vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/361468 / HA ZA 20-514 Vonnis van 3 augustus 2022 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE HURNSE KIL B.V., gevestigd te Vught, hierna te noemen DHK, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JWVW B.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch, hierna te noemen JWvW, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RIJNDELTA GROEP B.V., gevestigd te Vught, hierna te noemen RDG, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE INGENSCHE WAARDEN B.V., gevestigd te Vught, hierna te noemen DIW, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RIJNDELTA HOLDING B.V., gevestigd te Doetinchem, hierna te noemen RDH, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CONSED B.V., gevestigd te Doetinchem, hierna te noemen Consed, 5. [gedaagde sub 5], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen [gedaagde sub 5] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, gezamenlijk te noemen RDG c.s., advocaat mr. M. van Leeuwen te Doetinchem. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 27 januari 2021 de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 94 tot en met 98 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 oktober 2021 de producties 99 tot en met 106 van DHK en JWvW de akte overlegging producties van RDG c.s. met de producties 25 tot en met 38 de producties 107 en 108 van DHK en JWvW de producties 39 tot en met 50 van RDG c.s. het proces-verbaal van voortzetting van mondelinge behandeling van 27 januari 2022 de akte van DHK en JWvW met de producties 109 tot en met 115 de akte na comparitie van RDG c.s. de antwoordakte van DHK en JWvW met productie 116 de antwoordakte na comparitie van RDG c.s.. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.1. DHK en JWvW zijn vennootschappen van de broers [A] en [B] . DHK en JWvW waren de twee bestuurders en aandeelhouders van RDG en ontvingen managementfees op basis van overeenkomsten van opdracht met DIW (hierna OVO’s). RDG heeft vijf dochters waaronder DIW. Het bedrijf had liquiditeitsproblemen en had een investeerder nodig in afwachting van de verwachte betere tijden. De broers vonden [gedaagde sub 5] bereid om als financier op te treden. DHK en JWvW verkochten daarom op 16 augustus 2018 samen 60% van de aandelen in RDG aan RDH, waarna zij 40% van die aandelen over hielden (ieder 20%). Consed is bestuurder en aandeelhouder van RDH. [gedaagde sub 5] is bestuurder van Consed. 2.2. [gedaagde sub 5] stelde als voorwaarde dat hij via RDH drie jaar lang de enige bestuurder van RDG zou worden. De broers [A en B] bleven voor RDG werken tegen een managementfee op basis van nieuwe OVO’s van DHK en JWvW met RDG met een looptijd van drie jaar. Na afloop van de drie jaar zouden de broers in totaal 10% van de aandelen in RDG van RDH terugkopen en weer bestuurders van RDG worden. 2.3. In januari en februari 2020 beëindigde RDG de OVO’s met onmiddellijke ingang. 2.4. DHK en JWvW vorderen in conventie (samengevat): - afhandeling van hun rekening-courantposities bij RDG (JWvW heeft een vordering op RDG; DHK heeft een schuld aan RDG, die hij verrekent met zijn andere vorderingen); - nakoming van de afspraak dat in de jaren 2013, 2015 en 2017 niet gefactureerde en niet betaalde managementfees alsnog aan DHK en JWvW zouden worden betaald; - betaling van de managementfees over oktober 2019 tot en met december 2019 en van onkostenfacturen uit 2019; - een bevel om DHK en JWvW weer te werk te stellen omdat de beëindiging van de OVO’s niet rechtsgeldig was; - betaling van de managementfees vanaf 1 januari 2020, primair onbeperkt en subsidiair tot augustus 2021. 2.5. DHK en JWvW baseren hun vorderingen tegen RDG op de koopovereenkomst en de nieuwe OVO’s, hun vorderingen tegen DIW op de oude OVO’s en het feit dat DIW ook na augustus 2018 hun managementfees heeft betaald, en hun vorderingen tegen RDH, Consed en [gedaagde sub 5] op zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid. 2.6. RDG c.s. vordert in reconventie (samengevat): - DHK en JWvW te veroordelen tot betaling van boetes aan RDG in verband met schendingen van het geheimhoudingsbeding in de OVO’s; - DHK te veroordelen tot betaling van haar rekening-courantschuld aan RDG; - DHK en JWvW te veroordelen tot terugbetaling aan RDG van onverschuldigd betaalde reiskosten; - DHK en JWvW op grond van schending van een balansgarantie in de aandelenkoopovereenkomst te veroordelen om aan RDH te betalen de bedragen die eventueel in conventie worden toegewezen in verband met de managementfees uit 2013, 2015 en 2017. 2.7. Partijen voeren over en weer verweer tegen deze vorderingen. 3De feiten 3.1. [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van DHK. [B] is bestuurder en enig aandeelhouder van JWvW. DHK en JWvW kochten op 5 oktober 2017 ieder de helft van alle aandelen in RDG (die toen nog Savawa B.V. heette) van Grovawa B.V., een vennootschap van [C] , de vader van [A] en [B] . Daarbij werd een zogenaamde earn out-vergoeding voor Grovawa overeengekomen. DHK en JWvW sloten overeenkomsten van opdracht met DIW, op grond waarvan DIW een managementfee van € 6.600, exclusief BTW per maand aan zowel DHK als JWvW verschuldigd was. 3.2. RDG is bestuurder en enig aandeelhouder van vijf vennootschappen, waaronder DIW. De RDG-groep houdt zich onder meer bezig met zandwinning. DIW exploiteert een baggerspeciedepot in een plas in de Ingensche Waarden die door die zandwinning is ontstaan. Klanten kunnen in die plas hun baggerspecie storten, binnen de normen in de vergunningen die aan DIW zijn verleend. Zodra de plas vol is, moet DIW de grond als natuurgebied inrichten. 3.3. Consed is bestuurder en enig aandeelhouder van RDH. [gedaagde sub 5] is bestuurder van Consed. De aandelen in Consed worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor [D] , waarvan [gedaagde sub 5] bestuurder is. 3.4. Op 16 augustus 2018 sloten RDH (die toen nog Rijndelta Beheer B.V. heette) en DHK en JWvW een koopovereenkomst (prod. 1 DHK c.s.). DHK en JWvW verkochten daarbij samen 60% (ieder de helft) van de aandelen in RDG (die toen nog Savawa B.V. heette) aan RDH voor een koopsom van € 1, plus een nieuwe jaarlijkse earn out-vergoeding voor Grovawa, die de koopovereenkomst mede ondertekende. Vader [naam] bleef daarom een belang in de onderneming houden. RDH betaalde de koopsom van € 1,. 3.5. Vanwege de liquiditeitsproblemen van de RDG-groep hadden DHK en JWvW in de periode vóór de aandelenverkoop hun managementfees niet volledig aan DIW gefactureerd. In artikel 4 onder e van de koopovereenkomst werd bepaald: “De koper is bekend met de tussen verkopers enerzijds en de vennootschappen anderzijds bestaande leningen en rekening-courantverhoudingen en de uit de overeenkomsten van opdracht voortvloeiende verplichtingen voor zover betrekking hebbend op de periode vóór overdrachtsdatum. Koper zal in overleg met verkopers afspraken maken om tot zo spoedig mogelijke aflossing te komen.” 3.6. In artikel 6 van de koopovereenkomst is bepaald: “6.1 In een nog op te maken aandeelhoudersovereenkomst zal worden uitgewerkt dat koper de taak op zich neemt om de Savawa ‘groep’ op marktconforme (rente)condities en voorwaarden te (her)financieren en wel zodanig dat de liquiditeits- en solvabiliteitspositie voldoende zijn voor een “gezonde” bedrijfsuitoefening. 6.2 Koper zegt toe om direct na aandelenoverdracht een bedrag van minimaal € 200.000 aan Savawa B.V. (RDG; rechtbank) als financiering ter beschikking stellen teneinde de direct opeisbare schulden van de vennootschappen te voldoen. zodat de continuïteit van de ondernemingen kan worden gewaarborgd. Koper geeft de garantie dat ze nog minimaal 200.000 euro ter financiering van Savawa en haar deelnemingen ter beschikking zal stellen, (…). 6.3 Bij voorgenomen (in)directe gehele of gedeeltelijke vervreemding door koper c.q. haar (in)directe aandeelhouders van haar aandelen Savawa B.V. (…) c.q. vervreemding door Savawa B.V. van één van haar dochtervennootschappen, dan wel bij (gedeeltelijke) vervreemding van de onderliggende ondernemingen (waaronder vergunningen c.a.) van deze vennootschappen binnen 3 jaar na levering van de aandelen Savawa B.V. (…), hebben verkopers - in afwijking van c.q. in aanvulling op de statutaire aanbiedingsregeling - het recht de betreffende aandelen terug te kopen. (…)” De in artikel 6.1 genoemde aandeelhoudersovereenkomst is nooit tot stand gekomen. 3.7. In een eerdere email van 3 augustus 2018 (prod. 42 DHK c.s. pagina 2) had [gedaagde sub 5] geantwoord op een vraag van [A] over de tweede € 200.000,: “ als ik dit niet zou kunnen, zou ik de Firma en de eerste 200.000 euro financiering in gevaar brengen en waarschijnlijk kunnen afschrijven. Mijn planning en financierings plan ligt klaar en ik moet er van uitgaan dat we de komende 2 tot 3 maanden zeker 1,6 tot 2 mio nodig hebben anders gaan we rijden met de handrem erop. Dit is in principe geregeld, maar zonder handtekening en deal ga ik er nu niet mee verder. Ik ga hiervoor en zet mijn handtekening, daarna moet ik waarschijnlijk ook een handtekening onder de financierings overeenkomst zetten. Dus het grote risico ga ik zelf lopen. Dit zullen financiers verwachten als je hierin gelooft. (…)” 3.8. In artikel 7 van de koopovereenkomst kregen DHK en JWvW de optie om na een periode van drie jaar na de aandelenoverdracht ieder 5% (samen 10%) van de aandelen in RDG terug te kopen tegen een koopsom van maximaal 60% van de waarde van de aandelen op dat moment. Daarnaast is in de koopovereenkomst vermeld (overwegingen onder
