vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 9536378 \ CV EXPL 21-5358 Vonnis van 4 augustus 2022 in de zaak van: de naamloze vennootschap ING Bank N.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, eiseres, gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman (Jongejan Wisseborn), tegen: 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde sub 1, procederend in persoon en als gevolmachtigde van gedaagde sub 2,
- [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats] , gedaagde sub 2, procederend in persoon. Partijen worden hierna ING, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 november 2021 met producties 1 t/m 10; de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 1] van 18 november 2021; de schriftelijke conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] van 18 november 2021; de brief van [gedaagde sub 2] van 22 november 2021, waarin zij bevestigt dat [gedaagde sub 1] is gevolmachtigd om haar te vertegenwoordigen in onderhavige procedure; het tussenvonnis van 2 december 2021; de akte van ING van 29 april 2022 met producties 10 t/m 12; de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 mei 2022; de akte van ING van 16 juni 2022 met producties 13 t/m
- 1.
- Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende feiten van belang. 2.
- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de voormalige vennoten van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [A] (hierna: de VOF). 2.
- Postbank heeft aan de VOF in 2006 een krediet in rekening-courant verschaft tot een maximumbedrag (bestedingslimiet) van € 10.000,
- Het betreft een zakelijk krediet en het krediet is aflossingsvrij. 2.
- Op de kredietovereenkomst zijn de Voorwaarden Kredietverlening (productie 2 bij dagvaarding) van toepassing. In de voorwaarden staat onder andere het volgende: “ Artikel L Beëindiging en/of opeisbaarheid
- Ingeval: a. (…) b. Debiteur in staat van faillissement wordt verklaard; aan Debiteur voorlopige surséance van betaling wordt verleend of Debiteur aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, of; (…) is het door Debiteur verschuldigde bedrag terstond in zijn geheel opeisbaar. (…) Alle kosten, waartoe deze overeenkomst aanleiding mocht geven, die op gerechtelijke en buitengerechtelijke invordering van het verschuldigde bedrag vallende inbegrepen, komen ten laste van Debiteur. De buitengerechtelijke kosten worden minimaal gesteld op 10% van het verschuldigde bedrag. “ 2.
- ING is de rechtsopvolger onder algemene titel van Postbank N.V. 2.
- Het totaal aan de VOF verstrekte kredietsaldo bedraagt per 15 februari 2011 € 10.085,
- 2.
- Op 8 maart 2011 zijn de VOF, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 22 maart 2011 heeft ING haar vordering ter verificatie bij de curator van de VOF ingediend. 2.
- Na opheffing van het faillissement van de VOF en van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft ING op 26 september 2013 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard in verband met het openstaande bedrag. In die procedure heeft ING haar vordering beperkt tot € 500,00 waarbij zij haar rechten op het meerdere heeft voorbehouden. Bij vonnis van 7 november 2013 is de vordering van ING toegewezen. Dat vonnis is op 27 november 2013 betekend. 2.
- Bij brief van 16 november 2013 stelt [gedaagde sub 2] aan ING een betalingsregeling voor. Hierop reageert ING bij brief van 6 januari 2014 dat zij akkoord gaat met het voorstel. Op 28 juli 2016 stuurt ING een brief naar [gedaagde sub 2] waarin staat dat ze de regeling niet na komt en dat ze haar sommeren het totaal verschuldigde bedrag te voldoen. 2.
- Op 14 november 2017 wordt [gedaagde sub 1] weer failliet verklaard. Op 15 januari 2019 wordt dit faillissement opgeheven. 2.
- Bij brief van 30 januari 2019 heeft ING [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzocht om het openstaande bedrag aan ING over te maken. 2.
- Bij brief van 27 september 2021 heeft (de gemachtigde van) ING [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nogmaals verzocht om het openstaande bedrag te betalen. 3Het geschil 3.
- ING vordert dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om aan ING € 12.934,40 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente over € 10.085,36, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten. 3.
- ING legt hieraan het volgende ten grondslag. Toen de VOF in 2011 in staat van faillissement is verklaard is ingevolge artikel J lid 1 sub b van de Voorwaarden Kredietverlening het krediet onmiddellijk opeisbaar geworden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn als voormalige vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor het openstaande bedrag van € 10.085,
- Daarnaast zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de buitengerechtelijke kosten van € 952,00 en de wettelijke rente verschuldigd over het openstaande saldo vanaf 8 maart
- De rente tot en met 4 november 2011 bedraagt € 3.347,
- Na aanmaning heeft ING in totaal € 1.450,00 ontvangen. 3.
- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren als verweer aan dat de vordering van ING is verjaard. Ook voert [gedaagde sub 2] aan dat ze wegens financiële problemen niet in staat was en is om de vordering te betalen. 4De beoordeling 4.
