vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats Eindhoven zaaknummer / rolnummer: C/01/371481 / HA ZA 21-372 Vonnis van 3 augustus 2022 in de zaak van [eiser] wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE HEEZE-LEENDE, zetelend te Heeze, gedaagde, advocaat mr. R.C.H. Burgers te Nijmegen. Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden. 1Inleiding 1.1. De gemeente heeft een aan [eiser] verleende bijstandsuitkering teruggevorderd en in dat kader een dwangbevel uitgevaardigd. [eiser] komt in deze procedure tegen dat dwangbevel op. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 september 2021; het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 15 juni 2022; de akte van [eiser] , met producties 7 tot en met 16; de akte van de gemeente, met producties 13 en 14. 2.2. Ter zitting heeft de gemeente bezwaar gemaakt tegen de akte van [eiser] , daartoe aanvoerend dat die weliswaar (net) tijdig, maar met ruim 400 pagina’s te omvangrijk zou zijn om er goed verweer tegen te kunnen voeren, dat die geen direct verband met de voorliggende procedure zou hebben en dat ook niet duidelijk zou zijn voor welke stellingen de akte een onderbouwing zou geven. De rechtbank heeft dat bezwaar na een korte toelichting zijdens [eiser] ter zitting verworpen, omdat een inhoudelijk oordeel over de bij de akte toegezonden producties niet van de rechtbank wordt verlangd en dat met die producties slechts bedoeld is om de rechtbank een beeld te geven van de verhouding tussen partijen en van de vele procedures waarin zij met elkaar verwikkeld zijn. 2.3. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank bepaald dat er een schriftelijke uitspraak zou volgen. De datum van het vonnis is daarbij bepaald op vandaag. 3De feiten 3.1. [eiser] heeft vanaf 3 september 2012 van de gemeente een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. 3.2. Naar aanleiding van diverse signalen heeft de gemeente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [eiser] verstrekte bijstand. Die signalen betroffen onder meer: onduidelijkheid over de financiering van diens hoge uitgaven (waaronder zorgkosten), onduidelijkheden over de afwikkeling van faillissementen van vennootschappen waar hij bij betrokken is, het oprichten van diverse nieuwe besloten vennootschappen en stichtingen waarbij hij betrokken is, het bezit van een zeer groot stuk grond in Heeze van een van de stichtingen waarbij hij betrokken is, onduidelijkheden ten aanzien van transacties van een niet eerder bij de gemeente bekende bankrekening van [eiser] en een melding van de politie over een aanhouding van [eiser] , waarbij hij zou hebben verklaard dat hij de eigenaar was van de Range Rover met het Belgisch kenteken waarin hij reed, dat er nog twee bedrijfsauto’s van hem zouden zijn en dat hij in het bezit was van 50 bedrijven. 3.3. Naar aanleiding van het onderzoek en de door [eiser] verstrekte informatie, heeft de gemeente bij besluit van 28 april 2020 besloten om het recht op bijstand van [eiser] per 3 september 2012 in te trekken (hierna: het intrekkingsbesluit). In dat besluit heeft de gemeente tevens besloten dat het recht op bijstand per 10 maart 2020 wordt ingetrokken. Tot slot heeft de gemeente beslist dat de bijstandsuitkeringen die [eiser] in de periode van 3 september 2012 tot en met 9 maart 2020 heeft ontvangen, dienen te worden terugbetaald. Totaal gaat het daarbij om een bedrag van € 125.145,80. 3.4. Het door [eiser] ingestelde bezwaar tegen het intrekkingsbesluit is bij besluit van het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente van 29 september 2020 ongegrond verklaard. [eiser] is vervolgens tegen dat besluit in beroep gegaan bij de bestuursrechter in deze rechtbank. 3.5. Gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure is de gemeente overgegaan tot invordering van de aan [eiser] uitgekeerde bijstandsuitkering. De gemeente heeft [eiser] op 9 juni 2020 verzocht € 125.145,80 aan haar te betalen. Toen betaling uitbleef, heeft de gemeente op 23 juni 2020 een aanmaning gestuurd. En toen er ook daarna niet door [eiser] werd betaald, heeft de gemeente op 7 juli 2020 een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel is bij exploot van 30 april 2021 aan [eiser] betekend. 3.6. De bestuursrechter in deze rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2021 het tegen het besluit van 29 september 2020 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Van Tongerlo is van die uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep. De procedure bij die instantie loopt nog en op korte termijn is daarin geen uitspraak te verwachten. 