- e)dat DHK en JWvW ieder 2,5% (samen 5%) van de aandelen in RDG zouden verkopen aan Front Bone B.V., een vennootschap van [E] , waarmee de [A en B] samenwerkten. Na drie jaar zou daarom RDH 50% van de aandelen in RDG houden, DHK en JWvW samen 45% en Front Bone 5%. De termijn van drie jaar is inmiddels verstreken. Over de terugkoopoptie loopt een arbitrageprocedure. 3.9. [A] en [E] werken inmiddels samen in [F] maakte een procedure bij deze rechtbank aanhangig tegen DHK en JWvW (zaak- en rolnummer C/01/367854 / HA ZA 21-111). [F] stelde in die procedure dat een nadere overeenkomst was gesloten die inhield dat de voor Front Bone bedoelde 5% van de aandelen in RDG aan [F] zouden worden verkocht. Bij vonnis van deze rechtbank van 23 maart 2022 verwierp de rechtbank het verweer van DHK en JWvW als onvoldoende gemotiveerd en veroordeelde DHK en JWvW tot levering van de aandelen aan [F] . Als aan die veroordeling wordt voldaan, kan [gedaagde sub 5] beschikken over 65% van de aandelen (60% van RDH en 5% van [F] ) en DHK en JWvW samen over 35%. Als DHK en JWvW de 10% aandelen terug kopen, beschikt [gedaagde sub 5] over 55% en DHK en JWvW over 45%. 3.10. In de koopovereenkomst is vermeld (overwegingen onder f en g): - dat DHK en JWvW na de aandelenlevering als statutair bestuurders worden ontslagen en dat RDH als enig bestuurder zal worden benoemd; - dat DHK, JWvW en Front Bone een nog nader uit te werken OVO met RDG zullen aangaan met een minimale duur van 36 maanden tegen een geïndexeerde beloning van € 79.200, per jaar exclusief BTW (€ 6.600, per maand); - dat na uitoefening van de terugkoopoptie DHK en JWvW weer tot statutair bestuurders worden benoemd en de statuten van RDG zullen worden gewijzigd, zodat dan voor benoeming, schorsing of ontslag van een bestuurder een tweederde meerderheid nodig is. 3.11. DHK en JWvW sloten nieuwe OVO’s (prod. 2 en 3 DHK c.s.). Die overeenkomsten werden gedateerd op 16 augustus 2018 maar werden feitelijk pas op 19 juli 2019 ondertekend. Als contractspartij is RijnDelta Beheer B.V. genoemd. Dat was op 16 augustus 2018 de naam van RDH maar op 19 juli 2019 de naam van RDG. Partijen zijn het erover eens dat RDG de contractspartij bij de OVO’s is. 3.12. In de OVO’s is vermeld dat DHK van [A] aan het managementteam van de RDG-groep zou gaan deel nemen als verantwoordelijke voor de administratie en projecten en het vormgeven van nieuwe projecten samen met de algemeen directeur. JWvW van [B] zou verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van de technische projecten, de wekelijkse verslaglegging aan de algemeen directeur en de jaarlijkse budgettering van investeringen. DHK en JWvW zouden hun werkzaamheden geheel zelfstandig verrichten en niet onder gezag van RDG staan. De OVO’s werden aangegaan voor de periode van 16 augustus 2018 tot 16 augustus 2021 en zouden daarna van rechtswege eindigen. 3.13. Artikel 5 van de OVO’s luidt: “5.1 Opdrachtgever is in afwijking van artikel 7:408 lid 1 BW, niet bevoegd een overeenkomst voor bepaalde tijd tussentijds op te zeggen. Opdrachtnemer is enkel tot opzegging bevoegd als er sprake is van een gewichtige reden, met een opzegtermijn van een maand. 5.2 Indien een van de partijen de verplichtingen voortvloeiend uit deze overeenkomst, ondanks een schriftelijke aanmaning, binnen een periode van vier weken, niet of niet volledig nakomt, is de partij gerechtigd de overeenkomst zonder rechtelijke tussenkomst, schriftelijk met onmiddellijke ingang te ontbinden zonder tot enigerlei schadevergoeding gehouden te zijn. 5.3 Deze overeenkomst kan door iedere partij worden beëindigd zonder ingebrekestelling of gerechtelijke tussenkomst indien de andere partij in staat van faillissement of surséance van betaling geraakt dan wel indien voortzetting in redelijkheid niet meer kan worden gevergd.” 3.14. Artikel 6 van de OVO’s luidt: “6.1 Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer € 6.600,00 per maand exclusief 21% BTW. Het tarief is gebaseerd op een aantal daadwerkelijk gemaakte uren, uitgaand van 40 uren per week. De werktijden van opdrachtgever zijn tussen 08.00 en 18.00 uur, uitzonderingen daargelaten. 6.2 Met ingang van 16 augustus 2019 wordt jaarlijks overwogen of de maandelijkse vergoeding zal worden verhoogd. Partijen zullen omtrent een eventuele herziening voor juli van ieder jaar overleg plegen, De managementvergoeding zal in ieder geval worden verhoogd met de CBS index. 6.3 Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden aan Opdrachtgever een factuur toezenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke vereisten. 6.4 Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur. 6.5 Reiskosten worden vergoed a € 0,30 per kilometer.”. 3.15. In artikel 7 van de OVO’s is een geheimhoudingsbeding opgenomen, dat de rechtbank later zal bespreken. 3.16. [A en B] hadden al voor de aandelenverkoop gesprekken gevoerd over een samenwerking met de Afvalzorg-groep, die baggerspecie in de plas van DIW wilde gaan storten. Na de aandelenoverdracht nam [gedaagde sub 5] de gesprekken met de heer [J] van Afvalzorg over. Nadat [gedaagde sub 5] ontdekt had dat de broers hun vader [naam] hadden geïnformeerd over de onderhandelingen met Afvalzorg, waarschuwde [gedaagde sub 5] de broers in februari 2019 dat zij daarover alleen intern en extern mochten communiceren met goedkeuring van [gedaagde sub 5] . Op 12 maart 2019 sloten DIW en [M] , handelende onder de naam Afvalzorg Bouwstoffen, een samenwerkingsovereenkomst (prod. 49 DHK c.s.). Op grond van die overeenkomst zouden DIW en Afvalzorg de joint venture Nexterra B.V. oprichten, die de exploitatie van de resterende stortcapaciteit van de plas in de Ingensche Waarden zou gaan verzorgen. Nexterra zou aan Afvalzorg een minimale stortcapaciteit met een waarde van € 2.000.000, ter beschikking stellen.. Afvalzorg zou in verband daarmee uiterlijk op de datum van oprichting van Nexterra een aanbrengvergoeding van € 2.000.000, exclusief BTW (€ 2.420.000, inclusief BTW) aan DIW betalen. Afvalzorg betaalde dat bedrag in maart 2019 aan DIW. 3.17. De door RDG aan DHK en JWvW verschuldigde managementfees werden na de aandelenoverdracht feitelijk door DIW betaald, maar regelmatig niet tijdig en/of niet volledig. Ook werden geen betalingen gedaan voor niet gefactureerde managementfees uit het verleden. Vanaf april 2019 verzochten DHK en JWvW betaling van achterstallige managementfees, maar die betalingen bleven uit. Zij verzochten om inzicht in de financiën, maar kregen dat niet. Omdat [A en B] meenden dat er na ontvangst van de aanbrengvergoeding voldoende geld zou moeten zijn om hen te betalen, nam hun vertrouwen in [gedaagde sub 5] af. 3.18. Ook het vertrouwen van [gedaagde sub 5] in de broers [A en B] nam af. [gedaagde sub 5] meende dat de broers slecht functioneerden. Hij verweet de broers dat ze hun vader over de onderhandelingen met Afvalzorg hadden geïnformeerd en dat ze zonder overleg en zonder goede reden in de emailboxen van collega’s hadden gekeken. Dat gaven de broers in april 2019 toe, waarna [gedaagde sub 5] een privacy memo verspreidde waarin aan alle medewerkers werd verboden om in andermans emailboxen te kijken. In juni 2019 deed de politie een inval op het kantoor van RDG in verband met een onderzoek naar Deewal B.V., een niet met RDG verbonden onderneming waarin DHK en JWvW samenwerkten met Front Bone. 3.19. Vanaf de zomer van 2019 verminderden de inkomsten van DIW doordat de risicogrenzen voor PFOS en PFAS in baggerspecie tijdelijk werden aangescherpt. 3.20. Met ingang van 16 augustus 2019 werd de managementfee geïndexeerd naar € 7.986, per maand. Op die datum verzocht [gedaagde sub 5] om een urenregistratie van DHK en JWvW, die dat weigerden en aangaven dat [A en B] aanzienlijk meer dan 40 uren per week werkten. [gedaagde sub 5] herhaalde later het verzoek om een urenregistratie en gaf daarbij aan dat DHK en JWvW geen recht op de managementfee hadden over niet gewerkte uren, maar DHK en JWvW bleven bij hun weigering. 3.21. In augustus 2019 stond er nauwelijks geld op de bankrekeningen van de RDG-groep en bleven naast het onbetaalde deel van de facturen van DHK en JWvW ook nog diverse rekeningen van derden onbetaald. [B] vroeg in een e-mail van 18 augustus 2019 inzicht in de besteding van de aanbrengvergoeding van Afvalzorg, maar [gedaagde sub 5] weigerde dat omdat hij als directeur besliste over de dagelijkse gang van zaken, zodat de broers alleen op aandeelhoudersniveau over de besteding van geld konden praten (prod. 59 DHK c.s.). Bij email van 18 augustus 2019 voegde [gedaagde sub 5] daar nog aan toe dat hij de gelden veilig had gesteld, zodat die niet zouden vallen onder een eventuele beslagname door [G] en [H] . (Dit zijn Belgische bedrijven die een vordering op [I] hadden en die meenden dat zij die vordering op RDG konden verhalen.) [gedaagde sub 5] ontnam DHK en JWvW omstreeks september 2019 de toegang tot de boekhouding. 3.22. In het vierde kwartaal van 2019 werd de betaling van de managementfees en onkostenfacturen van DHK en JWvW overgeheveld van DIW naar RDG, maar ook daarna werden de facturen van DHK en JWvW niet tijdig en/of niet volledig betaald. 3.23. In november 2019 dreigde het faillissement van [I] (die op 25 februari 2020 ook failliet is verklaard), waardoor RDG een vordering op [I] van bijna € 200.000, zou moeten afschrijven en de Belgische bedrijven hun pijlen voortaan volledig op RDG zouden richten. [gedaagde sub 5] stelde voor dat RDH een financiële injectie zou doen, maar verbond daaraan voorwaarden. DHK en JWvW zouden daarover een overeenkomst met RDG moeten sluiten, waarin DHK en JWvW zich onder andere zouden verplichten om 5% van de aandelen in RDG aan [F] te leveren en waarin RDG zich het recht voorbehield om eventuele schade die zou voortvloeien uit de zaak over [I] , te verhalen op de aandeelhouders van [I] door verrekening met dividend en/of winstuitkeringen (prod. 63 DHK c.s.). [A en B] weigerden die overeenkomst te tekenen. 