 bij diverse rechtbanken in het land uitspraken zijn gedaan op het gebied van Encrochat, waarin dezelfde verweren – zij het niet steeds allemaal – zijn gevoerd. De overwegingen van de rechtbank in het navolgende zullen voor een deel (sterk) gelijkend zijn op die van andere rechtbanken. In de beslissing op de onderzoekswensen van 4 mei 2021 heeft de rechtbank weergegeven op welke manier Encrochat werkt. Kort samengevat komt dit neer op het leveren van toestellen met daarop geïnstalleerde software met slechts de mogelijkheid via dataverkeer berichten te sturen naar een ander die eenzelfde soort toestel had en het contact geaccepteerd had. Deze berichten werden na uiterlijk zeven dagen automatisch gewist en konden ook op afstand gewist worden (panic wipe). In aanvulling op hetgeen in die beslissing staat weergegeven is nog vermeldenswaardig dat de prijzen van de aangeboden telefoons inclusief zes maanden abonnement rond de € 1.500 lagen. Gang van zaken – verloop onderzoeken. In de beslissingen op de onderzoekwensen van 4 mei 2021 en 12 oktober 2021 staat verwoord van welke feitelijke gang van zaken de rechtbank op die momenten voorlopig uitging. In aanvulling op en op sommige punten in afwijking daarvan overweegt de rechtbank nu het navolgende. Bij de inhoudelijke beoordeling komt het aan op een weging en juridische duiding van de feiten zoals deze uit de stukken naar voren komen. De verdediging heeft volhardend betoogd dat de rol van Nederland bij het onderzoek naar de berichten die via Encrochat verstuurd werden zodanig groot was dat alle aspecten van alle betrokken onderzoeken ten volle tegen het licht gehouden moeten kunnen worden. De rechtbank zal om die reden stilstaan bij de verschillende onderzoeken en beoordelen of en in welke mate delen daarvan nader moeten worden bekeken. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de vraag wie verdachten waren in onderzoek 26Lemont en of er raakvlakken zijn met onderzoek 26ParkCity. Daarna zal aandacht worden besteed aan het verkrijgen van de gegevens in Frankrijk. Vervolgens zal het verwerken van de gegevens in Nederland worden besproken. Onderzoek 26Lemont. Door de verdediging is steeds betoogd dat onderzoek 26Lemont gericht was op de gebruikers van Encrochat en niet, zoals door het Openbaar Ministerie is aangegeven, op het bedrijf Encro c.s. en daaraan gelieerde personen. De rechtbank heeft ten tijde van de inhoudelijke behandeling de onderliggende stukken behorende bij de 149b-beschikking van 11 oktober 2021 ontvangen. In die stukken is het volgende opgenomen over het onderwerp van onderzoek 26Lemont. In een tweetal processen-verbaal van 13 maart 2020 is uiteengezet wat de bevindingen waren met betrekking tot Encrochat. In beide verbalen wordt melding gemaakt van het op 10 februari 2020 gestarte onderzoek 26Lemont en dat dit onderzoek zich mede richt op de NN-gebruiker(
- s)van de Encrochattelefoons die worden verkocht door het bedrijf Encro c.s. Op 16 maart 2020 hebben twee officieren van justitie van het Landelijk Parket een brief (begeleidend schrijven bij aanvraag 126uba Sv in onderzoek 26Lemont) gericht aan de rechter-commissaris in Rotterdam. In die brief staat onder meer dat onder hun gezag op 10 februari 2020 een onderzoek is gestart door Team high Tech Crime van de Landelijke Eenheid onder de naam 26Lemont. Zij leggen uit: Dit onderzoek richt zich op de verdachte(
- n)Encro c.s. , kort gezegd een leverancier van een encrypte communicatiedienst met bijbehorende resellers in binnen- en buitenland en de criminele NN-gebruikers die gebruik maken van deze (gesloten) communicatiedienst. In de brief staat ook dat de onderschepte informatie gebruikt kan worden in de reeds lopende onderzoeken en in het onderhavige titel V onderzoek. De rechtbank constateert nu op basis van bovengenoemde stukken dat onderzoek 26Lemont niet alleen op Encro c.s. en de daaraan gelieerde personen gericht was, maar ook op de NN-gebruikers, waarvan in elk geval de gebruikers op de bijgevoegde lijst en dus een aantal verdachten in onderzoek 26ParkCity. Onderzoeken 26ParkCity en 26Lemont. Binnen onderzoek 26ParkCity was gebleken dat in ieder geval van vier Encrochattelefoontoestellen gebruik werd gemaakt. Op de lijst die aan de rechter-commissaris is voorgelegd stond dan ook onderzoek 26ParkCity. Dit onderzoek was een van de onderzoeken waarvoor de officier van justitie direct bij het verlenen van de initiële machtiging toestemming heeft verzocht om informatie uit onderzoek 26Lemont ten behoeve van die onderzoeken te gebruiken. Op basis van de door de officier van justitie gegeven omschrijving van de verdenking heeft de rechter-commissaris direct na het verlenen van de initiële machtiging op 27 maart 2020, toestemming verleend om informatie uit onderzoek 26Lemont te gebruiken ten behoeve van onderzoek 26ParkCity. Onderzoek 26ParkCity is dan ook aan de lijst van onderzoeken toegevoegd. Vervolgens heeft er binnen onderzoek 26ParkCity onderzoek plaatsgevonden naar de Encrochatcommunicatie, gevoerd door de gebruikers van deze IMEI-nummers. Dat onderzoek heeft tegencontacten van deze IMEI-nummers gegenereerd, waarvan gesteld kon worden dat zij betrokkenheid hadden bij het beramen en/of plegen van deze strafbare feiten en deel uitmaakten van hetzelfde criminele samenwerkingsverband. Er heeft vervolgens onderzoek plaatsgevonden naar de communicatie van zowel de aanvankelijk verzochte IMEI-nummers als naar de relevante tegennummers van die IMEI-nummers. Op die manier is er een compleet beeld ontstaan van het criminele samenwerkingsverband, zoals beschreven in het onderzoek 26ParkCity. Het bovenstaande betekent dat de onderzoeken 26ParkCity en 26Lemont wederzijds op elkaar van invloed zijn geweest. Onderzoek 26ParkCity heeft mede gediend ter onderbouwing van de aanvraag van de machtiging in onderzoek 26Lemont en de gegevens die zijn verkregen in onderzoek 26Lemont hebben bijgedragen aan het in onderzoek 26ParkCity opgebouwde dossier. Een en ander betekent dat de rechtbank toekomt aan een oordeel over de rechtmatigheid van de wijze van verkrijging en verwerking van de gegevens in onderzoek 26Lemont, in die zin dat beoordeeld moet worden of er sprake is van enig onrechtmatig handelen jegens de verdachten in onderzoek 26ParkCity. Volgens de Hoge Raad kan immers onder omstandigheden een rechtsgevolg worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Als algemene overkoepelende maatstaf in de rechtspraak ligt besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de verkrijging van de data door de Franse opsporingsdiensten en daarna op de verdere verstrekking van die gegevens in het onderzoek 26Lemont. Frankrijk. Voor de rechtbank staat vast dat de interceptietool in Frankrijk is geplaatst in een Franse server door Franse opsporingsambtenaren nadat daartoe de benodigde machtigingen zijn verstrekt door Franse rechters. Hierbij is voor de rechtbank niet van belang door wie de betreffende interceptietool is ontwikkeld. Zoals de Hoge Raad onlangs nog heeft overwogen, is in het kader van internationale samenwerking het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van het gemeenschappelijke recht wordt uitgeoefend leidend. De omstandigheid dat een team van opsporingsambtenaren en technici van de Nederlandse politie bijstand heeft verleend in Frankrijk maakte dat in die zaak niet anders. Ook het op verzoek van een Franse onderzoeksrechter in Nederland verlenen van technische bijstand kan volgens de Hoge Raad niet worden aangemerkt als uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied. De rechtbank zal op de ontwikkeling van de interceptietool dan ook niet nader ingaan. Door het plaatsen van de tool hebben de Franse opsporingsdiensten de beschikking gekregen over gegevens uit Encrochattelefoons waar dan ook ter wereld. Die gegevens van die telefoons zijn via de Franse server ter beschikking gekomen en de Franse opsporingsdiensten hebben die gegevens vervolgens onder andere verstrekt aan de Nederlandse opsporingsdiensten. Zoals blijkt uit de 126uba-machtiging is door de Nederlandse opsporingsdiensten voorafgaande aan het gebruik van de interceptietool door de Franse opsporingsdiensten voorzien dat daarmee ook de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied zouden kunnen worden getroffen. Dat maakt dat op het moment dat dit gebeurde er geen sprake was van een inbreuk op de soevereiniteit van de Nederland, nog daargelaten dat een dergelijke inbreuk niet in strijd is met de belangen van de verdachten in onderzoek 26ParkCity. Een en ander betekent ook dat de rechtbank geen waarde hecht aan het ontbreken van een vanuit Frankrijk aan Nederland gericht Europees Onderzoeksbevel waardoor volgens de verdediging niet voldaan zou zijn aan het bepaalde in richtlijn 2014/41/EU. Anders dan de situatie in het door de verdediging aangehaalde arrest Stojkovic, is er in dit onderzoek geen aanwijzing dat de Nederlandse strafrechtelijke autoriteiten een rol hebben gehad bij de inzet van de interceptietool in Frankrijk. Evenmin is er een aanwijzing dat er in Frankrijk sprake is geweest van enige onrechtmatigheid. Dit maakt dat er niet dieper ingegaan hoeft te worden op de mate van samenwerking alvorens te kunnen beoordelen of het vertrouwensbeginsel in deze situatie van toepassing is. Op basis van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het vertrouwensbeginsel ten volle geldt en dat het niet aan de Nederlandse rechter is om te toetsen hetgeen in Frankrijk door rechterlijke autoriteiten is geoordeeld. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat de gegevens in Frankrijk rechtmatig zijn verkregen en verstrekt aan de Nederlandse opsporingsdiensten. 126uba-machtiging. Door het Openbaar Ministerie is het standpunt ingenomen dat de 126uba-machtiging niet noodzakelijk was om informatie die uit Frankrijk naar aanleiding van de hack was verkregen in Nederland te kunnen onderzoeken, omdat sprake was van informatieoverdracht uit een Frans onderzoek gericht op een Franse verdachte ( Encro c.s. ). In het voorgaande is reeds vastgesteld dat de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uitgaat van de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens. De door de Franse autoriteiten verstrekte informatie diende vervolgens in Nederland te worden verwerkt en geanalyseerd. De bevoegdheid tot het binnendringen van een geautomatiseerd werk van artikel 126uba Sv staat beschreven in Titel V van het Wetboek van Strafvordering. Deze titel ziet op ‘bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband’, zo volgt uit artikel 126o Sv. Op grond van de in artikel 126uba Sv neergelegde bevoegdheid mag – als sprake is van een uit feiten en omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd die een ernstige inbreuk van de rechtsorde opleveren – een geautomatiseerd werk worden binnengedrongen en mogen er op grond van lid 1 sub d ook data worden vastgelegd. De rechtbank concludeert dat deze bevoegdheid ook de grondslag vormt om data te verzamelen en analyseren. Immers, het vastleggen van data zou zonder een daaropvolgende analyse van het vastgelegde materiaal geen enkel doel dienen. De aanvraag van een machtiging op grond van artikel 126uba Sv was dus noodzakelijk voor het doorzoeken en analyseren van de uit Frankijk verkregen informatie die zag op Nederlandse gebruikers van Encrochat. Of de samenwerking tussen Franse en Nederlandse autoriteiten – die uiteindelijke leidde tot verstrekking van informatie – plaatsvond in het kader van een JIT-overeenkomst en of die op dat moment al (formeel) tot stand gekomen was, is dan ook niet van belang. De rechtbank zal het verzoek tot voegen van de JIT-overeenkomst derhalve afwijzen. Door de verdediging is betoogd dat ten tijde van de aanvraag de verdenking ten aanzien van de nog onbekende (NN) Encrochatgebruikers van onvoldoende gewicht was om de machtiging op grond van artikel 126uba Sv te rechtvaardigen. Op 17 maart 2020 heeft de officier van justitie in onderzoek 26Lemont een machtiging gevorderd tot het binnendringen en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk ex artikel 126uba Sv in combinatie met een bevel tot opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv. Daarbij heeft de officier van justitie ter onderbouwing van de aanvraag de eerdere genoemde processen-verbaal van de Landelijke Eenheid van 13 maart 2020 en de brief met toelichting van de officier van justitie van 16 maart 2020 overgelegd. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 27 maart 2020 een machtiging op grond van artikel 126uba Sv in combinatie met een machtiging bevel tot opnemen van (tele)communicatie op grond van artikel 126t Sv afgegeven. De rechter-commissaris heeft in de beschikking overwogen dat gelet op de inhoud van voornoemd processen-verbaal van 13 maart 2020, de bijlage daarbij en daarnaast de brief met toelichting van de officier van justitie van 16 maart 2020, aannemelijk is dat een groot tot zeer groot deel van de gebruikers Encrochatcommunicatie kennelijk gebruikt in relatie tot of ten behoeve van het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Daarbij overweegt de rechter-commissaris dat sprake is van een noodzaak tot het doen van onderzoek, maar dat daartegenover de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deelnemers aan die communicatie staat. De rechter-commissaris toetst de toepassing van dit dwangmiddel aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Wat betreft de proportionaliteit en subsidiariteit is de beoordeling, in een geval waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, beperkt tot beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Ten aanzien van de verdenking die bestond op het moment van verstrekking van de machtiging legt de rechtbank echter een volle toets aan. Door de verdediging is betoogd dat die verdenking ten aanzien van de gebruikers van Encrochat van onvoldoende gewicht was om de machtiging op grond van 126uba Sv te rechtvaardigen. Dat de verdenking zich ook richtte tot de gebruikers van Encrochat is in het voorgaande reeds vastgesteld en wordt ook in het proces-verbaal van de Landelijke Eenheid expliciet benoemd en geconcretiseerd. Op grond van artikel 126uba Sv moet voor toepassing van de bevoegdheid sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De vraag is dan ook of uit de informatie die ten tijde van de aanvraag voor handen was een redelijk vermoeden van schuld in die zin kan worden afgeleid. De volgende feiten en omstandigheden, met name afkomstig uit de processen-verbaal van 13 maart 2020, acht de rechtbank in dat verband relevant. Uit de informatie van de in 2016 en 2017 gekopieerde servers van Ennetcom en PGPSafe blijkt dat (vrijwel) geen gebruik werd gemaakt van deze diensten door niet-criminelen. Nadat deze diensten door justitieel ingrijpen buiten gebruik raakten, werd in strafrechtelijke onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden gezien dat toestellen van Encrochat in gebruik werden genomen. Ten tijde van de aanvraag waren er mogelijk circa 12.000 Nederlandse Encrochatgebruikers. Van 1.200 gebruikers waren de notities ontsleuteld en die hadden nagenoeg alle betrekking op strafbare feiten. In ten minste 95 lopende onderzoeken was ten tijde van de aanvraag zicht op het gebruik van Encrochattelefoons. Zoals hiervoor beschreven, zijn de kosten van de aanschaf van een Encrochattelefoon inclusief een abonnement hoog, zeker in het licht van de beperkte gebruiksmogelijkheden van zo’n telefoon. Gebruikers kunnen slechts één op één met elkaar chatten (nadat men elkaar had geaccepteerd) en niet via een groepschat. Het is niet mogelijk om zelf applicaties te installeren op het toestel. Door het in hoge mate afschermen van communicatie door middel van encryptie, het aanbieden van functies als de ‘panic wipe’ en het voeren van een gebruikersadministratie waarbij telefoon en gebruikersaccount niet aan elkaar gelinkt kunnen worden, is het voor gebruikers mogelijk misdrijven te plegen/te beramen in georganiseerd verband. Over de wijze van aanschaf van een Encrochattoestel was het volgende bekend. Middels een telefoonnummer kon contact opgenomen worden om een afspraak te maken. Daarop volgde een sms met een adres en een datum en tijd waar de telefoons konden worden afgehaald. Op die plek ging men een kantoor in. Er werd uitleg gegeven, onder meer over dat er bij onderling gebruik van cijfercodes geen tokens of halve bankbiljetten nodig zijn. Er werd € 4.500,- afgerekend in briefjes van € 50,-. De toestellen hadden een licentie voor zes maanden en een verlenging van zes maanden zou € 1.200,- kosten. De koper hoefde zich niet te legitimeren. Ten aanzien van een tiental onderzoeken is in het proces-verbaal concreet uitgewerkt met welke strafbare feiten de in dat onderzoek aangetroffen gebruikers van de diensten van Encro c.s. zich bezighielden. Verder is ook uit 46 gekraakte toestellen gebleken dat deze gebruikt werden ten behoeve van communicatie over strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze informatie voldoende onderbouwd dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat gebruikers van Encrochat zich bezighielden met criminele activiteiten in georganiseerd verband, als bedoeld in artikel 126o Sv. De wijze waarop gebruik gemaakt kon worden van de diensten van Encro c.s. en de hoge kosten daarvan maakten op zichzelf al dat de diensten voor anderen niet of in veel mindere mate aantrekkelijk waren. De wijze van aanschaf van deze telefoons was geen gangbare wijze om aan een telefoon te komen en de uitleg die onder andere ging over tokens is voor de gemiddelde burger niet te volgen. Vervolgens is onderbouwd dat men in strafrechtelijke onderzoeken een verschuiving zag naar het gebruik van Encrochattelefoons toen andere diensten door ingrijpen van de politie niet meer in gebruik waren. In diverse onderzoeken zijn concrete IMEI-nummers die ook op een lijst van een reseller stonden naar boven gekomen en de ontsleutelde berichten gingen nagenoeg alleen over strafbare feiten. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit van de toepassing van 126uba Sv overwogen dat uit de verstrekte informatie is gebleken dat er geen of zeer weinig andere (effectieve) en minder ingrijpende methoden van opsporing en onderzoek ten dienste staan. Tegenover de noodzaak tot het doen van onderzoek staat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deelnemers aan de communicatie. Als waarborg dat niet de communicatie van anderen dan verdachten zal worden onderzocht en geen sprake zou fijn van een ‘fishing expedition’, heeft de rechter-commissaris zeven voorwaarden in zijn beslissing opgenomen. Kort gezegd houden die voorwaarden het volgende in. De wijze waarop zal worden binnengedrongen in de/het geautomatiseerde syste(e)m(
- en)zal worden vastgelegd aan de hand van logs. Een beschrijving van de daarbij gebruikte software zal voor onderzoek beschikbaar zijn en dient later te kunnen worden ingezet bij een nabootsing of demonstratie van de/het geautomatiseerde syste(e)m(en). De vergaarde informatie dient, bijvoorbeeld aan de hand van hashwaarden, controleerbaar te zijn en kan slechts worden doorzocht met toepassing van de in een proces-verbaal vastgelegde woordenlijsten met uitzondering van de gevallen waarin reeds is vastgesteld dat sprake is van in georganiseerd verband gepleegde strafbare feiten en de onderzoeken voor aanvang van de inzet van het middel op een aan de rechter-commissaris overgelegde lijst zijn gezet. De vergaarde informatie wordt onderzocht op het voorkomen van verschoningsgerechtigden in die communicatie. De vergaarde informatie dient na het onderzoek door middel van de zoeksleutels na maximaal twee weken aangeboden te worden aan de rechter-commissaris om de inhoud, omvang en relatie tot de vermoedelijke strafbare feiten te controleren en zal niet eerder ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie of de politie ten behoeve van (opsporings)onderzoeken. De vergaarde informatie wordt – voor zover het gaat om onderzoeken die niet op de overgelegde lijst staan – slechts ter beschikking gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk. De overwegingen van de rechter-commissaris ten aanzien van de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van de 126uba-bevoegdheid in samenhang bezien met de door hem gestelde voorwaarden bij toepassing van de bevoegdheid, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de machtiging heeft kunnen komen. Ten aanzien van de specifieke toepassing van de bevoegdheid in de onderhavige zaak overweegt de rechtbank als volgt. Zoals ten aanzien van de verwevenheid van de onderzoeken 26ParkCity en 26Lemont reeds is overwogen, waren uit het sinds 28 mei 2019 lopende onderzoek 26ParkCity reeds IMEI-nummers van de door het samenwerkingsverband gebruikte Encrochattoestellen bekend geworden. De officier van justitie heeft direct bij het verlenen van de initiële machtiging toestemming verzocht informatie uit onderzoek 26Lemont te gebruiken in onder andere onderzoek 26ParkCity. Invulling gevend aan het beoordelingskader van artikel 126uba Sv met daaraan toegevoegd de door hem gestelde voorwaarden, heeft de rechter-commissaris toestemming verleend om informatie uit onderzoek 26Lemont te gebruiken in onderzoek 26ParkCity en is onderzoek 26ParkCity aan de lijst van onderzoeken toegevoegd. Nu het ging om een reeds bekend onderzoek bestaat voor de verdediging geen belang bij de verzochte verstrekking van de woordenlijst. Immers, die woordenlijst werd slechts gebruikt in de situatie dat nog geen strafrechtelijk onderzoek liep naar een bepaald georganiseerd verband. Voor zover de verdachten ten tijde van de eerste inzet van de 126uba-bevoegdheid nog niet bekend waren, kwamen zij naar voren als contacten van de reeds bekende verdachten/IMEI-nummers. Ook voor die aanvankelijk onbekende verdachten geldt dat de genoemde woordenlijst niet van belang is om de juiste toepassing van de beschikking van de rechter-commissaris te kunnen toetsen. Onderzoek 26Woodland – voortgevloeid uit en met het oog op afscherming van onderzoek 26ParkCity opgestart – is op 14 mei 2020, na toetsing door de rechter-commissaris eveneens aan die lijst toegevoegd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld noch dat daarvan anderszins is gebleken, op grond waarvan aanleiding bestaat om vraagtekens te stellen bij de wijze waarop de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden zijn toegepast. Artikel 8 EVRM. Door de verdediging is voorts betoogd dat ten aanzien van de hack en het onderzoek aan de Encrochatcommunicatie sprake is van een inbreuk op het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak volgt dat bij de beoordeling het van belang is of daarbij een min of meer volledig beeld van iemands persoonlijke leven kan worden verkregen. Het onderzoek aan de Encrochatcommunicatie kon in beginsel een inmenging in het privéleven van de gebruikers tot gevolg hebben. Door het kader dat artikel 126uba Sv – als wettelijke grondslag voor de inmenging – schept in combinatie met de door de rechter-commissaris aan het doorzoeken van de berichten gestelde voorwaarden kan echter niet worden gezegd dat sprake is van bulkinterceptie, zoals door de verdediging is betoogd. Weliswaar gaat het om een grote hoeveelheid data, maar deze is niet ongedifferentieerd of ongericht doorzocht. De data werden immers doorzocht aan de hand van de door de officier van justitie verstrekte lijst met concrete onderzoeken – waarop onderzoek 26ParkCity al stond op het moment van verstrekken van de machtiging en waarop 26Woodland later eveneens is geplaatst – en de trefwoordenlijst. Ten aanzien van die trefwoordenlijst overweegt de rechtbank dat reeds zonder die lijst gericht onderzoek kon worden gedaan aan de data betreffende verdachten (en hun contacten) in onderzoek 26ParkCity, nu al een aantal IMEI-nummers bekend was. Met de machtiging 126uba Sv en de daarin vervatte voorwaarden was het recht op privéleven van de gebruikers van Encrochat dan ook voldoende gewaarborgd. Meer specifiek ten aanzien van de gestelde inbreuk op het privéleven van de verdachten in onderzoek 26ParkCity overweegt de rechtbank als volgt. In het proces-verbaal van 13 maart 2020 is reeds aangegeven dat de berichten die in gekraakte toestellen zijn gevonden enkel zien op strafbare feiten. De rechtbank ziet hiervoor ook bevestiging in het dossier van onderzoek 26ParkCity. Via regulier telefoonverkeer wordt wel gesproken over privézaken, maar via de Encrochattelefoons wordt (vrijwel) alleen over zaken die gerelateerd zijn aan strafbare feiten gesproken. Weliswaar kan op grond van de eveneens via de interceptietool vastgelegde locatiegegevens enig zicht worden verkregen op de bewegingen van de gebruikers, maar daaruit valt nog geen compleet (of tenminste meeromvattend) beeld van het leven van de gebruikers te destilleren. Uit het dossier valt immers ook af te leiden dat telefoons soms wisselden van gebruiker of dat de gebruiker de telefoon ergens achterliet. De uit de Encrochatberichten verkregen informatie kan dan ook niet worden gezien als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachten als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het recht om onontdekt strafbare feiten te plegen is geen recht dat artikel 8 van het EVRM beoogt te beschermen. Het verwerken en analyseren van de berichten levert dan ook geen schending van het recht op privéleven van de verdachten in onderzoek 26ParkCity op. Unierecht en EVRM. De verdediging heeft ten tijde van de inhoudelijke behandeling het betoogde ten tijde van de eerste regiezitting met betrekking tot het Unierecht herhaald en aangevuld. Kort samengevat komt het standpunt van de verdediging erop neer dat het bewaren en gebruiken van de data in strijd is met het Unierecht en dat het dus onrechtmatig is. Van de rechtbank wordt gevraagd haar eerdere voorlopige oordeel over de toepasselijkheid van de richtlijnen en het Handvest te heroverwegen. Subsidiair wil de verdediging dat over de toepassing van het Unierecht prejudiciële vragen worden gesteld. De rechtbank heeft hierboven vanwege haar oordeel dat onderzoek 26Lemont van invloed is geweest op onderzoek 26ParkCity uitgebreid stilgestaan bij de 126uba-machtiging en geoordeeld dat deze op terechte gronden is gegeven. Dat betekent dat, voor zover er al sprake is van beperkingen in de zin van het Unierecht, sprake is van een wettelijke grondslag voor die beperkingen en bovendien dat de machtiging voldoet aan de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De conclusie is dan ook dat het bewaren en gebruiken van de Encrochatdata in Nederland rechtmatig heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van schending van de artikelen 7, 8 en 52 lid 1 Handvest, zodat ook in zoverre van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake is. Ook dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen en de rechtbank zal dan ook, bij gebrek aan belang daarbij, haar eerdere beslissing niet herzien. De verdediging heeft subsidiair verzocht de zaak aan te houden zodat prejudiciële vragen gesteld kunnen worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over - kort samengevat - de werking van het Unierecht. De rechtbank acht het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk nu zij geen vragen heeft over de werking van het Unierecht. