← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2022:4037

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 22/023 Beslissing van 2 september 2022 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. S.D.M. Michael, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het besluit van 13 mei 2022 van het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: het college). Het college heeft hierin besloten – kortgezegd – om verzoeker op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een periode van één jaar te weigeren als gemachtigde. Verzoeker heeft verzocht dit besluit te schorsen. De rechter heeft het verzoek (met zaaknummer SHE 22/1167) behandeld op de zitting van 26 augustus

  1. Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechter heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Dezelfde dag, maar na de uitspraak, heeft verzoeker de rechter gewraakt. Bij brief van 29 augustus 2022 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek aangevuld. 2De beoordeling 2.1 De wrakingskamer oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarbij overweegt de wrakingskamer als volgt. 2.2 De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking op grond van artikel 5, tweede lid, sub d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost Brabant zonder behandeling ter zitting aanstonds afdoen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan. De wet voorziet voorts niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak of tijdens het uitspreken van die uitspraak, wraking te verzoeken van een rechter die deze uitspraak heeft gedaan of doet. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek gedaan nadat de rechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen met zaaknummer SHE 22/
  2. Reeds hierom is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. 2.3 Omdat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek bestaat geen reden voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen. 3De beslissing De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven op 2 september 2022 door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en mr. G.J. Roeterdink, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De griffier mr. C.T.C. Wijsman (mr. Wijsman heeft de beslissing ondertekend omdat de voorzitter is verhinderd dit te doen) Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.