3.24. Op 11 december 2019 vond een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van RDG (hierna AVA) plaats (prod. 22 RDG c.s., waaraan in prod. 66 DHK c.s. opmerkingen van DHK en JWvW zijn toegevoegd). Volgens [gedaagde sub 5] was de kas leeg vanwege het ontbreken van omzet door de PFAS-crisis, maar hij was gematigd positief over 2020 als er goedkeuring zou komen om te mogen storten. [gedaagde sub 5] gaf aan dat hij zelf nog geen euro aan managementfee had ontvangen. [gedaagde sub 5] wees erop dat hij onder voorwaarden een aanvullende financiële injectie wilde geven aan RDG, maar dat [A en B] de opgemaakte overeenkomst weigerden te ondertekenen. De broers reageerden dat ze niet konden beoordelen of een aanvullende injectie nodig was omdat ze geen inzage hadden in de cijfers en eerst overleg wilden over de actuele cijfers per eind 2019. [gedaagde sub 5] gaf aan dat hij zou proberen een overzicht te maken. De broers vroegen om informatie over de besprekingen die [gedaagde sub 5] inmiddels was gestart met Afvalzorg over uitbreiding van de samenwerking, maar [gedaagde sub 5] wees erop dat hij de gesprekspartner van [J] van Afvalzorg was en dat er over dit punt niets naar buiten mocht komen omdat Afvalzorg geheimhouding verlangde. 3.25. De heer [K] , die sinds de aandelenoverdracht de accountant en adviseur van RDG was, ondernam op 7 januari 2020 op verzoek van [gedaagde sub 5] een bemiddelingspoging, maar [A en B] gaven aan dat zij alleen nog via hun advocaat wilden communiceren over de managementfees. Die advocaat sommeerde RDG bij brieven van 8 januari 2020 tot betaling van facturen voor managementfees uit het vierde kwartaal van 2019 en voor onkosten van totaal € 24.126,13 aan DHK en € 30.364,98, aan JWvW. 3.26. [A] stuurde op 9 januari 2020 via zijn e-mailadres van DIW een email aan [J] van Afvalzorg waarin hij voorstelde een kop koffie met hem en zijn broer te drinken (prod. 16 DHK c.s.). 3.27. Bij brief van 13 januari 2020 (prod. 6 DHK c.s.) van de advocaat van RDG c.s. aan DHK beëindigde RDG de OVO met DHK per direct op grond van artikel 5.3 van de OVO, omdat RDG meende dat van haar niet langer gevergd kon worden dat zij de OVO zou laten voortduren. Directe aanleiding voor die beëindiging was de telefonische mededeling van [J] over de email van [A] waaruit [J] concludeerde dat er onenigheid was binnen RDG en dat dit direct effect had op de mogelijke vorm van samenwerking met Afvalzorg. Andere reden voor de beëindiging waren de weigering om [K] te laten bemiddelen, het niet of niet naar behoren uitvoeren van de opgedragen werkzaamheden, het buiten de opdracht treden, het niet doen van de wekelijkse verslaglegging, het zonder goede reden in andermans mails kijken, en het mee naar huis nemen van een zakelijke server door [A] in december 2019. 3.28. De OVO tussen JWvW en RDG was niet beëindigd, maar het e-mailadres van Jan Willem van Waning bij DIW werd in januari 2020 wel geblokkeerd (prod. 67 DHK c.s.). De advocaat van JWvW eiste bij brief van 28 januari 2020 de rekening-courantvordering van JWvW op en sommeerde RDG om die vordering en de verschuldigde managementfees volledig te betalen. 3.29. [B] was werkzaam op een losponton van DIW op de plas in de Ingensche Waarden. In februari 2020 moesten twee partijen baggerspecie gelost worden van de projecten Zijkanaal I en Zeeburgereiland. [B] vroeg om de documenten die bij lossing van een partij baggerspecie op het ponton aanwezig moeten zijn. Hij vroeg met name naar documenten over het zandpercentage van de baggerspecie van Zeeburgereiland, omdat hij zag dat er veel zand in de specie zat. Alleen specie met minder dan 60% zand mocht gestort worden en hij vermoedde dat er meer zand in de partij zat (volgens RDG c.s. is later een vergunning voor meer dan 60% zand verleend). Hij kreeg die documenten niet. [gedaagde sub 5] gaf aan dat alle documenten in orde waren en dat hij als directeur verantwoordelijk was. Hij vrijwaarde [B] van alle consequenties. [B] reageerde dat het wel degelijk onder zijn verantwoordelijkheid viel omdat hij pas mocht lossen als alle papierwerk in orde was en hij ook visueel moest vaststellen of de aangeleverde gegevens overeen kwamen met het te lossen materiaal. Hij wees erop dat hij zich ook als aandeelhouder met de kwestie mocht bemoeien, omdat gegrondheid van zijn vermoeden vrijwel zeker catastrofale gevolgen voor het bedrijf zou hebben. Hij waarschuwde dat hij overwoog om contact op te nemen met het bevoegde gezag als hij de documenten niet alsnog zou krijgen. [gedaagde sub 5] reageerde dat hij zelfstandig contact met de overheid zou zien als inbreuk op het contract en dat RDG alle schade op JWvW en [B] persoonlijk zou verhalen. Hij wees erop dat de controle van documenten niet tot het takenpakket van [B] behoorde en verwees naar het acceptatiereglement. 3.30. In dat acceptatiereglement (prod. 95 DHK c.s. blad 13 e.v.) is onder meer bepaald: “7. De bedrijfsleider controleert of de registratie van de ontvangen baggerspecie correct heeft plaatsgevonden. 8. De bedrijfsleider controleert dat tijdige en volledige meldingen van ontvangen baggerspecie heeft plaatsgevonden.” DHK en JWvW hebben gesteld dat [B] optrad als bedrijfsleider op het ponton. RDG c.s. heeft dat niet betwist. 3.31. [B] meldde op of omstreeks 10 februari 2020 bij de politie dat hij verantwoordelijk was voor de acceptatie van baggerspecie van de twee projecten, maar geen informatie van DIW kreeg. De politie gaf die melding door aan Rijkswaterstaat, die de documenten over de twee projecten bij DIW opvroeg en die ook kreeg. Rijkswaterstaat zag daarna geen aanleiding om handhavend op te treden. DIW moest overigens om een andere reden wel stoppen met het lossen van baggerspecie van het project Zeeburgereiland, omdat de Provincie Gelderland op 11 februari 2020 aan DIW een preventieve last onder dwangsom gaf om geen specie met PFAS te storten. Pas na een uitspraak van de rechtbank Gelderland uit mei 2020 mocht DIW weer baggerspecie met PFAS accepteren. 3.32. Bij brief van de advocaat van RDG c.s. (prod. 10 DHK c.s.) ontbond RDG ook de OVO met JWvW per direct op grond van artikel 5.3, omdat RDG het vertrouwen in JWvW volledig had verloren en voortzetting van de OVO in redelijkheid niet van RDG kon worden gevergd. Als redenen werden opgegeven het niet geven van inzicht in de uitgevoerde werkzaamheden, het niet volgen van aanwijzingen, het factureren van onjuiste vergoedingen en onkosten en het doen van aangifte over een partij grond die niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen, waarmee ook het geheimhoudingsbeding was geschonden en een boete van € 20.000, was verbeurd. 3.33. DHK en JWvW maakten bij de rechtbank Midden-Nederland een kort geding aanhangig tegen RDG, waarin ze vergelijkbare vorderingen instelden als in deze bodemzaak. De voorzieningenrechter wees op 15 april 2020 een vonnis (productie V DHK c.s.). De voorzieningenrechter oordeelde dat RDG genoegzaam aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een onoverbrugbare vertrouwensbreuk en daarom de OVO’s rechtsgeldig tussentijds had beëindigd. De voorzieningenrechter besliste niet inhoudelijk op de geschillen over de managementfees en onkosten tot de datum van beëindiging, maar wees wel voorschotten toe. RDG betaalde die voorschotten. 3.34. De onderhandelingen met Afvalzorg over uitbreiding van de samenwerking hadden kennelijk geen resultaat. Bij brief van 28 december 2021 zegde Afvalzorg de samenwerkingsovereenkomst uit 2019 per direct op, omdat niet alle overeengekomen kwaliteiten baggerspecie konden worden gestort als gevolg van een Handhavingsbesluit waarop DIW niet adequaat had gereageerd. Afvalzorg wees erop dat DIW ook andere verplichtingen had veronachtzaamd, waaronder het niet geven van openheid van zaken over de wijze van besteding van de aanbrengvergoeding, die DIW alleen mocht aanwenden ten behoeve van de groep. Afvalzorg maakte aanspraak op restitutie van de restant Garantiewaarde van € 1.731.967,33. DIW betwist de rechtsgeldigheid van deze opzegging. 4De beoordeling in conventie De vordering tot wedertewerkstelling 4.1. DHK en JWvW stellen dat RDG de OVO’s niet rechtsgeldig heeft beëindigd. Zij vorderen primair om RDG te bevelen om hen weder te werk te stellen en hen elke maand (ook na augustus 2021) de managementfees te betalen. Subsidiair vorderen zij de managementfees tot en met augustus 2021. 4.2. De rechtbank wijst dit onderdeel van de primaire vordering af, omdat de looptijd van de OVO’s inmiddels is verstreken en die OVO’s op 16 augustus 2021 automatisch zijn beëindigd. DHK en JWvW hebben daarom hoe dan ook vanaf 16 augustus 2021 geen recht meer op tewerkstelling en/of op managementfees op basis van die OVO’s. De rechtbank zal hierna daarvan verder uitgaan. Later in dit vonnis zal beoordeeld worden of de beëindiging van de OVO’s rechtsgeldig was. De vordering van JWvW 4.3. JWvW vordert feitelijk betaling van een bedrag van € 277.210,03. Zij heeft dat bedrag als volgt berekend. Rekening-courantvordering op RDG per 1 januari 2018 € 77.069,00 Niet gefactureerde managementfee 2013 en 2015 € 28.038,07 Niet betaalde managementfee 2017 € 13.368,00 Managementfees okt. 2019 t/m dec. 2019 en onkosten 2018/2019 € 30.364,98 Af: in kort geding toegewezen en in 2020 betaalde voorschotten € -17.132,52 Subtotaal € 131.707,53 Managementfees januari 2020 t/m augustus 2021 (€ 47.190,00 plus de fees vanaf eind augustus 2020 tot 16 augustus 2021, door de rechtbank berekend op € 98.312,50) € 145.502,50 Door RDG te betalen € 277.210,03 4.4. Deze berekening komt erop neer dat JWvW per 31 december 2019 een rekening-courantvordering op RDG had van (€ 131.707,53 plus de betalingen in 2020 van € 17.132,52