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank dat uit artikel 52 lid 3 Handvest voortvloeit dat voor zover een grondrecht uit het Handvest overeenkomt met een grondrecht uit het EVRM, de betreffende bepaling uit het Handvest niet zo mag worden uitgelegd dat het minder bescherming biedt dan het overeenkomstige grondrecht uit het EVRM. Dit betekent dat de rechtbank het gebruik van de Encrochatdata ook moet toetsen aan de artikelen 6 en 8 EVRM. Bij de beoordeling van de 126uba-machtiging heeft de rechtbank al geoordeeld dat geen sprake is van een schending van het bepaalde in artikel 8 EVRM. Om die reden zal nu uitsluitend nog ingegaan worden op de vraag of sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM. De rechtbank zal hieronder om redenen van efficiëntie meteen oordelen over de gehele procedure en in het bijzonder over het beroep van de verdediging op het beginsel van “equality of arms”. Uit het beginsel van “equality of arms” vloeit niet voort dat de verdediging aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. Als gezegd hebben in deze zaak de advocaten veel extra informatie aangedragen teneinde te onderbouwen dat zij nog meer informatie nodig hadden. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt zich thans voldoende informatie in het dossier om de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van de Encrochatdata te kunnen controleren en heeft die controle ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Dit betekent dat geen sprake is van een inbreuk op het beginsel van “equality of arms”. De rechtbank heeft ook anderszins geen inbreuken geconstateerd die tot de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel uitsluiting van het bewijs moeten leiden, noch heeft de rechtbank redenen om te constateren dat het proces als geheel niet zou voldoen aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het voorgaande leidt er toe dat ook deze verweren strekkende tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie danwel bewijsuitsluiting worden verworpen. Integriteit en betrouwbaarheid van de data. De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat alle Encrochatberichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat ernstig getwijfeld moet worden aan de integriteit en de betrouwbaarheid van de data. De rechtbank zal dit verweer verwerpen. Uit rapporten van gezaghebbende Engelse onderzoekers en het Nederlands Forensisch Instituut zoals door de verdediging naar voren is gebracht, is inderdaad onder meer naar voren gekomen dat het technisch hulpmiddel soms haperde, dat niet alle berichten zijn opgeslagen in de onderschepte datastroom en dat er gevallen bekend zijn van verwisseling van het type outgoing call en incoming call. De rechtbank overweegt dat het enkele gegeven dat informatie is weggevallen, nog niet maakt dat de informatie die er wel is daardoor als onbetrouwbaar moet worden beoordeeld. De rechtbank merkt op dat de verdediging in het onderhavige dossier nergens concrete passages uit de Encrochatberichten heeft aangeduid waaruit zou blijken dat er berichten zijn weggevallen en dat deze tot een andere uitleg en duiding van de wel aanwezige berichten zouden moeten leiden. Bij een zeer beperkt aantal berichten heeft de rechtbank geconcludeerd dat er een reactie lijkt te zijn weggevallen. Voor het overige heeft de rechtbank geconstateerd dat de communicatie tussen de verschillende accounts, zoals opgenomen in het dossier, niet onbegrijpelijk is verlopen. De conversaties sloten voor het overgrote deel inhoudelijk naadloos op elkaar aan en uit de chats volgde dat de gebruikers begrepen met welke persoon men communiceerde. Zelfs in gesprekken waarin het toestel op enig moment door een ander werd gebruikt, was voor de ander snel kenbaar met wie hij sprak (zoals na de aanhouding van [medeverdachte 5] op 26 april 2020 toen hij de Encrochattelefoon van [medeverdachte 1] in bruikleen kreeg). De verdachte heeft bovendien bij de politie en tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting de kans gekregen uitleg te geven bij de voor hem (meest) relevante Encrochatberichten en de mogelijke interpretatie daarvan, zodat voor hem de gelegenheid heeft bestaan – zo nodig geacht door hem – uitleg te geven over die berichten en/of aan te geven dat een bepaalde weergave of interpretatie niet juist is. Deze gelegenheid heeft de verdachte niet benut. De rechtbank verwerpt het verzoek van bewijsuitsluiting. De rechtbank zal, rekening houdend met de mogelijkheid van ontbrekende berichten, de Encrochatberichten met de nodige omzichtigheid bezien en slechts voor het bewijs gebruiken indien de rechtbank overtuigd is van haar lezing van die berichten en voorzover die lezing voldoende steun vindt in de context met andere gesprekken dan wel ander bewijsmateriaal. Gebruik van zendmastgegevens. De verdediging heeft gesteld dat sprake is van een onrechtmatigheid bij de verkrijging van de zendmastgegevens en heeft hiervoor gewezen op rechtsoverweging 51 en volgende uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 maart 2021 (ECLI:EU:C:2021:152, Estland tegen H.K.). In onderzoek 26ParkCity zijn de zendmastgegevens niet via machtiging van de rechter-commissaris verkregen, maar volgens het op dat moment geldende Nederlands recht waarbij de officier van justitie bevoegd was. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim gelet op de wijze van verkrijging en dat bewijsuitsluiting van de zendmastgegevens moet volgen. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat eerdergenoemd arrest van toepassing is, maar dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat sprake is van een vormverzuim gelet op de beperkte inbreuk op verdachtes persoonlijke levenssfeer. De rechtbank is, met de verdediging en het Openbaar Ministerie, van oordeel dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van toepassing is en dat de opgevraagde mastgegevens achteraf gezien niet door de officier van justitie gevorderd hadden mogen worden als er geen voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuurlijke entiteit heeft plaatsgevonden. Dat de gegevens zijn opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering doet daar niets aan af. Er is sprake van een schending van het Unierecht. De rechtbank is echter van oordeel dat het nadeel dat door deze schending is veroorzaakt, beperkt is in onderzoek 26ParkCity. De opgevraagde mastgegevens beslaan slechts een beperkte tijdspanne en op grond van die gegevens kan niet worden gezegd dat een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachten is verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, maar zal, rekening houdend met de aard en inhoud van de gemaakte inbreuk en omdat het Openbaar Ministerie thans wel de rechterlijk toetsing laat uitvoeren, worden volstaan met deze vaststelling zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden. Voorts weegt de rechtbank mee dat zij geen twijfel heeft dat bij een voorafgaande rechterlijk toetsing ten aanzien van het vorderen van deze mastgegevens, door de rechter-commissaris een machtiging zou zijn verleend. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder dat daaraan een rechtsgevolg wordt verbonden. Geheimhouders. Door de verdediging is gesteld dat de rechtbank verkeerd is voorgelicht in het kader van de geheimhoudersaanpak, dat naast de geheimhoudersofficier van justitie ook door de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket en één of meer rechercheofficieren van justitie inhoudelijk in de berichten van geheimhouders is gekeken en dat niet duidelijk is waarom. De rechtbank moet kunnen uitsluiten dat de inhoud van geheimhoudersberichten is meegenomen in onderzoek 26ParkCity in bijvoorbeeld TCI-informatie, tactische overwegingen of op welke andere wijze dan ook. In het kader hiervan heeft de verdediging nadere onderzoekswensen ingediend. De rechtbank stelt vast dat op 26 juli 2021 een proces-verbaal van bevindingen is opgesteld inzake de procedure omtrent geheimhouders in onderzoek 26Lemont. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe mogelijke geheimhoudersgesprekken zijn onderkend en hoe is voorkomen dat deze aan het dossier zijn toegevoegd. De verdediging heeft daarnaast niet aangevoerd dat zich in de (Encrochat-) dataset van onderzoek 26ParkCity geheimhoudersgesprekken bevinden en dit is de rechtbank ook niet op een andere wijze gebleken. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten voor de veronderstelling van de verdediging dat in onderzoek 26ParkCity geheimhoudersberichten zijn meegenomen in TCI-informatie, tactische overwegingen, dat dit is ingezet bij de opsporing of anderszins een rol heeft gespeeld. Door de verdediging is dit slechts onderbouwd in algemene en abstracte zin onder verwijzing naar hetgeen zich zou hebben afgespeeld bij geheimhouders gebruikmakend van cryptocommunicatie via Sky ECC. Niet is onderbouwd waarom hier concreet in onderzoek 26ParkCity en met betrekking tot Encrochat sprake van zou zijn. Om die reden ziet de rechtbank geen noodzaak voor aanvullend onderzoek en zal zij de nadere onderzoekswensen van de verdediging op dit punt afwijzen. Afsluitende overweging. ‘Encrochatproblematiek’ speelt in veel strafzaken in den lande. Binnen diverse geledingen van het Openbaar Ministerie is een aanzienlijk aantal functionarissen hierbij betrokken. De algemene insteek van het Openbaar Ministerie – dus niet alleen in dit onderzoek voor deze rechtbank, maar ook elders in Nederland – is/was dat zowel het interstatelijke vertrouwensbeginsel als de Schutznorm geldt: Nederland heeft vanuit het Franse onderzoek een bulk data uit Encrochattelefoons in de schoot geworpen gekregen (het vertrouwensbeginsel) en het onderzoek 26Lemont is slechts gericht op het bedrijf Encrochat en de daaraan gelieerde personen, waardoor eventuele gebreken in dat onderzoek niet doorwerken in het onderhavige onderzoek (Schutznorm). Dit standpunt werd ook in de onderhavige strafzaak door het Openbaar Ministerie verkondigd: steeds werd beweerd dat onderzoek 26Lemont gericht was op het bedrijf, niet op de gebruikers van de telefoons. Door de verdediging is deze kwestie meermalen aan de orde gesteld, maar keer op keer is door het (landelijk) Openbaar Ministerie uitdrukkelijk beweerd dat de NN-gebruikers geen verdachten waren in onderzoek 26Lemont. Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit de stukken die het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft gelegd aan de artikel 149b-vordering alsook uit de toelichtende brief aan de rechter-commissaris van 16 maart 2020 expliciet dat minst genomen óók de NN-gebruikers verdachten waren in het onderzoek 26Lemont. De rechtbank is van oordeel – en daarin staat deze rechtbank niet alleen – dat voormelde bewering van het (landelijk) Openbaar Ministerie dat alleen het bedrijf Encro c.s. verdachte was in onderzoek 26Lemont, zich niet verdraagt met de inhoud van de processtukken. Deze volgehouden stellingname heeft er ook toe geleid dat in de onderhavige strafzaak de verdediging en ook de rechtbank via verkregen stukken uit andere strafzaken, pas in een later stadium op de hoogte is geraakt van de werkelijke gang van zaken: de NN-gebruikers waren van meet af aan ook onderwerp van onderzoek geweest in onderzoek 26Lemont. Processtukken die achteraf als relevant kunnen worden beoordeeld, zijn door het Openbaar Ministerie aanvankelijk op grond van die mededeling bij de verdediging en de rechtbank weggehouden. Dat is kwalijk. De rechter moet immers kunnen vertrouwen op de juistheid van de mededelingen van het Openbaar Ministerie. Gelet op de aard en inhoud van de later ingebrachte stukken valt ook niet in te zien dat en waarom deze stukken niet eerder, eigener beweging, door het Openbaar Ministerie aan het dossier hadden kunnen worden toegevoegd. De rechtbank heeft geworsteld met de vraag of en zo ja welke consequentie aan het vorenstaande te verbinden. Uitgangspunt is dat de rechter, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR: 2020:1890) met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak. Op de strafrechter rust niet de taak en verantwoordelijkheid de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De rechtbank constateert dat ten finale door de officier van justitie toereikend verantwoording is afgelegd en dat niet gebleken is dat de verdediging onvoldoende was toegerust om verweer te voeren tegen de legitimiteit van de hack op de Encrochattoestellen. Van een vervolging in flagrante strijd met de beginsel van een behoorlijke procesorde is geen sprake. Op grond van het voorgaande valt niet in te zien dat de procedure als geheel, mede beoordeeld tegen de achtergrond van de op de formele verweren gegeven beslissingen, in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 6 EVRM. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt afgewezen. De rechtbank constateert voorts dat niet gebleken is dat verdachte alles overziend, op basis van het procesdossier zoals dat uiteindelijk vorm heeft gekregen, nadeel heeft geleden, anders dan dat de verdediging pas in la(a)t(