4Het geschil 4.1. [eiser] wil volgens het petitum van zijn dagvaarding dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, 1. hem zal verklaren tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en dit dwangbevel geheel danwel gedeeltelijk buiten effect zal stellen; 2. de gemeente verbiedt over te gaan tot het nemen van executiemaatregelen op grond van het dwangbevel, zulks op straffe van een dwangsom; 3. de gemeente veroordeelt in de kosten van dit geding alsmede in de nakosten. 4.2. De gemeente voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling 5.1. De ontvankelijkheid van [eiser] 5.2. De gemeente betoogt dat [eiser] niet-ontvankelijk is. Daartoe voert zij in de kern aan dat [eiser] een verkeerde – want niet meer bestaande - procedure is gestart. In zijn dagvaarding geeft [eiser] namelijk meermaals aan dat hij in verzet komt tegen het dwangbevel. Zo is de eerste pagina van de dagvaarding voorzien van de titel 'Verzetdagvaarding' en wordt in de dagvaarding meermaals opgemerkt dat [eiser] door middel van de dagvaarding in verzet komt tegen het dwangbevel. 5.3. Volgens de gemeente ziet [eiser] daarbij over het hoofd dat met de invoering van de vierde tranche van de Awb in 2009 de regels omtrent de invordering van bestuursrechtelijke geldschulden ingrijpend zijn gewijzigd. Een uitvloeisel daarvan is dat de verzetsprocedure is komen te vervallen en dat sindsdien op grond van artikel 4:123 Awb tegen een dwangbevel nog slechts een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv kan worden aangespannen. Met andere woorden: voor de door [eiser] opgestarte procedure bestaat geen juridische basis meer. Onder verwijzing naar Rechtbank Rotterdam 15 juni 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8138 en Rechtbank Dordrecht 30 mei 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW7388 stelt de gemeente dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 5.4. De rechtbank merkt op dat [eiser] in ieder geval niet de enige is die niet heeft ingezien dat de regels omtrent de invordering van bestuurlijke geldschulden zijn gewijzigd. De gemeente heeft dat in het exploot van betekening van het dwangbevel namelijk zelf ook niet onderkend. Immers, daar zegt zij [eiser] aan dat “wanneer [ [eiser] ] het niet eens is met het dwangbevel of de tenuitvoerlegging daarvan, [ [eiser] ] hiertegen in verzet kan komen (onderstreping rechtbank) door dagvaarding van [de gemeente] (…)” en “dat het verzet, binnen dertig dagen na heden gedaan, de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst voor zover deze door het verzet wordt bestreden” (onderstreping telkens door de rechtbank). Die bewoordingen sluiten haast naadloos aan bij artikel 5:26 lid 3 en 4 Awb (oud). 5.5. Desalniettemin slaagt het verweer van de gemeente. Met de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Awb per 1 juli 2009 is de in artikel 5:26 Awb (oud) geregelde verzetprocedure komen te vervallen en kan niet meer door middel van verzet opgekomen worden tegen een dwangbevel. De omstandigheid dat de gemeente die mogelijkheid wel heeft genoemd, maakt die conclusie niet anders en tast de geldigheid van het dwangbevel overigens ook niet aan. Dat heeft tot gevolg dat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering onder 1. 5.6. Het voorgaande geldt echter niet voor zijn vordering onder 2. De door de gemeente genoemde uitspraken nopen daar ook niet toe. In die uitspraken is immers geoordeeld dat de in die zaken aanhangig gemaakte geschillen niet konden worden gezien als een executiegeschil. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van [eiser] anders, omdat [eiser] zich onder meer op het standpunt stelt dat het dwangbevel geen ander doel dient dan hem te schaden, dat de gemeente haar bevoegdheid het dwangbevel ten uitvoer te leggen misbruikt volgens de in artikel 3:13 BW gegeven maatstaf, dat de gemeente geen belang heeft bij executie en dat er als gevolg van executie een noodsituatie zal ontstaan. Die stellingen zijn niet anders te lezen dan dat [eiser] met deze procedure een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv. heeft willen beginnen. De gemeente heeft daarom terecht geanticipeerd op dit oordeel, door voor het geval [eiser] wel ontvankelijk wordt geacht, in te gaan op het dan volgens haar geldende toetsingskader. Daar komt de rechtbank nu aan toe. Het toetsingskader 5.7. Partijen hebben beiden verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (het Strandhotel-arrest) en verbinden daar ieder hun eigen conclusies aan. Heel in kort weergegeven heeft de Hoge Raad in die uitspraak op een rij gezet welke toetsingsmaatstaf geldt voor de verschillende mogelijkheden die rechtsvordering biedt om executie tegen te gaan. In het gros van de door de Hoge Raad onderscheiden gevallen geldt de volgende maatstaf: a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.