- is)€ 148.840,05. Volgens RDG c.s. bedroeg die vordering toen € 146.478,. Omdat het verschil in standpunten klein was, hebben partijen op de zitting van 27 januari 2022 de rekening-courantvordering van JWvW op RDG per 31 december 2019 vastgesteld op € 147.500,. De rechtbank zal van dat bedrag uitgaan. 4.5. Dat betekent dat de rechtbank voor de vorderingen van JWvW niet hoeft te beslissen over de managementfees over de jaren 2013, 2015 en 2017 en de facturen voor managementfees en onkosten uit het vierde kwartaal van 2019. De rechtbank moet ervan uitgaan dat die bedragen al zijn verwerkt in het bedrag van € 147.500,. 4.6. Op de zitting van 27 januari 2022 waren partijen het ook eens over de betalingen die RDG in 2020 aan JWvW heeft gedaan. Die betalingen moeten worden afgetrokken van het bedrag van € 147.500,. Het gaat om de volgende betalingen: - op 4 januari 2020 een voorschot op de managementfee van € 4.000,; - op 18 januari 2020 een managementfee van € 7.986,; - op 3 juni 2020 het in het kortgedingvonnis toegewezen bedrag van € 10.781,10 voor managementfees; - op 3 juni 2020 het in het kortgedingvonnis toegewezen bedrag van € 6.351,42 voor reiskosten. Het totaal van deze betalingen is € 29.118,52. Na aftrek van die betalingen resteert van de rekening-courantvordering van € 147.500, nog € 118.381,48. 4.7. Bij dat bedrag moet in ieder geval nog worden opgeteld het recht van JWvW op de managementfees over de periode van 1 januari 2020 tot en met 11 februari 2020 (de datum van beëindiging van de OVO met JWvW). Dat recht is nog niet in de rekening-courantvordering per 31 december 2019 verwerkt (en overigens ook niet in de grootboekrekening per 31 december 2020, prod. 33 RDG c.s. blad 3, waarin wel de facturen uit 2019 in 2019 zijn verwerkt). Daar komen eventueel nog de managementfees bij over de periode van 12 februari 2020 tot 16 augustus 2021. Daarover zal de rechtbank later in dit vonnis beslissen. De vorderingen van DHK 4.8. DHK vordert feitelijk betaling van een bedrag van € 134.423,02. Zij heeft dat bedrag als volgt berekend. Rekening-courantschuld aan RDG per 1 januari 2018 € -101.719,00 Niet gefactureerde managementfee 2013 en 2015 € 64.462,00 Niet betaalde managementfee 2017 € 14.265,00 Managementfees okt. 2019 t/m dec. 2019 en onkosten 2018/2019 € 24.126,13 Af: in kort geding toegewezen en in 2020 betaalde voorschotten € -12.213,61 Subtotaal € -11.079,48 Managementfees januari 2020 t/m augustus 2021 (€ 47.190,00 plus de fees vanaf eind augustus 2020 tot 16 augustus 2021, door de rechtbank berekend op € 98.312,50) € 145.502,50 Door RDG te betalen € 134.423,02 4.9. Deze berekening komt erop neer dat DHK in haar visie per 31 december 2019 een rekening-courantschuld aan RDG had van (€ 11.079,48 plus de betalingen in 2020 van € 12.213,61
- is)€ 23.293,09. Volgens RDG c.s. bedroeg die schuld toen € 65.565,. Het verschil tussen beide standpunten bedraagt € 42.271,91. 4.10. Volgens DHK vloeit dit verschil voort uit de aanspraak van DHK in verband met onbetaalde managementvergoeding uit 2013 (7 maanden) en 2015 (3 maanden). De rechtbank zal daarom eerst over die aanspraak beslissen. Als DHK recht blijkt te hebben op fees over 2013 en 2015 van minstens het verschil van € 42.271,91, dan kan de rechtbank uitgaan van de rekening-courantschuld van DHK van € 23.293,09 per 31 december 2019 zoals DHK die zelf heeft berekend, en hoeft de rechtbank niet over de andere geschilpunten daarover te beslissen. Als DHK geen recht blijkt te hebben op fees over 2013 en 2015 of tot minder dan € 42.271,91, dan moet de rechtbank wel over de andere geschilpunten beslissen. 4.11. DHK baseert haar aanspraak in verband met de oude managementfees over 2013 en 2015 op artikel 4 onder e van de koopovereenkomst, waarin de koper RDH zich bekend heeft verklaard met de verplichtingen van RDG aan DHK uit de oude OVO van vóór de overdrachtsdatum en heeft toegezegd die zo spoedig mogelijk af te lossen. 4.12. RDG c.s. betwist de aanspraak van DHK op managementfees over het verleden. In haar conclusie van antwoord in conventie voerde RDG c.s. daarvoor aan dat [gedaagde sub 5] alleen bekend was met de vorderingen die DHK kenbaar had gemaakt via de door haar aangeleverde administratie. RDG c.s. beriep zich ook op verjaring, rechtsverwerking en het ontbreken van verzuim. Op de mondelinge behandeling van 4 oktober 2021 merkte [gedaagde sub 5] op dat is gezegd dat er over oude jaren nog een aantal fees open stonden, maar dat dit niet is gespecificeerd. Dat zou worden bepaald aan de hand van de boekhouding, die op dat moment niet beschikbaar was omdat de accountant niet betaald werd. De advocaat van RDG c.s. gaf op die zitting aan dat de onbetaalde fees inmiddels waren verwerkt in de rekening-courant en dat daarom de aanspraak van DHK op de fees alsnog werd erkend en het beroep op verjaring in beginsel van de baan was. De advocaat deelde later op de zitting echter mee dat het verrekende bedrag in de buurt lag van de vordering maar dat RDG c.s. nog geen rechten prijs wilde geven voor een eventueel verschil tussen de aanspraak en het bedrag dat in de rekening-courant was verrekend. Op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 deelde de advocaat van RDG c.s. mee dat zij op de vorige zitting in de veronderstelling verkeerde dat alles in de rekening-courant was verwerkt, maar dat dit alleen de fees over 2017 bleek te betreffen en niet de fees over 2013 en 2015. Zij wees op het voorbehoud dat op de vorige zitting was gemaakt voor een eventueel verschil en gaf aan dat ook het beroep op verjaring voor de fees over 2013 en 2015 niet was prijsgegeven. De advocaat van RDG c.s. stelde op die zitting dat [gedaagde sub 5] bij het aangaan van de koopovereenkomst in augustus 2018 alleen bekend was met niet betaalde fees over 2017 en dat de opmerking in de overeenkomst alleen die fees over 2017 betrof. 4.13. De rechtbank constateert dat RDG c.s. tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen over de afspraken die zijn gemaakt in verband met artikel 4 onder e van de koopovereenkomst. In eerste instantie zou het alleen gaan om fees die in de administratie waren verwerkt. Vervolgens verklaarde [gedaagde sub 5] dat het ging om een aantal fees over oude jaren die niet waren gespecificeerd en erkende RDG c.s. alle fees over 2013, 2015 en 2017, onder het voorbehoud van een eventueel klein verschil met wat daarvan feitelijk in de rekening-courant was verwerkt. En ten slotte kwam RDG c.s. op die erkenning van de fees over 2013 en 2015 terug en ging het niet om meerdere ongespecificeerde jaren maar om één wel gespecificeerd jaar
(2017). Daarmee heeft RDG c.s. haar betwisting van de fees over 2013 en 2015 onvoldoende gemotiveerd. Bovendien is in artikel 4 onder e geen enkele beperking in tijd opgenomen, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als de afspraak in dat artikel alleen betrekking zou hebben gehad op 2017. DHK kan daarom aanspraak maken op de oude fees over 2013 en 2015. 4.14. De rechtbank verwerpt het beroep van RDG c.s. op verjaring. DHK vordert in verband met de oude fees uit 2013 en 2015 geen betaling, maar zij verrekent haar aanspraak op die fees met de rekening-courantvordering van RDG. Op grond van artikel 6:131 lid 1 BW eindigde de bevoegdheid van DHK tot verrekening niet door eventuele verjaring van de rechtsvordering die DHK op DIW had. 4.15. De rechtbank verwerpt ook het beroep dat RDG c.s. heeft gedaan op artikel 6:136 BW. Op grond van dat artikel kan de rechter een beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW verwerpen als de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Daarvan is echter geen sprake. De rechtbank heeft zojuist vastgesteld dat DHK aanspraak kan maken op de fees over 2013 en 2015. Ook de hoogte van de fees over 2013 en 2015 laat zich eenvoudig vaststellen door te berekenen hoeveel fees DIW op grond van de oude OVO over de jaren 2013 en 2015 totaal verschuldigd was en daarop in mindering te brengen wat DIW (of later RDG) feitelijk over die jaren heeft betaald. 4.16. Op de zitting van 27 januari 2022 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor die berekening, die door partijen gezamenlijk dan wel individueel kon worden gemaakt. Partijen zijn er kennelijk niet in geslaagd samen een berekening te maken. DHK heeft bij akte alle gegevens overgelegd die voor de berekening nodig zijn. Volgens DHK blijkt daaruit dat inderdaad 7 maandfees over 2013 en 3 maandfees over 2015 niet zijn betaald. RDG c.s. heeft geen gegevens overgelegd, geen eigen berekening gemaakt en in haar antwoordakte niet gereageerd op de gegevens van DHK. De betwisting door RDG c.s. van de hoogte van de aanspraak van DHK op fees over 2013 en 2015 moet daarom als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. 4.17. Dat betekent dat de rekening-courantschuld van DHK aan RDG per 31 december 2019 kan worden vastgesteld op € 23.293,09 en dat de rechtbank wat betreft DHK niet meer hoeft te beslissen over de managementfees over 2017 en de facturen voor managementfees en onkosten uit het vierde kwartaal van 2019. De rechtbank moet ervan uitgaan dat die bedragen al zijn verwerkt in het bedrag van € 23.293,09. 4.18. RDG c.s. heeft opgegeven (randnummer 8 akte 17-1-2022) dat de rekening-courantvordering van RDG op DHK in 2020 is toegenomen met: - betaling op 3 juni 2020 van het in het kortgedingvonnis toegewezen bedrag van € 9.843,76 voor managementfees; - betaling op 3 juni 2020 het in het kortgedingvonnis toegewezen bedrag van € 2.369,85 voor reiskosten; - correctie op de reeds geboekte management fee over de maand januari 2020 van € 2.620, als gevolg van het kortgedingvonnis. 4.19. Ook DHK is in de berekening van haar vordering uitgegaan van betalingen op grond van het kortgedingvonnis van (€ 9.843,76 plus € 2.369,85