- er)stadium de beschikking heeft gekregen over de relevante stukken om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan haar constateringen, nu geen sprake is van een nadeel dat redelijkerwijs kan worden vereffend door bewijsuitsluiting of strafvermindering. De rechtbank zal volstaan met de enkele constatering dat het (landelijk) Openbaar Ministerie in strijd met haar magistratelijke rol lange tijd op grond van onjuist gebleken informatie heeft nagelaten stukken te overleggen die voor de verdediging (en de rechtbank) relevant waren. De rechtbank verwijst naar de aanbeveling tot reflectie die de rechtbank Noord-Holland in haar vonnis van 4 mei 2022 in r.o. 3.13 uitspreekt (ECLI:NL:RBNHO:2022:3899) en neemt deze over. Conclusie. Samenvattend: de rechtbank wijst alle verzoeken – daaronder begrepen het aanhoudingsverzoek, de onderzoekswensen en de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie – af die de verdediging in het kader van de ‘Encrochatproblematiek’ heeft gedaan. De rechtbank zal nu overgaan tot de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. De beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officieren van justitie. De officieren van justitie zijn van mening dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft geen standpunt met betrekking tot de beoordeling van de ten laste gelegde feiten bepleit. Het oordeel van de rechtbank. Hierna stelt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de feiten en omstandigheden vast. In de voetnoten in het vonnis zal worden verwezen naar de voor de bewezenverklaring redengevende bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt verder, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van die feiten en omstandigheden tot conclusies en beantwoording van de bewijsvraag komt. Ten aanzien van de identificatie van Encrochataccounts en bijnamen. Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen Encrochatberichten. De vraag die, al dan niet in reactie op een verweer, allereerst moet worden beantwoord, is of de verdachten te identificeren zijn als de gebruikers van bepaalde Encrochataccounts. Voor de aan verdachte ten laste gelegde feiten is (enkel) de identificatie van de gebruikers van de hieronder genoemde accounts van belang, zodat de overige accounts in dit vonnis onbesproken blijven. Ook zal worden stilgestaan bij de identificatie van de in het dossier gebruikte bijnamen en de stemherkenningen. [verdachte] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende de identificatie [verdachte] als [account 1] ’ zijn opgenomen, vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 1] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [verdachte] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie bijnaam [bijnamen 1] ’ zijn opgenomen, vast dat ten aanzien van verdachte [verdachte] onder andere gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [bijnamen 1] . Hierna zal de rechtbank deze bijnamen aanduiden als [verdachte] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [verdachte] ’ zijn opgenomen, vast dat [verdachte] gebruik maakte van de telefoonnummers + [nummer 1] en + [nummer 2] . Daarnaast wordt de stem van [verdachte] herkend bij meerdere opgenomen gesprekken in de auto van [medeverdachte 1] (Porsche Cayenne [kentekennummer] ). [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [medeverdachte 1] is [account 2] en vanaf 24-05-2020 [account 1] ’ zijn opgenomen, vast dat verdachte [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van de accounts ‘ [account 2] ’ en ‘ [account 1] ’ en dat berichten van deze accounts aan hem zijn toe te schrijven. Uit het dossier volgt dat hij de telefoon met dit account op enig moment kortstondig heeft uitgeleend. Wanneer en voor zover dit aan de orde is, zal de rechtbank daar uitdrukkelijk melding van maken. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van deze accounts aanduiden als [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende bijnaam [bijnaam 1] ’ en ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie bijnaam [medeverdachte 1] ’ zijn opgenomen, vast dat ten aanzien van [medeverdachte 1] gebruik gemaakt werd van de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’. Hierna zal de rechtbank deze bijnamen aanduiden als verdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [nummer 3] en [nummer 4] ’ en het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 1] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van de telefoonnummers + [nummer 3] en + [nummer 4] . [medeverdachte 2] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [medeverdachte 2] is [account 3] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 3] ’’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 2] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [medeverdachte 2] gebruiker van [nummer 5] ’ en het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 2] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 2] gebruik maakte van het telefoonnummer + [nummer 6] . Daarnaast wordt de stem van [medeverdachte 2] herkend bij meerdere opgenomen gesprekken in de auto van [medeverdachte 1] (Porsche Cayenne [kentekennummer] ). [medeverdachte 3] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 3] als [account 4] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 4] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 3] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende bijnaam [bijnaam 3] en gebruikersnaam Encrochat [account 5] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 5] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven en dat ten aanzien van hem gebruik gemaakt werd van de bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van ‘ [account 5] ’ en de bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’ aanduiden als [medeverdachte 3] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 3] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van het telefoonnummer + [nummer 7] . [medeverdachte 9] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [account 6] als [medeverdachte 9] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 9] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 6] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 9] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende bijnaam [bijnaam 11] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 9] gebruik maakte van de bijnaam ‘ [bijnaam 11] ’. Hierna zal de rechtbank deze bijnaam aanduiden als verdachte [medeverdachte 9] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 9] ’ en ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 9] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 9] gebruik maakte van het telefoonnummer + [nummer 8] . [medeverdachte 4] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [bijnaam 4] en [bijnaam 7] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 4] gebruik maakte van de bijnamen ‘ [bijnaam 4] ’, ‘ [bijnaam 5] ’ en ‘ [bijnaam 6] ’. Hierna zal de rechtbank deze bijnamen aanduiden als [medeverdachte 4] . [medeverdachte 11] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 11] als [account 7] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 11] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 7] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Dat er – zoals door de verdediging is betoogd – meer mensen zijn die in Groningen wonend, een baby hebben gekregen begin 2020 en beschikken over een zwarte Volvo, wil de rechtbank aannemen. De rechtbank betrekt daarnaast in haar overwegingen echter ook dat de zendmastlocaties van de telefoons van ‘ [account 7] ’ en [medeverdachte 11] op heel veel momenten overeenkomen, ook op de dag dat [medeverdachte 11] door de politie geobserveerd is op [adres 5] bij het bedrijf van [verdachte] , dat op dezelfde datum een NIWO-vergunning zou zijn verstrekt aan ‘ [account 7] ’ als aan [medeverdachte 11] en dat een zeer specifiek in de berichten tussen [verdachte] en ‘ [account 7] ’ genoemd bedrag (€ 13.077,75) op de rekening van [medeverdachte 11] wordt overgemaakt vanuit een bedrijf van [verdachte] . Deze omstandigheden zijn zodanig specifiek dat daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden geconcludeerd dan dat [medeverdachte 11] de gebruiker was van het account ‘ [account 7] ’. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 11] . [medeverdachte 10] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende gebruiker [nummer 9] en [nummer 10] ’ en het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 10] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 10] gebruik maakte van de telefoonnummers + [nummer 11] , + [nummer 12] en + [nummer 13] . [medeverdachte 8] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 8] als [account 8] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 8] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 8] . [medeverdachte 5] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 5] als [account 9] + [account 10] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van de accounts ‘ [account 9] ’ en ‘ [account 10] ’ en dat alle berichten van deze accounts aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van deze accounts aanduiden als [medeverdachte 5] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 5] bijnaam [account 11] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 5] gebruik maakte van de bijnaam ‘ [account 11] ’. Hierna zal de rechtbank deze bijnaam aanduiden als [medeverdachte 5] . [medeverdachte 12] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende stemherkenning [medeverdachte 12] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 12] gebruik maakte van de telefoonnummers + [nummer 14] , + [nummer 15] en + [nummer 16] . [medeverdachte 7] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte 7] gebruiker [account 12] ’ en ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [medeverdachte 7] is [account 13] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van het account ‘ [account 13] ’ en dat alle berichten van dit account aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van dit account aanduiden als [medeverdachte 7] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek historische verkeersgegevens [IMEI] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 7] gebruik maakte van het telefoonnummer + [nummer 17] . [medeverdachte 6] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende [bijnaam 4] en [bijnaam 7] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 6] werd aangeduid met de bijnaam ‘ [bijnaam 7] ’. De rechtbank wijst daarbij met name op de berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] op 3 mei 2020 waarin [medeverdachte 3] zegt dat [bijnaam 7] even weg is om een deurtje te maken en dat [medeverdachte 3] wacht op [bijnaam 5] in combinatie met het bericht van [medeverdachte 6] aan zijn vrouw op diezelfde dag, waarin staat dat hij even een paar deuren aan het maken is. Deze berichten zien beide op een zeer specifieke situatie op dezelfde dag en naar het oordeel van de rechtbank kan in het licht van de overige aanwijzingen in voornoemd proces-verbaal dan ook niet anders geconcludeerd worden dan dat [medeverdachte 6] ‘ [bijnaam 7] ’ is. Dat [medeverdachte 6] eigenlijk de schoonzoon is van [medeverdachte 4] en niet de biologische zoon, doet daar niet aan af. Hierna zal de rechtbank deze bijnaam aanduiden als [medeverdachte 6] . [medeverdachte] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [medeverdachte] als [bijnaam 8] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte] gebruik maakte van de bijnaam ‘ [bijnaam 8] ’. Hierna zal de rechtbank deze bijnaam aanduiden als [medeverdachte] . [medeverdachte 14] . De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in het ‘proces-verbaal van bevindingen betreffende identificatie [bijnaam 9] en [bijnaam 10] ’ zijn opgenomen, vast dat [medeverdachte 14] de gebruiker is geweest van de accounts ‘ [bijnaam 9] ’ en ‘ [bijnaam 10] ’ en dat alle berichten van deze accounts aan hem zijn toe te schrijven. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van deze accounts aanduiden als [medeverdachte 14] . De conclusie. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende vastgesteld: Verdachte Encrochataccount Overige bijnamen [verdachte] [account 1] [bijnamen 1] [medeverdachte 1] [account 2] en [account 1] [bijnaam 1] en [bijnaam 2] [medeverdachte 2] [account 3] [medeverdachte 3] [account 4] en [account 5] [bijnaam 3] [medeverdachte 9] [account 6] [bijnaam 11] [medeverdachte 4] [bijnaam 4] , [bijnaam 5] en [bijnaam 6] [medeverdachte 11] [account 7] [medeverdachte 8] [account 8] [medeverdachte 5] [account 9] en [account 10] [account 11] [medeverdachte 7] [account 13] [medeverdachte 6] [bijnaam 7] [medeverdachte] [bijnaam 8] [medeverdachte 14] [bijnaam 9] en [bijnaam 10] Ten aanzien van feit 2. Aanvang onderzoek, eerste zicht op verdachten. Het onderzoek is gestart op 28 mei 2019 naar aanleiding van een aantal TCI-processen-verbaal. Het werd ingesteld tegen onder meer [verdachte] , wegens vermoedelijke betrokkenheid bij de grootschalige in-, uit- en doorvoer van verdovende middelen, m.n. cocaïne. Hij zou bij de cocaïnetransporten gebruik maken van zijn transportbedrijf [bedrijfsnaam 1] , gevestigd aan [adres 2] te Amersfoort. Ook [persoon 3] kwam naar voren en ook naar hem vond onderzoek plaats. In de maand juni 2019 zijn er telefoontaps geplaatst en hebben observaties plaatsgevonden. Op dat moment, dus meteen na de start van het onderzoek, kwamen meerdere van de medeverdachten – hoewel zij voor een deel pas veel later als verdachte zijn aangemerkt – in beeld. Dat waren [medeverdachte 12], [medeverdachte 3], [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9]. [medeverdachte 1] werd voor het eerst gezien in juli 2019. In augustus 2019 is [medeverdachte 4] te horen in een getapt telefoon gesprek. De auto van [medeverdachte 2] is op 7 november 2019 gezien bij [adres 2] in Amersfoort en opgeschreven is dat hij op 16 oktober 2019 in beeld kwam in het onderzoek. [medeverdachte 5] is bij een observatie in januari 2020 waargenomen. De overige verdachten (dat zijn [medeverdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 11] ) zijn in beeld gekomen na 1 april 2020, nadat er meegelezen kon worden met de berichten van Encrochat. Op basis van de bevindingen die naar voren zijn gekomen uit het complete onderzoek, gaat de rechtbank uit van de navolgende lezing van de feiten en omstandigheden. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat zij geenszins een compleet beeld heeft nu weinig door verdachten is verklaard en de aard van strafbaar handelen met zich brengt dat men ernaar streeft zoveel mogelijk buiten beeld te houden. Verder merkt de rechtbank op dat zij ook in zal gaan op de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde periode omdat het niet zo is dat een organisatie pas ontstaat op het moment dat een onderzoek start. Dit betekent uiteraard niet dat het mogelijk strafbare dat heeft plaatsgevonden voor de ten laste gelegde datum mee zal worden gewogen bij de bewezenverklaring en de uiteindelijke strafoplegging. Het kan echter wel zo zijn dat de rechtbank feiten uit die periode mee neemt voor haar beoordeling van wetenschap en derhalve opzet. Transporten naar het Verenigd Koninkrijk. Uit het dossier volgt dat er gedurende 2019 verschillende vrachtwagenchauffeurs in opdracht van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] (beiden eveneens vrachtwagenchauffeur) met bevroren goederen (koeltransporten) naar het Verenigd Koninkrijk zijn gereden. De rechtbank ziet de volgende constructies: periode chauffeur opdrachtgever combinatie bijzonderheden januari - mei 2019 [medeverdachte 4] [bedrijf 8] [kenteken 1] en [kenteken 2] hij reed zo goed als altijd met koeltrailer april - juni 2019 [chauffeur 1] [bedrijf 4] van [medeverdachte 1] [kenteken 3] en [kenteken 4] chauffeur aangehouden in Harwich op 26 juni 2019 – 264 kg cocaïne tussen bevroren vlees september -november 2019 [chauffeur 2] [bedrijf 8] [kenteken 5] en [kenteken 2] chauffeur aangehouden in Harwich op 11 november 2019 - 280 kg cocaïne in bevroren vlees [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heel goed kent, al tussen de vijftien en achttien jaar ongeveer. Hij is ongeveer tien jaar collega geweest bij [bedrijf 5] en daarna waren ze collega’s bij [bedrijf 6] van [bedrijf 7] . [medeverdachte 1] is daar iets eerder weggegaan want die ging voor zichzelf iets doen. [medeverdachte 4] kent [medeverdachte 1] al zijn hele leven als ‘ [bijnaam 1] ’. [medeverdachte 4] is daarna voor [medeverdachte 9] gaan rijden, want die wilde het bedrijf uit gaan bouwen. Hij is daar in januari 2019 begonnen. Hij ging hoofdzakelijk naar Engeland voor [medeverdachte 9] . Hij reed zo goed als altijd met de KRONE huurtrailer [kenteken 2] , een keer moest de koelmotor gekeurd worden. [medeverdachte 4] kent [chauffeur 1] van ontmoetingen op de boot en hij weet dat [chauffeur 1] voor [medeverdachte 1] reed. Hij heeft ook wel eens een foto van het rijbewijs van [chauffeur 1] toegestuurd gekregen en doorgestuurd naar een autohandelaar. Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte 1] inderdaad op 13 september 2018 zijn bedrijf [bedrijf 4] heeft opgezet. Ook blijkt uit de stukken dat [medeverdachte 4] in november 2018 nog voor [bedrijf 6] reed. In de periode dat [medeverdachte 4] voor [medeverdachte 9] reed (in elk geval van 5 januari 2019 tot en met 10 mei 2019) heeft hij meerdere gemiste oproepen van zowel [medeverdachte 9] als [medeverdachte 1] . Op 27 augustus 2019 neemt [medeverdachte 4] de telefoon wel op als [medeverdachte 1] belt en ze bespreken dat er niet lekker gepraat kan worden als er teveel volk bij is. Ze zien elkaar deze week sowieso nog eventjes, even babbelen en verder kortsluiten. Ze hebben het kort over ‘ [bijnaam 12] ’ en [naam 1] (de rechtbank neemt aan dat dat gaat over respectievelijk [medeverdachte 9] en [persoon 3] ). [medeverdachte 1] denkt dat iedereen zit mee te luisteren ‘die kanker tering kanker agent’. [medeverdachte 4] wil [medeverdachte 1] vandaag of morgen spreken. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte 1] een bericht moet sturen, [medeverdachte 4] dacht ik bel je niet. [medeverdachte 1] zegt dat je soms wel kunt opnemen maar dat hij tegenwoordig niets meer durft met die kankertelefoon. [medeverdachte 4] zegt dat hij daarom niet belt of geen berichtje stuurt. Na de aanhouding van [chauffeur 1] op 26 juni 2019 is in het Verenigd Koninkrijk een onderzoek gestart. Er is onder meer gekeken naar de telefoons die in de cabine van de vrachtwagen lagen en de tachograafgegevens zijn geanalyseerd. Ook zijn overtochtgegevens opgevraagd bij Stena Line. [chauffeur 1] heeft in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 juni 2019 achttien keer gebruik gemaakt van Stena Line, telkens met dezelfde trekker [kenteken 3] en telkens met [documentnaam] . Uit onderzoek bleek dat de trekker en de oplegger op naam stonden van [bedrijf 4] B.V., het bedrijf van [medeverdachte 1] , en dat [chauffeur 1] voor hem werkzaam was als chauffeur. Onderzoek naar de mastgegevens van de telefoons van [chauffeur 1] en [medeverdachte 1] in de periode 15 tot en met 30 juni 2019 leidt volgens verbalisanten tot de volgende bevindingen: [chauffeur 1] en [medeverdachte 1] onderhielden onderling telefonisch contact; in die periode is [chauffeur 1] vier keer naar het Verenigd Koninkrijk gereden; er werden rondom die transporten gelijktijdig masten in de buurt van [adres 5] aangestraald door zowel de telefoons van [chauffeur 1] als [medeverdachte 1] ; de telefoon van [medeverdachte 1] leek telkens de telefoon van [chauffeur 1] te volgen onderweg naar Hoek van Holland. Er leek sprake te zijn van een zogenaamde carroussellading om meerdere redenen: er lag een document op één van de pallets in de trailer waarop stond dat de lading (1028,5 KG runder vliesvlees) op 18 september 2018 was geladen bij [bedrijf 9] in Apeldoorn. een getuige werkzaam bij de geadresseerde op de CMR, [bedrijf 10] heeft nooit gehoord van [bedrijf 11] en er zijn nooit orders bij hen geplaatst. [chauffeur 1] is niet bij hen geweest in de week voorafgaande aan zijn aanhouding. [chauffeur 1] heeft in oktober 2019 in het Verenigd Koninkrijk een gevangenisstraf van 17 jaar gekregen voor zijn rol bij de gebeurtenissen op 26 juni 2019. Ruim een uur na de aanhouding van [chauffeur 1] in het Verenigd Koninkrijk probeert [medeverdachte 1] telefonisch contact te krijgen met [chauffeur 1] . Zijn telefoon straalt op dat moment een mast nabij [adres 5] in Amersfoort aan. In de ochtend na de aanhouding om 11:43 uur belt [verdachte] naar [persoon 3] . [persoon 3] is in Bleiswijk, gaat even douchen en komt eraan. Om 11:44 uur belt [medeverdachte 9] naar [persoon 3] , [persoon 3] gaat hem misschien vanmiddag bellen om wat te bespreken. Om 13:24 uur wordt [persoon 3] gebeld door zijn vrouw [naam 2] , hij vertelt dat hij onderweg is naar [verdachte] , hij heeft hem geroepen. Uit mastgegevens van de telefoons van [verdachte] en [persoon 3] lijkt te volgen dat ze die middag allebei in de buurt van [adres 5] zijn. Gedurende de dag heeft [persoon 3] nog een paar keer contact met [medeverdachte 9] , het lukt niet meer om elkaar vandaag te treffen. [persoon 3] vertelt wel dat iemand dik tevreden is over [medeverdachte 9] en dat er een jongen naar [medeverdachte 9] toe komt. [persoon 3] neemt later die avond ook contact op met [chauffeur 2] . Ze treffen elkaar laat bij [bedrijf 9] . Op 28 juni 2019 om 19:18 uur belt [persoon 3] met [chauffeur 2] , ze hebben het onder andere over [chauffeur 1] en dat ze er niks over gehoord hebben. Op 29 juni 2019 belt [persoon 3] met [chauffeur 2] om 11:30 uur. [persoon 3] zegt dat er niets gezegd moet worden over die jongen. Ze zien elkaar zo. Om 12:57 uur belt [persoon 3] weer naar [chauffeur 2] : de locatie is veranderd, [hotel] Utrecht. Om 13:17 uur belt [persoon 3] weer met [chauffeur 2] : Over waar ze elkaar treffen. Ze gaan samen naar binnen, anders wordt hij gek. De mastgegevens van de telefoons van [persoon 3] , [chauffeur 2] en [verdachte] passen op dat tijdstip bij de locatie van [hotel] in Utrecht. Om 13:54 uur belt [persoon 3] met [medeverdachte 9] : Ken jij even weg? Over een half uurtje? [medeverdachte 9] vraagt waar hij naar toe moet. Richting Amersfoort zegt [persoon 3] , hij stuurt zo het adres. Om 14:32 uur zegt [persoon 3] tegen [medeverdachte 9] [hotel] Amersfoort. [medeverdachte 9] is er over 30 minuten. De mastgegevens van de telefoons van [persoon 3] en [verdachte] wijzen rond 14:05 uur op een locatie in Hilversum. Om 15:11 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 9] een mast aan nabij [hotel] Amersfoort. In datzelfde uur stralen ook de telefoons van [persoon 3] , en [medeverdachte 1] die mast aan. Om 16:47 uur belt [persoon 3] met zijn vrouw [naam 2] . [persoon 3] is in Amersfoort bij [medeverdachte 10] . In de daarop volgende periode is er regelmatig contact tussen [chauffeur 2] en [persoon 3] en in september 2019 volgen ontmoetingen waarbij [verdachte] / [medeverdachte 1] / [medeverdachte 9] ook zijn betrokken: 7 september 2019 rond 18:45 uur ontmoeting [persoon 3] , [chauffeur 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in Hoofddorp 8 september 2019 18:06 uur ontmoeting [persoon 3] , [chauffeur 2] en [medeverdachte 9] bij [fastfoodketen] Dordrecht 9 september 2019 19:27 uur [chauffeur 2] is op bezoek bij [adres 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn daar. 10 september 2019 12:46 uur ontmoeting [chauffeur 2] en [medeverdachte 9] IJmuiden 11 september 2019 20:31 uur observatie ontmoeting [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] in Den Haag, Dok 28. Vanaf begin september 2019 was [chauffeur 2] in dienst van [bedrijf 8] . Daarna heeft de combinatie [kenteken 5] / [kenteken 2] regelmatig de overtocht naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt. Ook zijn er na die datum nog regelmatig ontmoetingen (in wisselende samenstellingen) tussen [chauffeur 2] , [persoon 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] . Na de ontmoeting op 11 oktober 2019 ( [chauffeur 2] , [medeverdachte 9] , [verdachte] en [medeverdachte 1] ) belt [chauffeur 2] veel met [persoon 3] . Hij zegt in een gesprek het volgende: R (de rechtbank: [chauffeur 2] ): Nou, weet je ik kreeg bij [medeverdachte 1] (fon) een beetje het idee dat ie uh, die [bijnaam 13] uit naam van [medeverdachte 9] sprak,(…) R: Dus ik krijg een beetje het idee dat die [bijnaam 13] daar voor [medeverdachte 9] (ntv) omdat [medeverdachte 9] zijn smoel niet open durft te doen. en in het daaropvolgende gesprek wordt het volgende gezegd: R (rechtbank: [chauffeur 2] ): Dus dan zeg ik uh, moet je luisteren, volgens mij is die uh [bijnaam 11] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 9] ) de chef en heb ik uh met die [bijnaam 11] van doen. Als ik ook verantwoording daar aan moet afleggen dan is het end zoek. Dus daarom vraag ik: werk ik voor die [bijnaam 11] of voor die andere? O (de rechtbank: [persoon 3] ): Ja je werkt, je werkt voor de organisatie. De rechtbank begrijpt uit het bovenste gesprek dat [chauffeur 2] [medeverdachte 1] [bijnaam 13] noemt. Vanaf 18 oktober 2019 tot en met 25 oktober 2019 is [medeverdachte 1] diverse malen aan het bellen over een kapotte wikkelmachine en onderdelen. Op 21 oktober 2019 ontvangt [bedrijf 12] een mail van [bedrijf 13] , men was op zoek naar frozen warehouse facilities in Birmingham. Er werd ook gebeld door de heer [persoon 4] met nummer [nummer 18] . Op 23 oktober 2019 bezocht [persoon 4] van [bedrijf 13] het poeliersbedrijf [bedrijf 14] . Hij vroeg om een paar ton bevroren kipgehakt, hij wilde dit op 25 oktober 2019 laden. Hij heeft foto’s gemaakt van een sticker op een doos van het product [productnaam] en wilde de maten van de doos hebben en is vervolgens niet meer teruggekomen. Op 24 oktober 2019 heeft [persoon 4] van [bedrijf 13] gemaild naar [bedrijf 8] met het verzoek om een offerte voor een wekelijks transport naar Engeland van 24 pallets. Op 25 oktober 2019 was een BMW op naam van [bedrijf 15] bij [adres 2] in Amersfoort. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat de bewaarder van de boeken en bescheiden van deze BV de heer [persoon 5] is, en dat is dezelfde persoon als de enig aandeelhouder van de holding boven [bedrijf 13] . Op 28 oktober 2019 is door leden van het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 1] in de Renault Trafic [kenteken 6] (waarvan later bekend is geworden dat er een professionele verborgen ruimte in zat ) op de parkeerplaats van de woonboulevard [woonboulevard] die bus heeft uitgeleend aan twee personen en er daarna mee terug gereden is naar [adres 5] in Amersfoort. Op 31 oktober 2019 is de Volkswagen Kombi [kenteken 7] om 15:50 uur gezien terwijl hij de tweede uitrit van [adres 2] te Amersfoort in rijdt. Ook van dit voertuig is later bekend geworden dat er een professionele verborgen ruimte in zat. Op 7 november 2019 is de Renault Trafic [kenteken 6] vertrekkend van [adres 5] gezien. De rechtbank constateert dat in deze periode met regelmaat van en naar [adres 5] is gereden in bussen met verborgen ruimtes. Op 29 oktober 2019, 3 november 2019 en 10 november 2019 vertrekt de combinatie [kenteken 5] / [kenteken 2] van Hoek van Holland naar Harwich. In de dagen rondom die vertrekken is er veel bedrijvigheid waargenomen rondom [adres 2] te Amersfoort. Zo is uit een telefoongesprek op zaterdagochtend 2 november 2019 om 06:21 uur op te maken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op zoek zijn naar een hotel en dat ze wat ze nog over hebben gewoon invriezen. [chauffeur 2] zegt op 4 november 2019 tegen [persoon 3] dat hij onderweg is naar Londen en dat die [bijnaam 13] echt niet kan rijden, die nam gisteren een trekker mee, want ze hadden natuurlijk die trailer effe gebracht. Ook in de nachten van 8 op 9 en 9 op 10 november 2019 is [medeverdachte 1] op [adres 5] , hij belt daarover met zijn partner. Op 11 november 2019 is gezien dat de oplegger [kenteken 2] (met trekker [kenteken 8] ) en de BMW van [medeverdachte 9] van [adres 5] naar Aalsmeer zijn gereden. Ook heeft de BQ Aquaris die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1] op datzelfde tijdstip masten in Aalsmeer aangestraald. Rond 19:00 uur die avond rijden de combinatie [kenteken 5] / [kenteken 2] en de BMW van [medeverdachte 9] op de A4 richting Hoofddorp en om 20:08 uur gaat de [kenteken 5] aan boord van de ferry in Hoek van Holland. Op maandag 11 november 2019 om 07:48 uur (Engelse tijd) is [chauffeur 2] in het Verenigd Koninkrijk gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij het importeren van drugs. Het zou gaan om ongeveer 280 kilogram cocaïne. Nog geen uur later werd [medeverdachte 9] gebeld door een Engels telefoonnummer, hij was op dat moment op [adres 5] . Vanaf dat moment is [medeverdachte 9] erg veel aan het bellen geweest. Op 19 november 2019 werd in opdracht van [bedrijf 8] een brief verzonden aan de National Post Seizure Unit vanwege de vehicle seizure van [kenteken 5] / [kenteken 2] . In die brief van road transport lawyer kantoor [bedrijf 16] werd waarschijnlijk per abuis gerefereerd aan de combinatie [kenteken 3] / [kenteken 4] . Dit was de combinatie waar [chauffeur 1] mee werd aangehouden. [medeverdachte 1] en [chauffeur 1] hadden in juni 2019 regelmatig contact met [persoon 6] uit Poeldijk ( [nummer 19] ) welk nummer op basis van de politiesystemen te koppelen is aan de [V.o.f.] . In november 2019 had [medeverdachte 9] regelmatig contact met [V.o.f.] en heeft hij door dat bedrijf 22 eerder door [chauffeur 2] gebrachte pallets op laten halen in het Verenigd Koninkrijk. Uit de stukken uit het Verenigd Koninkrijk blijkt dat de pallets die [chauffeur 2] – na een tussenstop op een andere locatie alwaar hij vier pallets afleverde – op 4 november 2019 had gebracht op 6 november 2019 weer werd opgehaald. Volgens [chauffeur 2] verdachten de Engelsen (zo begrijpt de rechtbank) hem ook van het vervoeren van die tering zooi een week voordat hij werd aangehouden. [chauffeur 2] is in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar voor zijn betrokkenheid bij bovengenoemd transport. Op meerdere momenten in de tenlastegelegde periode en met name rondom 11 november 2019 neemt [persoon 3] contact op met [medeverdachte 9] over zijn bereikbaarheid. [persoon 3] geeft op verschillende momenten in de periode september 2019 tot en met mei 2020 aan dat een ander [medeverdachte 9] niet te pakken kunnen krijgen, vraagt of zijn accu leeg is of zegt dat [medeverdachte 9] naar die andere telefoon moet kijken.: In het voorgaande is ten aanzien van de identificatie al overwogen dat de rechtbank concludeert dat [medeverdachte 9] de gebruiker is van het Encrochataccount ‘ [account 6] ’. Hij had via dat account contact met [verdachte] , ook in de periode voorafgaand aan het transport van [chauffeur 2] . In diezelfde periode had hij bovendien ontmoetingen met [verdachte] en [chauffeur 2] . Deze bevindingen duiden op een strafbare betrokkenheid van zowel [verdachte] als [medeverdachte 9] bij het transport van [chauffeur 2] . In een OVC in de Porsche van [medeverdachte 1] op 26 maart 2020 waar [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto zaten, gaat het over hoe andere(
- n)(groeperingen) het doen en [verdachte] zegt dan: “Maar als je hun een beetje hoort, ik denk dat hun het in de lading verwerken. Wat wij ook gewoon deden.” Conclusie transporten Verenigd Koninkrijk. Alles bij elkaar leidt ertoe dat de rechtbank niet anders kan concluderen dan dat [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de uitvoer van cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk. Alleen al de twee transporten van [chauffeur 1] en [chauffeur 2] bevatten 264 + 280 = 544 kilogram cocaïne. [medeverdachte 4] heeft in de ten laste gelegde periode geen bewijsbaar actieve rol gehad bij de betreffende transporten, maar de rechtbank gaat er gelet op de onderlinge dynamiek en geschiedenis van alle betrokken personen van uit dat [medeverdachte 4] in 2019 op de hoogte was van het bestaan van een organisatie die zich bezig hield met het uitvoeren van cocaïne in bevroren vrachten naar het Verenigd Koninkrijk. Overige bevindingen. Achteraf bezien zijn verdachten die door de berichten van Encrochat pas in beeld zijn gekomen, ook al zichtbaar in het dossier voorafgaand aan de periode dat Encrochat werd meegelezen. Dit geldt bijvoorbeeld voor [medeverdachte 4] . Hieronder zal de rechtbank nader ingaan op de geschiedenis en op verbanden die al voor de tenlastegelegde periode bestonden. [medeverdachte] . De inmiddels overleden [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [verdachte] al jaren kent, in elk geval vanaf het moment dat [persoon 7] een baby was en [persoon 7] is geboren op [geboortejaar 2] 2013. Ze reden allebei op de vrachtwagen, daar kennen ze elkaar van. Ook [medeverdachte 3] kent hij van een gezamenlijke strafzaak, dat ging over een loods in Soest. Uit de gepubliceerde vonnissen in die zaken maakt de rechtbank op dat die zaak een zaak met vier medeverdachten betrof en dat het strafbare feit (september 2017) zag op, kort gezegd, het vervoeren van cocaïne en heroïne in voertuigen met verborgen ruimtes terwijl iedereen een PGP-telefoon voorhanden had. Uit de samenvatting van de Whatsappberichten uit de uitgelezen telefoon van [medeverdachte] blijkt dat [medeverdachte] via die weg regelmatig contact had met [verdachte] en met hem afsprak gedurende de periode 2 oktober 2019 - 31 maart 2020. Hij sprak ook wel af bij [hotel] langs de A1. Ook later (mei-juni 2020) is [medeverdachte] actief betrokken geweest bij de binnenlandse handel. Daaruit komt naar voren dat hij beschikte over een Sky ECC telefoon en dat hij daarmee rechtstreeks in contact stond met [verdachte] . Verder wordt verwezen naar de bespreking van de binnenlandse handel. [medeverdachte 10] . Uit de tapgesprekken komt een beeld naar voren van een moeizame relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 10] . Illustratief voor die relatie is het gesprek tussen [medeverdachte 10] en [persoon 3] op 12 augustus 2019: [persoon 3] : Je weet hoe hij is. Hij is nou boos. Over drie weken is ie niet meer boos. [medeverdachte 10] : Maar ik ga niet terug. lk laat me niet elke keer zo behandelen. lk heb ook een [bijnaam 7] . lk kan er niet meer tegen. lk vind het harstikke jammer dat meen ik echt. [persoon 3] : Heeft hij weer NTV in beslag genomen. [medeverdachte 10] : Alles. Maar nog meer dan alles. Ook de auto, BMW, alles [persoon 3] : Eerst geeft hij alles daarna neemt hij alles weer af. (…) [medeverdachte 10] : Als hij mij kapot maakt moet hij het zelf doen! Zal ik nog in zijn gezicht staan te lachen. Dat meen ik echt. Zover ben ik nu. Ik zal hem nooit verlinken, ik zal hem nooit, ik zal nooit naar de andere kant stappen. Nooit niet! Als hij dat na vier jaar voor hem klaar staan wil doen moet hij dat doen jongen! [persoon 3] : Ja [medeverdachte 10] : vierentwintig zeven stond ik voor hem klaar. lk had geen leven. Als ik lag te neuken lag die telefoon nog op haar voorhoofd. De rechtbank begrijpt dat dit gesprek gaat over [verdachte] . Uit het dossier blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 10] al jaren met elkaar optrekken. Er is een mutatie uit januari 2017 van een ontmoeting van [medeverdachte 10] en [verdachte] bij [hotel] in januari 2017. Verder is zichtbaar in het dossier dat [medeverdachte 10] met ingang van 1 oktober 2018 eigenaar wordt van [bedrijf 17] . Met ingang van 28 november 2018 gaat dit bedrijf de huur van [adres 2] te Amersfoort betalen. Op 13 mei 2019 wordt de naam van het bedrijf van [medeverdachte 10] veranderd in [bedrijf 18] . Vanaf 18 juni 2019 komt de Renault Trafic [kenteken 6] op naam van dit bedrijf te staan. Dit voertuig is op 4 juni 2020 aangetroffen met onder andere cocaïne en munitie in verborgen ruimtes (verwezen wordt naar de overwegingen met betrekking tot feit 1). Op 28 juni 2019 belt [verdachte] naar [medeverdachte 10] en vraagt hem naar een iPhone in de deur links. [medeverdachte 10] antwoordt dat er twee liggen waarop [verdachte] hem NSB’er noemt omdat [medeverdachte 10] niet gewoon zijn vraag beantwoordt. Op 8 juli 2019 vertrekken [verdachte] en [medeverdachte 10] samen naar Malaga. [medeverdachte 10] wordt op 16 juli 2019 samen met [medeverdachte 1] gezien bij [bedrijf25] in Geleen, een autobedrijf waar [verdachte] ook regelmatig komt. Begin augustus 2019 ontslaat [verdachte] [medeverdachte 10] , waarna het hierboven aangehaalde tapgesprek plaatsvindt. Op 21 augustus 2019 regelt [verdachte] een baan voor [medeverdachte 10] . Hij kan gewoon de hele week van huis, maar niet naar het buitenland volgens [verdachte] . Hij heeft geen huis, hij heeft niks meer. Op 25 augustus 2019 belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 10] en meldt hem dat iemand [medeverdachte 10] probeert te bereiken, daarom belt hij. [medeverdachte 10] zegt dat dat kutding elke keer uit valt. [verdachte] belt in de periode daarop regelmatig met [medeverdachte 12] over de financiën van [medeverdachte 10] . [medeverdachte 10] belt naar [medeverdachte 1] op 4 oktober 2019 en zegt dat hij op de zaak slaapt. In de tweede helft van oktober lijkt het weer mis te lopen tussen [verdachte] en [medeverdachte 10] . [verdachte] belt [medeverdachte 12] om te zeggen dat [medeverdachte 10] niet meer mag bellen op kosten van de zaak. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] nemen telefonisch contact op met de vader van [medeverdachte 10] : [medeverdachte 10] moet de spullen komen brengen, [verdachte] is het helemaal zat. Die jongen heeft voor vier jaar ellende gezorgd. Op 5 november 2019 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 12] of [medeverdachte 12] de telefoon van [medeverdachte 10] weer kan aansluiten. [medeverdachte 10] heeft papieren geregeld en kan de verslavingskliniek in. In de nacht van 9 op 10 november 2019 hebben [verdachte] en [medeverdachte 10] ruzie, er vallen wederzijds stevige bedreigingen. Daarna wordt [medeverdachte 10] door [verdachte] ingeschakeld op zondagochtend 17 november 2019 om de zijruit van de Audi van zijn vriendin [persoon 8] in te slaan. Uiteindelijk meldt [medeverdachte 10] op 25 november 2019 dat hij vertrekt naar Zuid-Afrika. Op 19 december 2019 blijkt uit een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 12] dat [medeverdachte 10] terug komt. Het lijkt erop dat [medeverdachte 10] wordt weggestuurd. Op 22 december 2019 vliegen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] en nog twee anderen terug vanuit Alicante. Op 30 december 2019 vliegen [medeverdachte 10] en [verdachte] weer samen terug uit Alicante. Op 2 januari 2020 is bij een observatie gezien dat [medeverdachte 10] met [persoon 3] in een restaurant een ontmoeting had met een derde. Op 7 januari 2020 had [medeverdachte 10] samen met [verdachte] een ontmoeting met een ander bij de [fastfoodketen] in Ermelo. Er werd onder meer gesproken over chauffeurs, deklading, mensen die vast zitten, gepakt worden en lijnen hebben. Op 18 januari 2020 vliegen [verdachte] en [medeverdachte 10] weer terug uit Alicante. Op 20 januari 2020 wil [medeverdachte 10] een rustige tafel voor drie reserveren bij het [restaurant] op naam van [verdachte] . Op 7 februari 2020 belt [medeverdachte 10] met Ryanair, hij boekt twee tickets van Alicante naar Eindhoven voor [verdachte] en [medeverdachte 14] . Bij een observatie op [medeverdachte 1] is waargenomen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] in de VW Polo van [medeverdachte 10] naar de Radonweg in Amersfoort gaan en daar bezig zijn bij de combinatie [kenteken 9] / [kenteken 10] . Op 28 januari 2020 is die combinatie in Harwich gecontroleerd. De chauffeur was [chauffeur 3] . Er werd 80 kilo cocaïne aangetroffen in de oplegger. Om 16:43 uur die dag wordt [medeverdachte 1] gebeld door [persoon 9] en op de achtergrond is te horen dat [medeverdachte 10] wordt gebeld. [medeverdachte 10] zegt dat de ander weet hoe het werkt, hetzelfde ntv als met die gekke [medeverdachte 9] (…) [medeverdachte 1] bemoeit zich ermee: ze moet gewoon Border Force bellen en dan zegt ze gewoon van joh ehh mijn man die. Op 9, 16, 18 en 26 februari 2020 zit [medeverdachte 10] bij [medeverdachte 1] in de Porsche en de daar gevoerde gesprekken zijn meegeluisterd. Op 16 februari 2020 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] het over hun werkklimaat gehad en werd ook gesproken over het halen van 300 stuks waarvan [medeverdachte 10] zich afvroeg of dat bij hem moest liggen. Het lijkt er sterk op dat [verdachte] op 25 februari 2020 erg boos was op [medeverdachte 10] en hem in Hilversum heeft mishandeld. [verdachte] is zelf ook gewond geraakt en heeft zijn duim moeten laten zetten en hechten. [medeverdachte 1] was erbij en heeft gezegd dat [verdachte] naar het ziekenhuis moest. [medeverdachte 10] moest op 26 februari 2020 met [medeverdachte 1] naar een tattooshop in Tiel om zijn [tatoeage] te laten verdwijnen. Als [medeverdachte 10] het niet doet, laat [verdachte] zijn arm er nu afzagen. Om 22:07 uur op 26 februari 2020 stuurt [verdachte] via Whatsapp een foto van een rechterbovenarm waarop de letters OME te zien zijn en over de letters RTA een zwart vlak is getatoeëerd. Na 28 februari 2020 wordt de huur van [adres 5] niet meer betaald door het bedrijf van [medeverdachte 10] . Met ingang van april 2020 betaalt [bedrijf 4] B.V. van [medeverdachte 1] deze huursommen. Er is een camera geplaatst op één van de ingangen van het bedrijf van [verdachte] , [adres 2] te Amersfoort. In ieder geval vanaf donderdag 2 januari 2020 is nagenoeg dagelijks op de beelden waarneembaar dat een grijze VW Polo, voorzien van het kenteken [kenteken 11] , op naam van [bedrijf 18] , gedurende lange tijd aanwezig is op [adres 2] . Daarnaast is [medeverdachte 10] zelf ook herhaaldelijk te zien op deze camerabeelden, althans een persoon die heel erg sterk lijkt op hem. Tevens is uit de gegevens van de mastlocaties gebleken dat het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 10] nagenoeg dagelijks aanstraalt op een mast aan [adres 5] te Amersfoort. Tijdens de zoekingen op de verschillende locaties in dit onderzoek zijn op veel locaties goederen van [medeverdachte 10] aangetroffen. Dit past in het beeld dat [medeverdachte 10] geen vaste woonplaats leek te hebben. Ook past het bij het beeld dat de (bedrijfs-)naam van [medeverdachte 10] werd gebruikt door [verdachte] . In de woning van [verdachte] in Eemnes werden papieren geadresseerd aan [medeverdachte 10] en de geboorteakte van [medeverdachte 10] aangetroffen. In de woning van [verdachte] in Spanje werden ook papieren, een bankpas en een Visacard van [medeverdachte 10] aangetroffen. Er werden ook voer- en vaartuigen op naam van [medeverdachte 10] aangetroffen. Aan de [adres 6] in Hilversum werden valse Belgische identiteitsbewijzen aangetroffen met daarop foto’s van [medeverdachte 10] . In de Mercedes van [medeverdachte 12] werd administratie van [medeverdachte 10] en zijn bedrijven aangetroffen. In het pand aan [adres 7] in Diemen werden medicijnen, papieren en een dagboek (Bloemendal Zuid-Afrika) van vermoedelijk [medeverdachte 10] aangetroffen. Op één van de wapenkoffers (met daarin een Sig Sauer) die zijn aangetroffen in de door [medeverdachte 12] gehuurde box bij [bedrijf 19] is een vingerafdruk van mogelijk [medeverdachte 10] aangetroffen. Op twee pistolen (Sig Sauer en Smith & Wesson) in andere wapenkoffers is DNA-materiaal aangetroffen dat zeer waarschijnlijk afkomstig is van [medeverdachte 10] . Uit het bovenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat [medeverdachte 10] in de tenlastegelegde periode op tumultueuze wijze zijn positie binnen de organisatie aan het kwijtraken was. [medeverdachte 10] was jarenlang een vertrouweling en rechterhand van [verdachte] geweest. Hij gebruikte een cryptotelefoon om met [verdachte] te communiceren, ging regelmatig met hem mee naar Spanje, beschikte over valse identiteitsdocumenten, heeft wapens van [verdachte] in handen gehad, was bij belangrijke ontmoetingen en droeg een [tatoeage] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 10] hoorde bij de organisatie van [verdachte] en dat hij geheel op de hoogte was van de activiteiten van de organisatie. [medeverdachte 12] . Met betrekking tot [medeverdachte 12] komt de rechtbank tot een vrijspraak wat betreft het tenlastegelegde criminele samenwerkingsverband. Om die reden wordt niet nader op zijn rol in gegaan in dit vonnis. Binnenlandse handel. Vanaf het moment dat de berichten van Encrochat zichtbaar worden, wordt inzichtelijk met wie [verdachte] allemaal contact heeft. Zijn toestel met IMSI- en IMEI-nummer werd al op 16 juli 2019 via de scan waargenomen. Zijn Encrochatnaam was in de periode van het meelezen ‘ [account 1] ’ en het IMEI-nummer [nummer 20] . Vanaf 29 maart 2020 wordt inzichtelijk dat [verdachte] een spin in het web is met betrekking tot de distributie van gevacumeerde ‘stuks’. [verdachte] ontvangt opdrachten van ‘ [bijnaam 14] ’ in het Engels en [verdachte] zet de berichten door naar [medeverdachte 5] die het verder zelf afhandelt met degenen die stuks in ontvangst moeten nemen. [medeverdachte 5] stuurt ook [medeverdachte 7] aan, dit wordt meteen inzichtelijk vanaf 29 maart 2020: “20 verpakken en afgeven in utrecht 17:30 10 worden der opgehaald En 34 moeten der opgehaald worden in soest” En op 30 maart 2020: “Je moet zo naar mij staat doosje woonkamer afgeven bij Jumbo renault clio”. En ook op 30 maart 2020: [medeverdachte 5] : “Leggen klaar in een tas boven moet alleen nr 110 op geschreven worden. Check adres effe hoelang rijden het is en effe die nrs der op schrijven”. [medeverdachte 5] : “Over half uurtje naar mij toe even nr 110 der op zetten in de bus gooien en die kant op rijden”. [medeverdachte 7] : “Zijn er 20 toch”. [medeverdachte 5] : “Ja zijn al dubbel verpakt 1 tas tel ze voor zekerheid en dan zo weer in dir tas zo past hij in de stash”. [medeverdachte 5] : “Wel effe die 110 der op zetten beneden op tafel licht eej stif of boven (…)” [medeverdachte 7] : “Ik moet een tokke krijgen toch” [medeverdachte 5] : “Nee wachtwoord puma (…)” [medeverdachte 7] : “Sta bij 142 voor de deur (…)” [medeverdachte 7] : “Hij zij puma en ben leeg. Rij nu terug naar huis”. De berichten worden dagelijks verzonden en er vinden steeds dialogen plaats. [medeverdachte 5] houdt [verdachte] van alles op de hoogte en houdt in de gaten welke voorraden er zijn. [medeverdachte 7] handelt naar de instructies van [medeverdachte 5] en vraagt bijvoorbeeld aan [medeverdachte 5] of er niet gevacumeerd moet worden. [verdachte] wil graag dat [medeverdachte 5] berichten in het Engels stuurt zodat hij ze door kan sturen aan ‘ [bijnaam 14] ’. [medeverdachte 1] is degene die pap (de rechtbank begrijpt: geld) moet aanpakken. [medeverdachte 5] heeft ook contact met [medeverdachte 8] over het ophalen van stuks in Goes, bijvoorbeeld 200 stuks. [medeverdachte 5] zegt op 5 april tegen [medeverdachte 8] : “Kun je weer zo doen als laatste x”. [medeverdachte 5] heeft ook contact met [medeverdachte 14] . [medeverdachte 8] reageert als [medeverdachte 5] naar het adres vraagt met: “Zelfde adres als altijd. Bij de Jumbo”. [medeverdachte 5] houdt [medeverdachte 8] en [verdachte] op de hoogte over dat de bus er is. [medeverdachte 8] vraagt als hij de bus heeft aan [medeverdachte 5] of hij kan vragen waar de magneet ligt, hij ligt niet op zijn plek. Dan zegt [medeverdachte 8] dat hij het gevonden heeft. [medeverdachte 5] bespreekt met [verdachte] dat [medeverdachte 7] een fout heeft gemaakt. [verdachte] is er niet blij mee en [medeverdachte 5] moet er van [verdachte] strakker op zitten. [verdachte] vindt het ook niet fijn als [medeverdachte 5] niet bereikbaar is, hij kan beter van tevoren melden als hij op de motor stapt. Zo weet [verdachte] ook of [medeverdachte 5] veilig is of niet. Dat het mis kan gaan blijkt op 26 april 2020. [medeverdachte 5] is in Amsterdam ‘ één ’ op gaan halen. [medeverdachte 5] wordt staande gehouden in Amsterdam, en men komt erachter dat hij een blok cocaïne bij zich heeft en veel telefoons, waaronder drie cryptotelefoons. Hij wordt aangehouden om 10:35 uur. Om 10:36 stuurt [medeverdachte 7] aan [verdachte] : “[account 11] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ) is gepakt”. [verdachte] vraagt details aan [medeverdachte 7] en legt uit dat [medeverdachte 5] net ‘ één ’ had aangepakt. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 7] of hij weet waar de BP in Eemnes is. [medeverdachte 7] moet daar heen komen en [verdachte] gaat dan zorgen voor iemand die met [medeverdachte 7] mee kan om de bus in Diemen op te halen die daar weg moet. Als [verdachte] vraagt waar [medeverdachte 5] is aangehouden zegt [medeverdachte 7] dat hij dat niet weet, [medeverdachte 5] stuurde alleen dat alles weg moet. Zijn vriendin wist alleen welke auto hij mee had. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 7] : “Heb je ze encro al opgeblazen en sky”. Later die middag geeft [verdachte] allemaal instructies aan [medeverdachte 7] over hoe het allemaal geregeld moet worden. [medeverdachte 7] moet in de Peugeot bus die bij [medeverdachte 5] huis staat de machines laden, ermee naar Diemen rijden, de machines in de hal zetten en de spullen in de bus zetten. Om 16:35 uur meldt [verdachte] aan [medeverdachte 7] dat hij vrij is. [medeverdachte 7] mag de bus niet op een andere plek op het terrein zetten van [verdachte] , de handel mag niet zo op straat staan. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 7] : “als het goed is heb je 143 stks leggen daar”. Hij vraagt hoeveel er in de Peugeot past. [medeverdachte 7] denkt 150. [verdachte] stuurt aan [medeverdachte 7] : “[account 11] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ) gaat je uitnodigen met naam [bijnaam 16]” (De rechtbank begrijpt dat de Encrochattelefoon van [medeverdachte 1] op dat moment in handen is van [medeverdachte 5] ). [verdachte] waarschuwt [medeverdachte 7] dat hij uit de buurt van [medeverdachte 5] moet blijven omdat die heet als wat is. [medeverdachte 7] volgt de instructies van [verdachte] en [medeverdachte 5] en gaat naar de man uit IJmuiden die met de oprijwagen de bus weg kan halen uit Diemen. Uit de telefoongegevens van [medeverdachte 13] valt af te leiden dat hij op 26 april 2020 om 20:58 uur belt naar [medeverdachte 7] en dat om 20:59 uur de locatie [locatie] Diemen is opgeslagen in de navigatie applicatie Waze. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 5] of hij de sleutels van hsum (de rechtbank begrijpt: Hilversum) heeft en of iemand die sleutels naar [bijnaam 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) kan brengen. [medeverdachte 5] neemt op verzoek van [verdachte] contact op met [medeverdachte 3] . Hij zegt tegen [medeverdachte 3] dat hij iemand gaat sturen voor de sleutels. [medeverdachte 5] noemt als locatie de brandweer daar verderop. [medeverdachte 5] zegt tegen [medeverdachte 7] dat ‘ [bijnaam 17] ’ met zijn eigen busje naar de brandweer aan begin van IJmuiden waar je snelweg op kan moet gaan. Nadat het gelukt is met de sleutels spreken [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] in grote lijnen de zaken van de volgende dag door. Diemen wordt IJmuiden en de details komen morgen. Uit een Whatsappbericht van 8 januari 2020 van [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 7] kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] met ‘ [bijnaam 17] ’ [medeverdachte 13] bedoelt. Het bedrijf van [medeverdachte 13] heet [bedrijf 20] . Het lijkt er dus sterk op dat [medeverdachte 5] deze nacht aan [medeverdachte 7] vroeg om [medeverdachte 13] naar [medeverdachte 3] te sturen. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat de tijdsaanduiding bij de berichten niet geheel overeenkomt, hetgeen evenwel past in de constatering van de verbalisanten dat de tijdzone van het verzenden van de Encrochatberichten in dit dossier niet geheel duidelijk is. Verder staat vast dat [medeverdachte 13] de beschikking had over een telefoon die zeer waarschijnlijk een Encrochattelefoon was, maar bevinden berichten van dit account zich niet in dit dossier. Op 27 april 2020 om 09:43 uur laat [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 3] weten: “Amperestraat ijmuiden begin van de straat moet je wezen staat een blauwe caddy daar licht tas klaar”. [medeverdachte 13] is de eigenaar van een blauwe Caddy en zijn bedrijf is gevestigd op de [adres 8] te IJmuiden. In de middag van 27 april 2020 spreken [verdachte] en [medeverdachte 14] over wat er is gebeurd en wat nog waar ligt aan voorraad. [medeverdachte 5] is die ochtend en middag bezig met de overdracht aan [medeverdachte 3] . Ook op 28 april 2020 overleggen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] over de agenda van die dag. Voorraden worden besproken en [medeverdachte 3] heeft een gesprek met een klant ( [bijnaam 18] ) die voorheen contact had met [medeverdachte 5] . [verdachte] heeft die dag (einde middag/begin avond) weer contact met [medeverdachte 14] over waar welke voorraad is en wie wat doet. [medeverdachte 14] vraagt: “En die [bijnaam 4] is wel schoon ja?”. [verdachte] antwoordt: “Wat is schoon broer man is al langer dan een jaar weg bij ons. Nooit meer gezien gehoord”. [medeverdachte 14] zegt: ”#oke broer dats achoon genoeg dan”. “ [bijnaam 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) gaat zij jongens inwerken”, zegt [verdachte] , “Hij neemt 1 en ik doe [bijnaam 8] erbij”. [medeverdachte 14] reageert: “Top die weet hoe het moet”. [verdachte] verduidelijkt: “Wil [bijnaam 8] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) een koerier bus geven laat ik [bijnaam 8] pakket diensten rijen van die man dan kan [bijnaam 8] voorlopig daar komen en spullen uitdelen onder begeleiding [bijnaam 3] .” [medeverdachte 14] : “Oke brper hoe gaat [bijnaam 3] begeleiden dam” [verdachte] : “En eigenaar pand gaat boj spullen slapen hij wil geen andete daar met slapen want valt op en doet ie op en af met ze schoonzoon” Op basis van mastgegevens van de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] valt te concluderen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in de ochtend in Nijkerk zijn geweest, mogelijk bij het bedrijf van [medeverdachte 6] , de schoonzoon van [medeverdachte 4] . In de middag stralen de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] masten in Nieuwegein nabij de A27 aan. Einde middag stralen de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] masten nabij Breda\Roosendaal aan. In de avond stralen de telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en de Sky ECC telefoon van [verdachte] de masten in de buurt van [adres 9] te Nijkerk (het bedrijf van [medeverdachte 6] aan). De rechtbank constateert dat de mastgegevens (en dan met name de tijdstippen en locaties die wijzen op ontmoetingen van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] in wisselende samenstellingen die dag) passen bij de berichtenwisseling van [verdachte] en [medeverdachte 14] die avond. [verdachte] zegt dan tegen [medeverdachte 14] dat de eigenaar van het pand bij de spullen gaat slapen, dat hij niet wil dat anderen daar slapen en dat hij dat op en af met zijn schoonzoon zal doen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat dit bericht ziet op [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] nu het naadloos aansluit op de bevindingen dat de telefoons van [medeverdachte 4] en zijn schoonzoon [medeverdachte 6] in de periode van 29 april tot en met 31 mei 2020 om en om ’s nachts aanstralen op de zendmast bij het bedrijf aan de [adres 9] . Uit berichten vanaf 29 april 2020 valt af te leiden dat [medeverdachte 3] contacten onderhoudt met klanten, klanten die eerder contact hadden met [medeverdachte 5] , zoals [bijnaam 18], [bijnaam 19], [bijnaam 20] . Hij maakt afspraken met hen over locaties, tijdstippen, chauffeurs en hoeveelheden. Op 2 mei 2020 neemt [medeverdachte 3] contact op met ‘ [account 2] ’, kennelijk in de veronderstelling dat die telefoon nog wordt gebruikt door [medeverdachte 5] . [medeverdachte 1] laat weten dat die inmiddels een nieuwe telefoon heeft. Vanaf 1 mei 2020 is het account met de naam ‘ [account 10] ’ in gebruik genomen door [medeverdachte 5] . Op 3 mei 2020 is er contact tussen [verdachte] en ‘ [bijnaam 21] ’. ‘ [bijnaam 21] ’ laat weten dat een token nodig is voor Goes morgen. Hij vraagt of het mogelijk is om dan om 10 uur in de ochtend op te halen. Kennelijk moet hij 52 doorgeven om 14:30 uur. [verdachte] vraagt hoeveel er opgehaald moet worden, zodat hij weet wie hij moet sturen en dan geven ze direct de 52 af. ‘ [bijnaam 21] ’ zegt dat het 150 is. [verdachte] bericht daarna [medeverdachte 3] over dat die [bijnaam 6] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ) in Goes gaat ophalen 10 uur. Als [medeverdachte 3] om 10 uur in de buurt is dan pakt die jongen [medeverdachte 3] weer op. [medeverdachte 3] checkt nog even: “Dus er gaan 52 weg van de 150 die binnenkomen en die gaan voor 14.30 weg”. [verdachte] stelt voor: “Zullen we [bijnaam 8] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) die laten weg brnegen morgen de 52”. Daarna neemt [verdachte] contact op met [medeverdachte 8] over morgen om 10:00 uur. [medeverdachte 8] stuurt het adres door: Parkeerplek Jumbo. [verdachte] gaat het doorgeven en zegt dat ze met een bus komen. [medeverdachte 8] vraagt of er een stach (de rechtbank begrijpt: stash) in de bus zit. [verdachte] zegt dat het geen stashbus is en dat het een pakketdienstbus van hen is. “Komen met dozen van eigen groothandel zeg maar”. [medeverdachte 8] moet van [verdachte] in de pallets netjes stapelen. Op 4 mei 2020 om 09:44 uur zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 8] dat hij er is met een grote Sprinter. Om 10:19 uur zegt [medeverdachte 8] dat hij de bus al heeft aangenomen en om 11:12 uur meldt hij dat hij de bus heeft afgegeven. Uit mastgegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 4] op 4 mei 2020 tussen 10:23 uur en 11:13 uur zendmasten in Goes aanstraalde. Ondertussen heeft [verdachte] ook contact met [medeverdachte 3] , die stuurt: “[bijnaam 7] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 6] ) is ff weg deurtje maken in de buurt ik wacht op [bijnaam 5] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ) dan halen we vacu naar binnen etc en doe ik me ding”. [verdachte] reageert: “Toppp maar [bijnaam 5] nog wel ff onderweg. [bijnaam 8] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) is der rond 13 uur”. [medeverdachte 3] schrijft: “Ok broer ja ik zit hier te wachten in werkplek niemand weet dat ik hier zit. Tel op stil net een sluipschutter”. Iets later vraagt [medeverdachte 3] : “Broer hoe denk jij erover niet vandaag maar alles vacumeren dan kom ik hier op een rustige dag doe ik alles vacu dan mis je heel dat stuk en kom ik hierheen sorteren en weg. Is voor mij kleine moeite vacumeren. Markeer ik alles soort bij soort.” [verdachte] reageert: “Mij best”. [medeverdachte 3] : “Ja toch beter broer minder risico en ben je er zo klaar mee zonder geluid etc etc gewoon uitzoeken meegeven wegbrengen. [bijnaam 4] en zoon (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] ) wilde doen maar ik wil daar zoiezo bij zijn weekend schijnt rustig te zijn ervoor”. Vanaf 5 mei 2020 is te zien dat [medeverdachte 7] contact heeft met de nieuwe Encrochattelefoon van [medeverdachte 5] . Hij maakt een afspraak met hem en zegt daarbij: “Laat dan wel me normaale tel thuis”. Op 6 mei 2020 gaat het weer over vacumeren en waar dat zou kunnen. Op 8 mei 2020 bespreken ze welke kentekenpasjes en code waar liggen omdat ze gaan wisselen/rouleren. De volgende dag geeft [verdachte] instructies over welke verkocht moeten worden en wat ervoor terug te kopen. Op 7 mei 2020 bericht [medeverdachte 3] [verdachte] over hoe het gaat als [medeverdachte] komt. [medeverdachte 6] geeft ‘m dan een envelop en zegt dat ‘ie niet moet rijden. [medeverdachte 3] zegt dat het daar druk is nu. Op 11 mei 2020 hebben [verdachte] en [medeverdachte 8] weer contact. Morgen, 10 uur, zelfde plek, zelfde man. Op 12 mei 2020 houden ze elkaar weer op de hoogte over waar de bus is. Ook deze ochtend heeft de telefoon van [medeverdachte 4] masten in Goes aangestraald. Ondertussen vraagt [medeverdachte 3] om de details van die dag: “hoe en wat hoelaat?” [verdachte] had alleen gezegd dat [medeverdachte] om 15 uur komt halen. [verdachte] stuurt een weergave van een eerdere berichtenwisseling door waaruit blijkt dat er een nieuwe partij zou komen, er 50 afgegeven moet worden en dat [medeverdachte] om 16 uur in Utrecht moet zijn. Eind van de ochtend stuurt [medeverdachte 3] : “Broer W heeft me lijst gwstuued dus ik weet wat binnen moet komen en er moesten 20 stuks klaver weg maar daar wist jij van zegt ie. lk ben daar 14:45 pikt zoon (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 6] ) me op [bijnaam 8] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) is er 15:00 tassen die weg moeten staan klaar ik check ze na”. [verdachte] overlegt ondertussen met een afnemer ( [bijnaam 22] ) en [medeverdachte 3] over tijdstip en locatie aflevering van 20 stuks aan hem door [medeverdachte] . [verdachte] geeft [medeverdachte 3] en de klant elkaars Encrochatcontactgegevens. [medeverdachte 3] laat om 14:36 uur weten met [medeverdachte 4] te zijn en naar de zaak te gaan en om 14:57 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 4] een mast in Nijkerk aan. Om 14:58 uur bericht [medeverdachte 3] aan [verdachte] dat hij nu telling gaat doen en daarna meldt hij dat het contact met de klant gelukt is. Ook laat hij weten: “Broer ik rij kwart voor weg zoon (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 6] ) is alles aan r vacumeren t nieuwe dat is morgen ook klaar genummerd en al. De lijst doorgegeven aan W en dat klopte”. Hij houdt [verdachte] op de hoogte van dat de drop gelukt is. Op 15 mei 2020 hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] contact over wat er in de stash past, [medeverdachte 3] vertelt dat zoon gisteren heeft ingeruimd. Kennelijk ging [medeverdachte 3] rond 13:00 uur weer zuidwaarts, maar rond 14:17 uur werd er in de buurt van Gorinchem omgedraaid. Dit past bij de Encrochatberichten van die dag waaruit blijkt dat [medeverdachte 3] van ‘ [bijnaam 21] ’ weer naar de stashhouse moet omdat ‘ [bijnaam 21] ’ stempels wil weten. Om 16:32 uur laat [medeverdachte 3] aan [verdachte] weten dat hij weer bij auto wordt gezet en om 16:45 uur ziet een observatieteam [medeverdachte 4] een bruine VW Caddy parkeren, waarna [medeverdachte 3] uit het laadruim stapt en in een VW Passat stapt. Op 17 mei 2020 neemt ‘ [bijnaam 21] ’ weer contact op met [verdachte] : “Tomr mate 10am GOES”.[verdachte] reageert met dat hij contact op zal nemen met [medeverdachte 8] en doet dat ook. Voor wat betreft het verdere verloop na 17 mei met betrekking tot deze specifieke levering wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent staat overwogen onder feit 1. Op 19 mei 2020 heeft [verdachte] via Encrochat contact met [medeverdachte 2] . Hij stuurt: “ellende opslag” en “Vet vaag kit geweest”, waarop [medeverdachte 2] vraagt “Wanneer toen net ?”. [verdachte] antwoordt: “Ja vaag verhaal” en [medeverdachte 2] reageert: “Heeft ie cameras hangen ?”. [medeverdachte 3] stuurt via Encrochat naar [verdachte] : “En broer er was helicopter en zoon (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 6] ) zei is elke maandag iets met leidingen”, “Alles lig er nog zegt ie”, “Hoe dan broer ik voelde vandaag iets maar zoon deed er nuchter over ook 2 mannen liepen op industrie terein hij zei is van een bedrijf” en “Achterkant stond er een mercedes op dat boeren gebied ik zag t net toen ik in container klom dus dat waren wouten broer toen heli maar zoon zei is elke maandag”. Met betrekking tot de gebeurtenissen die op 4 juni 2020 hebben geleid tot het aantreffen van 80 kilo cocaïne en de aanhouding van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte] en [medeverdachte 8] wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent staat overwogen onder feit 1. Om 18:10 uur stuurt [medeverdachte 2] aan iemand die de naam ‘ [bijnaam 23] ’ gebruikt: “Broer kun je deze wissen ?” Dan volgt een leeg bericht dat door [medeverdachte 2] is verstuurd. Vervolgens stuurt [medeverdachte 2] “En die ook ?”. Daarop volgt weer een leeg bericht van [medeverdachte 2] . Dan stuurt [medeverdachte 2] : “Deze 3 moeten gewist worden”. Om 22:43 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] : “Zitte. Alle vast houten. Landelijke eenheid.” [medeverdachte 2] vraagt: “Alleen [account 11] en [bijnaam 8] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] en [medeverdachte] ) gepakt ?” [verdachte] antwoordt: “Nee ooj de geen die bracht en man garage denk.” Omvang binnenlandse handel. Verbalisanten hebben opgeteld om welke hoeveelheden het is gegaan