- Tussen partijen is in geschil of de vordering van ING is verjaard. Inhoudelijk hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vordering niet betwist. 4.
- Artikel 3:307 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door een verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. ING heeft onbetwist gesteld dat de vordering opeisbaar is geworden toen de VOF failliet is verklaard, namelijk op 8 maart
- De (initiële) verjaringstermijn liep dus af op 8 maart
- 4.
- Er moet worden beoordeeld of de verjaring vóór 8 maart 2016 is gestuit. Bij stuiting wordt de verjaring afgebroken en gaat weer een nieuwe termijn van vijf jaar lopen. De verjaring van een rechtsvordering wordt onder andere gestuit door het instellen van een eis en door iedere andere daad van rechtsvervolging die in de vereiste vorm geschiedt (art. 3:316 lid 1 BW) en door een schriftelijke aanmaning (art. 3:317 lid 1 BW). 4.
- ING heeft bij brief van 22 maart 2011 de vordering ter verificatie ingediend bij de curator van de VOF. Dit kan worden aangemerkt als een daad van rechtsvervolging (Gerechtshof Arnhem 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY1109) waardoor de verjaring ingevolge artikel 3:316 BW is gestuit en een nieuwe termijn van vijf jaar is gaan lopen. De nieuwe verjaringstermijn liep dus af op 22 maart
- 4.
- Vervolgens moet beoordeeld worden of vóór 22 maart 2016 een nieuwe stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. ING heeft op 26 september 2013 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard in verband met het openstaande bedrag. Hierdoor is de verjaring ingevolge artikel 3:316 BW gestuit en is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen. In die procedure heeft ING haar vordering wel beperkt tot € 500,00 waarbij zij haar rechten op het meerdere heeft voorbehouden. De kantonrechter is van oordeel dat de onderhavige vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de vordering bij de eerste dagvaarding, en dat daarom die eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging geldt, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het onderhavige en dus bij tweede dagvaarding gevorderde (vgl. HR 19 februari 1999, NJ 2000/328). De nieuwe verjaringstermijn liep dus af op 26 september
- 4.
- Met betrekking tot de vraag of ten aanzien van [gedaagde sub 1] vóór 26 september 2018 een nieuwe stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, overweegt de kantonrechter als volgt. Het tweede faillissement van [gedaagde sub 1] liep van 14 november 2017 tot 15 januari
- Artikel 36 lid 1 Fw bepaalt (onder ander) dat wanneer een verjaringstermijn betreffende een rechtsvordering als bedoeld in artikel 26 zou aflopen gedurende het faillissement, de termijn doorloopt tot zes maanden na het einde van het faillissement. Dat is in dit geval 15 juli
- ING heeft ingevolge artikel 3:317 BW de verjaring gestuit door het sturen van een aanmaning op 30 januari 2019 en op 27 september
- Sindsdien zijn er minder dan vijf jaar verstreken, dus is er geen sprake van verjaring ten aanzien van [gedaagde sub 1] . 4.
- Met betrekking tot de vraag of ten aanzien van [gedaagde sub 2] vóór 26 september 2018 een nieuwe stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, overweegt de kantonrechter als volgt. Op 28 juli 2016 heeft ING een brief naar [gedaagde sub 2] gestuurd waarin ze haar sommeert het openstaande bedrag te betalen. Die brief kan in ieder geval worden gezien als een stuitingshandeling volgens artikel 3:317 BW. Vervolgens heeft ING net als bij [gedaagde sub 1] de verjaring gestuit door het sturen van een aanmaning op 30 januari 2019 en op 27 september
- Sindsdien zijn er minder dan vijf jaar verstreken, dus is er ook geen sprake van verjaring ten aanzien van [gedaagde sub 2] . 4.
- Het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de vordering is verjaard slaagt dus niet. 4.
- [gedaagde sub 2] voert ook als verweer aan dat zij niet in staat was en is om de vordering te betalen, maar betalingsproblemen liggen in haar risicosfeer en kunnen daarom niet leiden tot afwijzing van de vordering. 4.
- De vordering van ING tot betaling van het openstaande bedrag zal worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde rente. 4.
- De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. 4.
- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] krijgen ongelijk en zullen daarom (hoofdelijk) worden veroordeeld in de proceskosten. Die kosten worden aan de kant van ING begroot op € 129,40 aan dagvaardingskosten, € 1.013,00 aan griffierecht en € 932,50 aan salaris gemachtigde (2,5 punten, € 373,00 per punt). 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan ING te betalen een bedrag van € 11.982,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.085,36 vanaf 5 november 2021 tot aan de dag van voldoening; 5.
- veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van ING tot heden begroot op € 129,40 aan explootkosten, € 1.013,00 aan griffierecht en € 932,50 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast); 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2022.