- is)€ 12.213,61. Die betalingen moeten daarom worden opgeteld bij het bedrag van € 23.293,09, waarna de rekening-courantvordering van RDG op DHK uitkomt op € 35.506,70. 4.20. Bij dat bedrag moet in ieder geval nog worden opgeteld het recht van DHK op de managementfees over de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 januari 2020 (de datum van beëindiging van de OVO met DHK). Dat recht is nog niet in de rekening-courantvordering per 31 december 2019 verwerkt. RDG heeft hiervoor in haar administratie een bedrag van € 2.620, opgenomen (overigens niet in de grootboekrekening waarin de managementfees eerder door RDG zijn verwerkt, prod. 34 RDG c.s., maar in de grootboekrekening van de crediteurenpositie, prod. 30 RDG c.s.). Dat is niet de volledige fee omdat [A] de eerste dagen van januari 2020 niet heeft gewerkt en RDG c.s. zich op het standpunt stelt dat DHK alleen recht had op de fee over feitelijk gewerkte dagen. 4.21. RDG c.s. baseert dat standpunt op artikel 6.1 van de OVO met DHK, waarin is vermeld “Het tarief is gebaseerd op een aantal daadwerkelijk gemaakte uren, uitgaand van 40 uren per week.” Volgens RDG c.s. was [A] tussen 1 en 6 januari 2020 op vakantie en heeft DHK daarom over die periode geen recht op de managementfee. DHK meent dat de fees tijdens vakanties doorbetaald moest worden, omdat partijen een jaarlijkse fee in maandelijkse betalingen overeengekomen zijn. DHK wijst erop dat tijdens het eerste jaar van de OVO de managementfees steeds volledig zijn betaald. 4.22. De rechtbank constateert dat in de koopovereenkomst (overwegingen onder
- f)is vermeld dat DHK en RDG een OVO zullen aangaan tegen een geïndexeerde beloning van € 79.200, per jaar exclusief BTW (€ 6.600, per maand), zonder enige beperking in verband met daadwerkelijk gemaakte uren. DHK mocht daarom in redelijkheid aan artikel 6.1 van de OVO de zin toekennen en ook redelijkerwijs van RDG verwachten dat met de tekst over de daadwerkelijk gemaakte uren alleen werd bedoeld dat de beloning zou worden verminderd als [A] in deeltijd zou gaan werken. Omdat de beloning € 79.200, per jaar bedroeg en dit is vertaald in € 6.600, per maand moet ervan worden uitgegaan dat vakantiedagen werden doorbetaald. 4.23. DHK heeft daarom in ieder geval recht op de volledige managementfees over de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 januari 2020. Hierna zal de rechtbank beslissen over de aanspraak van DHK op de managementfees over de periode vanaf 13 januari 2020 tot 16 augustus 2021. De geldigheid van de beëindiging van de OVO’s 4.24. DHK en JWvW wijzen erop dat de OVO’s niet tussentijds opzegbaar zijn. Zij menen dat de aangevoerde gronden voor de beëindiging onjuist zijn en in ieder geval niet eerder kenbaar zijn gemaakt, en dat die aangevoerde gronden de beëindiging niet kunnen dragen. DHK en JWvW wijzen op de achtergrond van de zaak, dat was afgesproken dat zij na drie jaar hun aandelenbelang weer zouden uitbreiden en zitting zouden nemen in het bestuur. 4.25. RDG c.s. meent dat de OVO’s rechtsgeldig zijn beëindigd op grond van artikel 5.3 van die OVO’s. Zij wijst erop dat [gedaagde sub 5] langer dan redelijkerwijs van hem gevraagd kon worden, zijn best heeft gedaan om tot een goede samenwerking en verstandhouding te komen door DHK en JWvW meerdere keren aan te spreken op ongewenst gedrag, te waarschuwen bij incidenten en kansen te bieden om te verbeteren. Ook heeft [gedaagde sub 5] externen gevraagd om te assisteren en te bemiddelen. Volgens RDG c.s. zijn DHK en JWvW op enig moment de grens van het belang van RDG overgegaan en brak het vertrouwen definitief, omdat DHK en JWvW het bedrijf haast opzettelijk schade toebrachten. RDG c.s. wijst erop dat een vertrouwensbreuk een klassieke omstandigheid is die in de literatuur wordt aangemerkt als een situatie waarin van een partij niet langer gevergd kan worden dat deze de overeenkomst voortzet. 4.26. Op grond van artikel 5.3 van de OVO’s kon RDG die OVO’s beëindigen als voortzetting in redelijkheid niet meer van RDG kon worden gevergd. De rechtbank stelt voorop dat hier geen sprake is van een standaard verhouding tussen een onderneming en een manager, waarbij een vertrouwensbreuk al snel tot beëindiging van een managementovereenkomst kan leiden. Hier gaat het om twee managers die eerder samen eigenaar waren van de onderneming, de meerderheid van die aandelen hadden verkocht maar na drie jaar (samen met [E] ) weer de helft van de aandelen in handen zouden hebben en dan ook weer statutair bestuurders zouden worden. Die omstandigheden brengen mee dat de grens van de redelijkheid, waarboven voortzetting van de OVO’s in redelijkheid niet meer van RDG kon worden gevergd, hoger ligt dan bij een standaard managementovereenkomst. 4.27. Duidelijk is dat de verhoudingen tussen [gedaagde sub 5] en [A en B] langzamerhand verstoord zijn geraakt. Dat was echter niet alleen te wijten aan [A en B] , zoals RDG c.s. meent op grond van haar verwijten aan de broers, maar ook in belangrijke mate aan [gedaagde sub 5] . Hij zorgde er ondanks zijn toezegging van forse investeringen en ondanks de aanbrengvergoeding van Afvalzorg niet voor dat de door RDG aan DHK en JWvW verschuldigde managementfees tijdig en volledig werden betaald. Ook weigerde [gedaagde sub 5] de broers inzicht te verschaffen in de financiën en in de nieuwe onderhandelingen met Afvalzorg, terwijl dat gelet op de onderlinge verhoudingen wel voor de hand had gelegen. [gedaagde sub 5] moest DHK en JWvW op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst informeren over een voorgenomen verkoop van de aandelen van RDG in DIW of de onderneming van DIW aan Afvalzorg, omdat die voorgenomen verkoop DHK en JWvW het recht zou geven om de 60% aandelen van RDH in RDG terug te kopen. Omdat [gedaagde sub 5] weigerde [A en B] enig inzicht in de onderhandelingen met Afvalzorg te verschaffen, konden de broers vrezen dat [gedaagde sub 5] de aandelen in DIW of de onderneming van DIW zonder hun medeweten aan Afvalzorg zou verkopen. Dat zou een verkoopprijs opleveren die tussen [gedaagde sub 5] en de broers verdeeld kon worden, maar de broers zouden daarna de onderneming van DIW als inkomstenbron kwijt zijn. Als de onderhandelingen met Afvalzorg niet gericht waren op een dergelijke verkoop, had [gedaagde sub 5] de broers gerust kunnen stellen door hen in grote lijnen te informeren over de inzet van de onderhandelingen. 4.28. Het is daarom kennelijk zo gegaan dat [A] zich genoodzaakt voelde een alternatieve informatiebron te zoeken door in een e-mail aan [J] van Afvalzorg voor te stellen om een kop koffie te drinken. [J] zou hoe dan ook in de toekomst met [A] /DHK als statutair bestuurder van RDG te maken krijgen. Die email was in het licht van de geschetste omstandigheden onvoldoende om te kunnen concluderen dat voortzetting van de OVO met DHK niet langer in redelijkheid van RDG gevergd kon worden. 4.29. [B] moest na de opzegging van de OVO met DHK ook voor zijn eigen toekomst vrezen. RDG c.s. heeft niet betwist dat [B] als bedrijfsleider verantwoordelijk was voor de controle op het ponton of alle noodzakelijke documenten aanwezig waren voordat een partij bagger werd gelost. Als die controle niet werd uitgevoerd en bevoegde autoriteiten gebreken in de documenten zouden ontdekken, dan zou DIW haar vergunning voor het storten van slib kwijt kunnen raken. Desondanks kreeg [B] van [gedaagde sub 5] als indirect bestuurder van RDG en DIW de opdracht om twee partijen bagger te accepteren zonder dat alle vereiste documenten op het ponton aanwezig waren. [gedaagde sub 5] gaf een vrijwaring af, maar die vrijwaring beschermde [B] niet tegen de schade die hij zou lijden als DIW haar vergunning zou kwijtraken en daardoor haar onderneming niet langer zou kunnen exploiteren. Omdat [gedaagde sub 5] bleef bij zijn weigering om documenten aan [B] te verschaffen, voelde [B] zich kennelijk zo buiten spel gezet dat hij geen andere mogelijkheid meer zag dan een melding bij de politie te doen. Die melding was in de geschetste omstandigheden onvoldoende om te kunnen concluderen dat voortzetting van de OVO met JWvW niet langer in redelijkheid van RDG gevergd kon worden. 4.30. De rechtbank concludeert dat RDG de OVO’s met DHK en JWvW ten onrechte heeft beëindigd. RDG is daarom de managementfees aan DHK en JWvW verschuldigd over de periode van 1 januari 2020 tot de contractuele einddatum 16 augustus 2021. DHK en JWvW maken daarvoor ieder aanspraak op € 145.502,50. Dat bedrag kan worden aanvaard. De vorderingen tegen RDG 4.31. RDG zal aan JWvW moeten betalen (zie 4.6 en 4.30): Rekening-courantvordering van JWvW per 31-12-2019 € 147.500, Af: betalingen -29.188,52 ----------------------- Subtotaal € 118.381,48 Bij: fees januari 2020 tot beëindiging 145.502,50 ----------------------- Totaal € 263.813,99 4.32. RDG zal aan DHK moeten betalen (zie 4.19 en 4.30): Rekening-courantschuld van DHK per 31-12-2019 € -23.293,09 Af: betalingen -12.213,61 ----------------------- Subtotaal € -35.506,70 Bij: fees januari 2020 tot beëindiging 145.502,50 ----------------------- Totaal € 109.995,80 4.33. DHK en JWvW vorderen de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW. Een schuldeiser kan echter geen aanspraak maken op het wettelijk percentage van de handelsrente als een lagere rente is overeengekomen. Partijen zijn het erover eens dat voor de rekening-courantverhouding een rente van 3% is overeengekomen. Dat percentage zal de rechtbank toewijzen. 4.34. JWvW en RDG c.s. hebben er op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 mee ingestemd dat de rechtbank die rente zal berekenen. De rechtbank zal dat ook voor DHK doen. Zij berekent de rente tot en met 31 augustus 2021 op € 9.644,49 voor JWvW en op € 1.865,85 voor DHK (na verrekening met de rente die DHK aan RDG verschuldigd was zolang er nog sprake was van een schuld van DHK aan RDG). De vorderingen tegen DIW 4.35. Partijen hebben op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 verklaard dat zij het er over eens zijn dat DIW contractueel aansprakelijk is voor een eventuele vordering in verband met fees uit het verleden en dat RDG daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is. Voor de periode vanaf de OVO’s is alleen RDG gehouden de managementfees te betalen. 