vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/378091 / KG ZA 22-6 Vonnis in kort geding van 8 februari 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. J.W. Weehuizen te 's-Hertogenbosch, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, verschenen in persoon. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 januari 2022 met producties 1 t/m 7 de akte van 24 januari 2022 van de zijde van [eiser] met producties 8 t/m 10 de conclusie van antwoord, ontvangen ter griffie op 24 januari 2022 met producties 1 t/m 4 de mondelinge behandeling die plaats vond op 31 januari 2022, vanwege de maatregelen in verband met Covid 19 door middel van een verbinding via Skype de pleitnota van [eiser] . 1.2. De voorzieningenrechter heeft aan het eind van de mondelinge behandeling bepaald dat binnen 14 dagen vonnis zal worden gewezen. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is de voormalig schoonvader van [eiser] . [eiser] is getrouwd geweest met [A] , de dochter van [gedaagde] (hierna ook: [A] ). Bij beschikking van 19 januari 2016 (C/01/286556 FA RK 14-6262) heeft de rechtbank Oost Brabant de echtscheiding tussen [eiser] en [A] uitgesproken. 2.2. Op 30 maart 2014 heeft [gedaagde] aangifte gedaan van mishandeling door [eiser] (proces-verbaal productie 1 bij conclusie van antwoord). Het voorval waarvan [gedaagde] aangifte deed vond plaats na een ruzie tussen [eiser] en de dochter van [gedaagde] in de (toenmalig) echtelijke woning. 2.3. Bij mondeling vonnis van 12 februari 2015 (productie 2 van de zijde van [eiser] ) heeft de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant [eiser] schuldig verklaard aan mishandeling zonder oplegging van straf. 2.4. [eiser] is lid van het CDA en is in december 2021 op de lijst van het CDA geplaatst als één van de kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen in ’s-Hertogenbosch in maart 2022. 2.5. Op 11 december 2021 heeft [gedaagde] een e-mailbericht aan het CDA gezonden met – voor zover thans van belang – de volgende inhoud: ‘(…) Hierbij viel mij op dat de heer [eiser] op uw lijst staat. Ik wil u er op wijzen dat de heer [eiser] in de nacht van 29 op 30 maart 2014 door de politie in huis is opgepakt voor huiselijk geweld en een nacht heeft doorgebracht op het politiebureau. Diezelfde nacht heeft de heer [eiser] mij een behoorlijke stomp op mijn kaak gegeven waar ik lang last van heb gehad. Voor dit vergrijp is de heer [eiser] door de rechter veroordeeld. (…). Mensen met deze achtergrond horen toch niet bij de normen en waarden van het CDA ? Alvorens deze e-mail te delen met de media zal ik uw reactie afwachten. Ofschoon ik enige angst heb voor represailles van de heer [eiser] heb ik gemeend deze e-mail niet anoniem te moeten versturen. (…)’. 2.6. Naar aanleiding van bovenstaand e-mailbericht heeft [eiser] ervoor gekozen zich niet langer kandidaat te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat – om [gedaagde] te verbieden om derden te berichten schriftelijk, mondeling, telefonisch, per e-mail of op welke wijze dan ook, omtrent beweerdelijk crimineel gedrag van [eiser] en/of dat [eiser] door de strafrechter is veroordeeld en/of dat hij tot agressie in staat is en gevreesd moet worden voor represailles, althans om [gedaagde] te verbieden zich jegens derden in negatieve zin omtrent [eiser] uit te laten op een in goede justitie te bepalen wijze, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per keer en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2. Aan bovenstaande vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door op 11 december 2021 het bovengenoemde e-mailbericht aan het CDA te sturen. [gedaagde] suggereert dat [eiser] een agressief persoon is. De uitlatingen van [gedaagde] komen voort uit persoonlijke negatieve gevoelens en dienen geen enkel maatschappelijk belang. [gedaagde] heeft deze uitlatingen evident gedaan om [eiser] nadeel toe te brengen. Daarbij komt dat [gedaagde] ook dreigt de media in te schakelen. 3.3. [gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] vloeit genoegzaam voort uit de aard van de vordering die gericht is op het eindigen/voorkomen van een (in de toekomst te plegen) onrechtmatige daad jegens [eiser] . In hoeverre de uitlatingen van [gedaagde] daadwerkelijk onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW en of er aanleiding is om [gedaagde] een verbod op te leggen zich in de toekomst opnieuw op zodanige wijze uit te laten komt hierna aan de orde. 4.2. Het gaat in deze zaak om een botsing van fundamentele rechten. Dit betreft enerzijds het door artikel 10 Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van [eiser] op eerbiediging van zijn eer en goede naam door niet lichtvaardig beschuldigd te worden. Anderzijds betreft dit het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht van [gedaagde] om zijn mening te geven over de handelswijze van [eiser] . Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden. Daarbij is onder meer relevant (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.