4.36. JWvW heeft in haar berekeningen rekening gehouden met managementfees over 2013 en 2015 van € 28.038,07 en managementfees over 2017 van € 13.368,, totaal € 41.406,07. Dat bedrag kan geacht worden te zijn verwerkt in de overeengekomen rekening-courantvordering van JWvW per 31 december 2019 van € 147.500,. De rechtbank zal DIW daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 41.406,07, vermeerderd met de contractuele rente van 3% vanaf 31 december 2019 (de betalingen die RDG in 2020 aan JWvW heeft gedaan, betroffen latere managementfees). Voor het overige zullen de vorderingen van JWvW tegen DIW worden afgewezen. 4.37. Ook DHK heeft in haar berekeningen rekening gehouden met oude managementfees, maar die zijn al door RDG voldaan door middel van verrekening met de rekening-courantschuld die DHK aan RDG had. De vorderingen van DHK tegen DIW zullen daarom worden afgewezen. De vorderingen tegen RDH, Consed en [gedaagde sub 5] (bestuurdersaansprakelijkheid) 4.38. DHK en JWvW leggen het volgende ten grondslag aan hun vorderingen tegen RDH, Consed en [gedaagde sub 5] . Als RDG niet meer over de financiële middelen beschikt om haar schulden aan DHK en JWvW te kunnen voldoen, dan zijn RDH, Consed en [gedaagde sub 5] als directe en indirecte bestuurders van RDG aansprakelijk voor die schulden omdat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegenover DHK en JWvW. RDH heeft zich in de koopovereenkomst expliciet verplicht om voor voldoende financiering voor een gezonde bedrijfsvoering zorg te dragen. Dat houdt in dat zij RDG (en daarmee DIW) van voldoende middelen moest voorzien om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, waaronder de betalingsverplichtingen op grond van de OVO’s. [gedaagde sub 5] heeft aangekondigd dat hij € 1.600.000, tot € 2.000.000, zou investeren, maar dat heeft hij niet gedaan. In ieder geval waren er na ontvangst van de aanbrengvergoeding van Afvalzorg meer dan voldoende liquide middelen in het bedrijf aanwezig om de managementfees van DHK en JWvW te kunnen voldoen. [gedaagde sub 5] , Consed en RDH hebben geweigerd om DHK en JWvW duidelijkheid te geven over de bestemming van die gelden en de verdere inkomsten van RDG en DIW. [gedaagde sub 5] c.s. heeft die gelden op onrechtmatige wijze aan het bedrijf onttrokken, terwijl hij juist had moeten investeren. Hij heeft de onttrekking van de gelden ook erkend in zijn email over het veilig stellen van gelden ter voorkoming van beslaglegging. [gedaagde sub 5] spiegelde DHK en JWvW voor dat het bedrijf geen liquide middelen had voor de betaling van hun managementfees en dat er extra geld nodig was, terwijl er in werkelijkheid voldoende geld was. DHK en JWvW hebben daarom in het belang van het bedrijf niet op betaling aangedrongen. [gedaagde sub 5] heeft [A en B] willens en wetens in de positie gebracht dat er nu geen geld meer is terwijl de broers eerder wel betaald hadden kunnen worden. 4.39. RDG c.s. voert het volgende verweer. RDG c.s. begrijpt de toelichting van deze vorderingen in de dagvaarding niet. DHK en JWvW lijken een soort paardensprong te maken van de koopovereenkomst naar een hoofdelijkheid via bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad. Voor [gedaagde sub 5] , Consed en RDH is het compleet onduidelijk waar ze zich tegen moeten verweren en in ieder geval worden al die grondslagen betwist. RDG c.s. betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad en dat aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid is voldaan. 4.40. Op de mondelinge behandeling van 4 oktober 2021 is afgesproken dat [L] van International Business Valuers in opdracht en voor rekening van DHK en JWvW een onderzoek zou uitvoeren en dat RDG c.s. daaraan zou meewerken. [L] heeft een onderzoek uitgevoerd in de administratie van RDG en DIW en daarover op 5 januari 2022 een rapport uitgebracht (prod. 103 DHK c.s.). In dat rapport is vermeld: - [L] heeft geen volledige inzage in de administratie en bankrekeningen van de RDG-groep gekregen en rapporteert daarom alleen op basis van de wel voor hem beschikbare informatie. - In augustus 2018 had RDG een rekening-courantkrediet bij Rabobank van € 450.000,. De rekening-courantschuld bedroeg op 31 december 2019 € 445.191,69. Alle rekeningen van de RDG-groep bij Rabobank werden in 2019 maar beperkt gebruikt, omdat de nieuwe bestuurder nieuwe rekeningen bij ING heeft geopend. Volgens [gedaagde sub 5] is de rekening-courantschuld aan Rabobank is in 2020 afgelost, maar dat heeft [L] niet kunnen verifiëren. (Op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 heeft [L] verklaard dat hij die aflossing alsnog heeft kunnen verifiëren.) - [M] (Afvalzorg) heeft de aanbrengvergoeding van € 2.420.000, inclusief BTW op 13 en 14 maart 2019 overgemaakt naar de ING-bankrekening van DIW. De BTW is op 26 april 2019 aan de Belastingdienst betaald. DIW heeft daarna in maart 2019 totaal € 1.900.000, overgemaakt naar de ING-bankrekening van RDG. RDG op haar beurt heeft in maart 2019 totaal € 1.688.124, overgemaakt naar Consed en RDH, waarna op de bankrekening van RDG een positief saldo van maar € 4.766,48 resteerde. Ook in de periode daarna werd dat saldo laag gehouden door afroming van gelden door Consed en RDH. Zo zijn aanzienlijke belastingteruggaves aan RDG in 2020 en 2021 grotendeels overgemaakt naar Consed. - Consed en RDH vulden vanaf maart 2019 de financieringsbehoefte van de RDG-groep in door gelden voor noodzakelijke betalingen over te maken naar RDG, die de bedragen dezelfde dag doorleende aan haar werkmaatschappijen. Op 30 september 2019 was het saldo van de onttrekkingen minus de teruggestorte bedragen € 1.024.124,, op 31 december 2019 € 878.324,, op 31 december 2020 € 520.035,50 en op 30 september 2021 € 415.939,40. De onttrekking van € 1.688.124, door Consed en RDH in maart 2019 is daarom niet volledig teruggevloeid naar RDG. [gedaagde sub 5] verklaarde aan [L] dat hij al aan zijn financieringsplicht uit de koopovereenkomst heeft voldaan en dat dit geoorloofde terugbetalingen van zijn financieringen betreffen. - Consed heeft twee betalingen die zij rechtstreeks zou hebben gedaan, aan de RDG-groep doorbelast: € 638.124, voor het nazorgplan aan de Provincie Gelderland op 23 oktober 2018 en € 55.000, voor de factuur van een zeefmachine aan Qsand. [L] kon die betalingen niet verifiëren. - Als [L] uitgaat van de juistheid van de opgave van [gedaagde sub 5] over het aflossen van de schuld aan Rabobank en de betaling van € 638.124,, bedroeg het saldo van de financieringen door [gedaagde sub 5] op 30 september 2018 € 285.000,, op 31 december 2018 € 1.125.624, en op 31 maart 2019 € 562.500, negatief (na de onttrekking van € 1.688.124,). Op 30 juni 2019 was dat saldo weer positief met € 14.000,, op 30 september 2019 € 76.500, en op 31 december 2019 € 222.300,. Daarna steeg het saldo naar € 1.035.598,50 per 31 december 2020 en € 1.214.244,60 op 30 september 2021. - Het argument van [gedaagde sub 5] dat RDG niet voldoende middelen bezat om de managementfees aan DHK en JWvW uit te keren, is niet correct omdat de rekening van RDG stelselmatig werd afgeroomd door de bestuurder. 4.41. Op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 heeft [gedaagde sub 5] verklaard (samengevat): Het is niet juist dat een deel van het geld naar Consed is gegaan. Het geld is naar RDH overgemaakt omdat er een claim was van een Belgische contractspartij van [I] , die stelde dat RDG mede aansprakelijk zou voor haar vordering op [I] . Al het geld is volledig naar de RDG-groep teruggegaan. Ik heb totaal € 3.000.000, gefinancierd (ook nog in 2020 en 2021) door leningen te verschaffen en betalingen voor te schieten die als een schuld van de BV in de rekening-courant zijn geboekt. Mijn financieringen zijn niet terugbetaald, alleen het bedrag van € 638.000, dat ik tijdelijk had voorgeschoten. 4.42. De rechtbank laat in het midden of de naar Consed overgemaakte bedragen al dan niet feitelijk bij RDH terecht zijn gekomen. Ook als alle bedragen rechtstreeks naar RDH zouden zijn overgemaakt, is Consed daarvoor verantwoordelijk als bestuurder van RDH en indirect bestuurder van RDG. 4.43. RDG c.s. betwist niet dat het bestuur van RDG in maart 2019 € 1.688.124, van de rekening van RDG heeft overgemaakt naar rekeningen van BV’s van [gedaagde sub 5] (in ieder geval naar RDH). [gedaagde sub 5] heeft tegenover [L] verklaard dat het ging om terugbetalingen van financieringen door [gedaagde sub 5] c.s., maar de rechtbank gaat ervan uit dat die verklaring onjuist was, omdat [gedaagde sub 5] later tegenover de rechtbank heeft verklaard dat het geld is weggesluisd om te voorkomen dat daarop beslag zou worden gelegd door een Belgische partij. Uit het rapport van [L] blijkt dat de BV’s van [gedaagde sub 5] geld hebben teruggestort als dat nodig was voor betalingen door RDG of haar dochters aan andere schuldeisers, waaronder Consed die betalingen aan schuldeisers zou hebben voorgeschoten. Maar [gedaagde sub 5] c.s. heeft er niet voor gezorgd dat voldoende geld werd teruggestort om de managementfees van DHK en JWvW tijdig en volledig te kunnen betalen, terwijl uit het rapport van [L] blijkt dat daarvoor tot het einde van de OVO’s nog ruim voldoende resteerde van het genoemde bedrag van € 1.688.124,. Dat heeft RDG c.s. niet betwist. 4.44. De rechtbank constateer dat er feitelijk geen sprake was van betalingsonmacht van RDG. Het gebrek aan liquide middelen bij RDG was gecreëerd door het bestuur, dat geld van RDG had weggesluisd om dat voor een Belgische schuldeiser te verbergen. Als dat geld niet zou zijn weggesluisd, of als op tijd geld naar RDG zou zijn teruggestort zoals dat wel bij andere schuldeisers gebeurde, zou RDG in staat zijn geweest om de managementfees van DHK en JWvW tijdig en volledig te betalen. Ook weigerde het bestuur DHK en JWvW inzicht te verschaffen in de financiële toestand van RDG en met name de besteding van de aanbrengvergoeding van Afvalzorg, terwijl dat gelet op de rol van DHK en JWvW en hun recht op betaling van de fees wel voor de hand had gelegen. De conclusie moet dan zijn dat sprake was van betalingsonwil aan de zijde van het bestuur van RDG, dat geld achterhield waarmee RDG betalingen aan DHK en JWvW had kunnen doen. Daarvan kan aan het bestuur van RDG persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Het bestuur van RDG heeft daarmee onrechtmatig gehandeld tegenover DHK en JWvW. 4.45. Vanaf de data van de beëindiging van de OVO’s was echter geen sprake meer van betalingsonwil. Het was niet zo dat de managementfees vanaf die data niet meer werden betaald omdat het bestuur van RDG dat niet wilde, maar juist omdat het bestuur meende dat RDG vanwege de beëindiging van de OVO’s geen managementfees meer aan DHK en JWvW verschuldigd was. Dat standpunt was verdedigbaar, ook al is het in deze procedure verworpen. Het onrechtmatig handelen van het bestuur eindigde daarom op de data van beëindiging van de OVO’s (13 januari 2020 voor DHK en 11 februari 2020 voor JWvW). 4.46. Voor de toewijsbaarheid van een vordering die is gebaseerd op onrechtmatig handelen, is ook nodig dat het onrechtmatig handelen schade heeft veroorzaakt. De rechtbank constateert dat DHK geen schade heeft geleden, omdat DHK haar aanspraak op de managementfees tot 11 februari 2020 volledig heeft kunnen verrekenen met de rekening-courantschuld die DHK aan RDG had. De vordering van DHK tegen RDH als directe bestuurder van RDG en Consed en [gedaagde sub 5] als indirecte bestuurders moet daarom worden afgewezen. 4.47. JWvW kon haar vorderingen op RDG niet verrekenen. De rechtbank gaat ervan uit dat RDG niet in staat is om betalingen aan JWvW te doen. [gedaagde sub 5] heeft op de mondelinge behandeling van 27 januari 2022 immers verklaard dat RDG en DIW geen liquide middelen hebben en dat zij daarom alleen betalingen kunnen doen als [gedaagde sub 5] c.s. dat financiert. Het is onduidelijk of JWvW die financiering zal kunnen afdwingen. Omdat het bestuur ook na begin 2020 geld is blijven terugstorten naar RDG voor betalingen, is er waarschijnlijk nu niets meer over van het weggesluisde bedrag. Ook de financieringsbelofte van [gedaagde sub 5] zal JWvW waarschijnlijk niet baten, omdat RDG c.s. zich op het standpunt stelt dat [gedaagde sub 5] c.s. meer heeft gefinancierd dan de financieringen van € 1.600.000, tot € 2.000.000, die [gedaagde sub 5] in het vooruitzicht had gesteld. 4.48. Uit de concept jaarrekening over 2020 van RDG (prod. 26 RDG c.s.) blijkt dat RDG feitelijk een negatief eigen vermogen heeft (het formele positieve eigen vermogen zit vast in een agioreserve en een wettelijke reserve). De activa bestaan uit materiële vaste activa van € 1.179,, deelnemingen in groepsmaatschappijen van € 4.318.108,, vorderingen op groepsmaatschappijen van € 1.010.000, en € 470.871,, een rekening-courantvordering van € 75.658, op DHK, een vordering van € 61.639, in verband met belastingen en premies sociale verzekeringen, en overige vorderingen van € 300,. 4.49. De belangrijkste passiva zijn een rekening-courantschuld van € 2.144.611, aan dochter DIW, schulden aan handelscrediteuren van € 424.349,, een lening van € 1.000.000, die in oktober 2020 is verstrekt door Consed en een lening van € 500.000, die in september 2020 is verstrekt door RDH. Volgens de jaarrekening heeft RDG aan Consed en RDH een pandrecht verleend op al haar aandelen in haar dochters en al haar vorderingen op haar dochters als zekerheid voor de terugbetaling van die leningen, vermeerderd met kosten en met de rente van 7,5% per jaar (€ 112.5000, per jaar over beide leningen). Verder heeft RDG volgens de jaarrekening 2020 rekening-courantschulden aan Consed van € 87.519,, aan JWvW van € 117.362,, aan RDH van € 146.385,, aan [F] van € 52.160, en aan [E] van € 67.993,. In de jaarrekening 2020 is nog geen rekening gehouden met de vordering van de Belgische partij tegen RDG (die volgens de advocaat van RDG c.s. gedeeltelijk is toegewezen) en met de vordering van Afvalzorg tot terugbetaling van de resterende aanbrengvergoeding. 4.50. De belangrijkste deelneming van RDG betreft DIW, die een boekwaarde per 31 december 2020 had van € 3.995.565,. Daarvan betreft echter € 2.144.611, een rekening-courantvordering van DIW op RDG, die RDG niet kan betalen. De feitelijke waarde per 31 december 2020 is daarom € 1.850.954,. Volgens de jaarrekening 2020 heeft DIW over 2020 een verlies geleden van € 246.446,. Als DIW ook daarna verlies heeft geleden, dan is de waarde van DIW inmiddels lager dan € 1.850.954,. 4.51. De deelneming in [Q] (hierna [Q] ) heeft volgens de jaarrekening 2020 een boekwaarde van € 297.583,. Deze dochter heeft over 2020 een winst van € 1.717, gemaakt. RDG heeft een rekening-courantvordering op deze dochter van € 51.410,. De deelneming in RijnDelta Materieel B.V. (hierna RDM) heeft volgens de jaarrekening 2020 een boekwaarde van € 24.957,. Deze dochter heeft over 2020 een winst van € 3.435, gemaakt. RDG heeft een vordering op deze dochter van € 1.010.000, en een rekening-courantvordering van € 48.038,. De andere drie deelnemingen hebben volgens de jaarrekening een negatieve boekwaarde. RDG heeft vorderingen op die drie deelnemingen. 4.52. JWvW zou kunnen proberen haar schade te verhalen op de vorderingen van RDG op haar dochters [Q] en Materieel, maar omdat die dochters nauwelijks winst maken en rekening-courantschulden aan RDG hebben, is het onwaarschijnlijk dat die dochters liquide middelen hebben. JWvW zou zich daarom moeten verhalen op de aandelen van RDG in haar dochters en vervolgens de activa van die dochters moeten verkopen. Het leeuwendeel van de opbrengst van die verhaalspogingen zou echter naar Consed en RDH gaan vanwege hun pandrecht op de vorderingen van RDG op haar dochters en op de aandelen van RDG in die dochters. Als er daarna nog iets zou resteren, zou JWvW die restantopbrengst moeten delen met de vele andere schuldeisers van RDG, die zich bij verkoop van de activa van de dochters zeker zouden melden. JWvW zou dan naar verwachting hooguit betaling van een niet noemenswaardig deel van haar schade kunnen verwachten. 4.53. Maar zelfs al zou JWvW een serieus bedrag kunnen verhalen door de activa van DIW en de andere dochters te verkopen, dan nog kan dat in redelijkheid niet van haar worden verlangd. JWvW vordert in een arbitrageprocedure nakoming van de afspraken in de koopovereenkomst dat JWvW na drie jaar aandelen in RDG zou kunnen terugkopen en weer bestuurder van RDG zou worden. Als JWvW die procedure wint, dan kan JWvW een nieuwe OVO met RDG sluiten die JWvW recht geeft op een managementfee voor haar werk als bestuurder. RDG zal alleen in staat zijn die managementfee te betalen als haar dochters daarvoor voldoende winst kunnen maken (en het geschil met Afvalzorg kan worden opgelost). Als JWvW nu gedwongen zou worden om haar schade te verhalen op de activa van DIW en de andere dochters, dan zou zij daarmee de nekslag toebrengen aan de ondernemingen van die dochters. Ook dan lijdt JWvW schade in de vorm van verlies van een potentiële inkomstenbron. 4.54. De rechtbank concludeert dat het onrechtmatig handelen van het bestuur van RDG schade voor JWvW heeft veroorzaakt, zodat RDH als direct bestuurder van RDG en Consed en [gedaagde sub 5] als indirecte bestuurders moeten worden veroordeeld tot vergoeding van de schade van JWvW. 4.55. De rechtbank begroot de schade van JWvW als gevolg van het onrechtmatig handelen dat heeft voortgeduurd tot 11 februari 2020 op: Rekening-courantvordering van JWvW per 31-12-2019 € 147.500,00 Af: betalingen in januari 2020 -11.986,00 ----------------------- Subtotaal € 135.514,00 Bij: managementfee van 1 januari t/m 11 februari 2020 10.781,10 Bij: 3% rente van 1 januari t/m 11 februari 2020 274,43 ----------------------- Totaal schade € 146.569,53 4.56. Die schade moet het bestuur van RDG vergoeden. Over deze schadevergoeding is het bestuur van RDG vanaf 11 februari 2020 de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd. De rechtbank berekent die wettelijke rente tot en met 3 juni 2020 op € 899,50. De betalingen van € 17.132, die RDG op 3 juni 2020 heeft gedaan, moeten in mindering worden gebracht op de schadevergoeding. Dat brengt het totaal van het door het bestuur aan JWvW te betalen bedrag op € 130.336,51, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 4 juni 2020. Conclusie in conventie 4.57. RDG zal worden veroordeeld tot betaling aan JWvW van een bedrag van € 263.813,99, vermeerderd met de contractuele rente van 3%, die tot en met 31 augustus 2021 wordt begroot op € 9.644,49 (4.31 en 4.34). Dat brengt het totaal door RDG aan JWvW te betalen bedrag op € 273.458,48, te vermeerderen met de contractuele rente van 3% per jaar over € 263.813,99 met ingang van 1 september 2021. 4.58. RDG zal worden veroordeeld tot betaling aan DHK van een bedrag van € 109.995,80, vermeerderd met de contractuele rente van 3%, die tot en met 31 augustus 2021 wordt begroot op € 1.865,85 (4.32 en 4.34). Dat brengt het totaal door RDG aan DHK te betalen bedrag op € 111,861,65, te vermeerderen met de contractuele rente van 3% per jaar over € 109.995,80 met ingang van 1 september 2021. 4.59. DIW zal worden veroordeeld tot betaling aan JWvW van een bedrag van € 41.406,07, vermeerderd met de contractuele rente van 3% over dat bedrag vanaf 31 december 2019 (4.36). 4.60. RDH, Consed en [gedaagde sub 5] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan JWvW van een bedrag van € 130.336,51, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 4 juni 2020 (4.56). 4.61. Het door RDG te betalen bedrag omvat ook het door DIW te betalen bedrag en het door RDH, Consed en [gedaagde sub 5] te betalen bedrag van € 122.984,61. Voor die onderdelen zijn de veroordelingen tot betaling hoofdelijk, zodat als de een betaalt, de andere is bevrijd. 4.62. RDG c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van DHK en JWvW op basis van het toegewezen bedrag op: - dagvaarding € 103,53 - overige explootkosten 0,00 - griffierecht 4.131,00 - getuigenkosten 0,00 - deskundigen 0,00 - overige kosten 0,00 - salaris advocaat 9.964,00 (4,0 punten × tarief € 2.491,00) Totaal € 14.198,53 5De beoordeling in reconventie De boetes in verband met het geheimhoudingsbeding 5.1. In artikel 7 van de OVO’s is bepaald: “7.1 Opdrachtnemer verplicht zich tot volstrekte geheimhouding wat betreft alle vertrouwelijke informatie, persoonsgegevens en bedrijfsaangelegenheden van Opdrachtgever, in de ruimste zin van het woord, die hen beiden op ongeacht welke wijze ter kennis zijn gekomen voor en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden, tenzij enige bepaling uit wet- of regelgeving Opdrachtnemer tot bekendmaking verplicht. 7.2 Het is Opdrachtnemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever gedurende de looptijd, alsmede na beëindiging van deze overeenkomst aan derden informatie te verschaffen over alle vertrouwelijke informatie, persoonsgegevens en bedrijfsaangelegenheden en over de werkzaamheden voor Opdrachtgever, alsmede zijn organisaties, tenzij dit zou passen in de normale uitvoering van de opdracht. (…) 7.7 Indien Opdrachtnemer de in het artikel 8 bepaalde overtreedt, is hij een boete van € 20.000,00 aan Opdrachtgever verschuldigd voor elke overtreding vermeerderd met € 1,000,00 voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, onverminderd de wettelijke mogelijkheid voor Opdrachtgever de daadwerkelijk geleden schade op Opdrachtnemer te verhalen.” 5.2. RDG c.s. stelt dat DHK en JWvW de geheimhoudingsplicht van artikel 7.2 hebben geschonden en daarom op grond van artikel 7.7 boetes hebben verbeurd. RDG c.s. vordert dat DHK wordt veroordeeld tot betaling van een boete van totaal € 40.000, en JWvW tot betaling van een boete van totaal € 60.000,. 5.3. RDG verwijt aan DHK en JWvW: 1) dat [B] bedrijfsinformatie heeft gedeeld met de politie bij zijn melding in februari 2020; 2) dat JWvW op 16 en 23 april 2020 de heer [N] (een zakenrelatie van [gedaagde sub 5] ) telefonisch heeft benaderd met het verhaal dat er € 2.000.000, uit RDG is verdwenen en met de vraag of [N] het privé adres van [gedaagde sub 5] wist en of het vermiste geld was overgemaakt naar dat privé adres; 3) dat [A] aan [O] , de website bouwer van RDG, verhalen heeft verteld over schuldeisers en deurwaarders, waardoor [O] bang was dat hij zijn geld niet zou krijgen; 4) dat vader [naam] zich geregeld meldt bij zakenrelaties met bedrijfsgevoelige en gevoelige informatie van RDG die hij alleen van zijn zoons kan hebben gekregen; zo heeft hij in februari 2020 samen met zijn zoon [A] telefonisch contact gezocht met [J] van Afvalzorg en heeft hij [gedaagde sub 5] beticht van oplichting en onbetrouwbaarheid, waarbij is verteld dat de investering van € 2.000.000, van Afvalzorg in Nexterra was verdwenen; 5) dat vader [naam] contact heeft opgenomen met de heer [P] van beleggingsmaatschappij De Mispelaar (die eigenaar is van een uiterwaard waarin DIW een project realiseert) en heeft verteld dat De Mispelaar geen contract met RDG/DIW had gesloten maar met hem; dit soort contacten is evident gebaseerd op vertrouwelijke kennis die vader [naam] alleen van zijn zoons kan hebben verkregen. 5.4. De rechtbank acht de melding door JWvW aan de politie geen overtreding van artikel 7.2 van de OVO, omdat het onder de reguliere taakuitoefening van [B] viel om bij een storting te controleren of alle documenten aanwezig waren en [gedaagde sub 5] weigerde hem die documenten te verstrekken. 5.5. De rechtbank verwerpt het verwijt over de mededelingen aan [N] over het verdwijnen van € 2.000.000,. Uit de emails van [N] blijkt niet dat hem is verteld dat DIW een aanbrengvergoeding van dat bedrag had ontvangen. RDG c.s. stelt zich zelf op het standpunt dat het bedrag van € 2.000.000, niet is verdwenen maar alleen tijdelijk elders is geparkeerd en gebruikt is voor betalingen die RDG en haar dochters moesten voldoen. DHK en JWvW hadden over die besteding van de aanbrengvergoeding juist geen informatie van RDG c.s. gekregen en konden dus ook geen vertrouwelijke bedrijfsinformatie over die besteding met derden delen. 5.6. Het verwijt over de verhalen die aan [O] zijn verteld, moet als te vaag worden verworpen. Onduidelijk is of in de verhalen over schuldeisers en deurwaarders concrete bedrijfsinformatie was opgenomen. 5.7. Het verwijt over de mededelingen van vader [naam] aan Afvalzorg moet worden verworpen. Dat betrof geen geheime bedrijfsinformatie, omdat Afvalzorg zelf al wist dat ze een aanbrengvergoeding van € 2.000.000, had betaald. Voor de mededeling over het verdwijnen van dat bedrag geldt hetzelfde als voor de mededelingen aan [N] . Dat [A] en/of [B] aan hun vader moeten hebben verteld over de ontvangst van de aanbrengvergoeding van Afvalzorg, kan niet worden aangemerkt als een schending van artikel 7.2 van de OVO’s, omdat RDG c.s. niet heeft betwist dat [naam] als adviseur van zijn zoons optrad. 5.8. Ook het verwijt over De Mispelaar moet worden verworpen. De mededeling van vader [naam] dat De Mispelaar een contract met vader [naam] had gesloten, moet zijn gebaseerd op eigen kennis van vader [naam] . 5.9. De vordering tot betaling van contractuele boetes zal daarom worden afgewezen. De rekening-courantschuld van DHK 5.10. RDG c.s. vordert dat DHK wordt veroordeeld tot betaling aan RDG van haar rekening-courantschuld van € 138.874,. Die vordering zal worden afgewezen, omdat de rekening-courantschuld die DHK per 31 december 2019 nog had, inmiddels is voldaan door verrekening met het recht van DHK op managementfees tot 16 augustus 2021. Terugbetaling van de reiskosten 5.11. RDG heeft na het kortgedingvonnis reiskosten van € 2.369,85 aan DHK en € 6.351,42 aan JWvW betaald. RDG c.s. vordert dat DHK en JWvW worden veroordeeld om die bedragen aan RDG terug te betalen. RDG c.s. stelt daartoe dat de facturen van RDG c.s. voor reiskosten onjuist waren en dat RDG deze bedragen daarom onverschuldigd heeft betaald. 5.12. De door DHK en JWvW geclaimde reiskosten zijn verwerkt in de berekening van de rekening-courantverhoudingen per 31 december 2019 en moeten daarom worden geacht door RDG verschuldigd te zijn. RDG heeft de reiskosten daarom niet onverschuldigd betaald. De vorderingen tot terugbetaling moeten worden afgewezen. De schending van de balansgaranties 5.13. RDG c.s. vorderen, voorwaardelijk voor het geval in conventie managementkosten en onkosten van voor 16 augustus 2018 worden toegewezen, hoofdelijke betaling door DHK en JWvW aan RDG van een bedrag gelijk aan het in conventie toegewezen bedrag bij wijze van schadevergoeding als gevolg van een schending van de balansgarantie in artikel 4 sub c van de koopovereenkomst. RDG c.s. legt aan die vordering ten grondslag dat, als DHK en JWvW hun recht op oude managementfees e.d. buiten de administratie hebben gehouden, daarmee de balansgarantie hebben geschonden waarin zij de juistheid en volledigheid van de jaarrekeningen 2015, 2016 en 207 hebben gegarandeerd. 5.14. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat uit artikel 4 onder e van de koopovereenkomst volgt dat RDH ermee bekend was dat DIW nog verplichtingen uit de oude OVO’s had die niet in de jaarrekeningen waren verwerkt. Conclusie in reconventie 5.15. Alle vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. 5.16. RDG c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DHK en JWvW worden begroot op: - explootkosten € 0,00 - getuigenkosten 0,00 - deskundigen 0,00 - overige kosten 0,00 - salaris advocaat 2.491,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 2.491,00) Totaal € 2.491,00 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.1. veroordeelt RDG om aan DHK te betalen een bedrag van € 111,861,65 (honderdelfduizend achthonderdeenenzestig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per jaar over € 109.995,80 met ingang van 1 september 2021 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt RDG om aan JWvW te betalen een bedrag van € 273.458,48 (tweehonderddrieënzeventigduizend vierhonderdachtenvijftig euro en achtenveertig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per jaar over € 263.813,99 met ingang van 1 september 2021 tot de dag van volledige betaling, 6.3. veroordeelt DIW om aan JWvW te betalen een bedrag van € 41.406,07 (eenenveertigduizend vierhonderdenzes euro en zeven eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 3% per jaar over dat bedrag met ingang van 1 januari 2020 tot de dag van volledige betaling, 6.4. bepaalt dat de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 hoofdelijk zijn tot het bedrag van € 41.406,07 met rente, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, 6.5. veroordeelt RDH, Consed en [gedaagde sub 5] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan JWvW te betalen een bedrag van € 130.336,51 (honderddertigduizend driehonderdzesendertig euro en eenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 4 juni 2020 tot de dag van volledige betaling, 6.6. bepaalt dat de veroordelingen onder 6.2 en 6.5 hoofdelijk zijn tot het bedrag van € 130.336,51 met rente, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, 6.7. veroordeelt RDG c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van DHK en JWvW tot op heden begroot op € 14.198,53, 6.8. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.9. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 6.10. wijst de vorderingen af, 6.11. veroordeelt RDG c.s. in de proceskosten, aan de zijde van DHK en JWvW tot op heden begroot op € 2.491,00. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.