← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2022:4039

beslissing RECHTBANK OOST-BRABANT Wrakingskamer zaaknummer: WR 22/013 Beslissing van 10 juni 2022 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. P.J. Appelhof, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 01.338320.

  1. De rechter behandelt deze strafzaak. Bij brief van 28 april 2022 heeft verzoekers raadsman aangegeven dat verzoeker wenst dat de rechter een aantal in de brief genoemde getuigen hoort. De strafzaak is behandeld op de zitting van 16 mei
  2. Verzoeker is niet naar de zitting gekomen. Zijn raadsman heeft gezegd dat als de rechter het horen van getuigen weigert, verzoeker hem wraakt. 2De beoordeling 2.1 Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.2 De rechtbank stelt vast dat het verzoek van verzoeker een voorwaardelijk geformuleerd wrakingsverzoek betreft. Het verzoek bevat geen (andere) feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.3 De bepalingen over wraking in Sv, evenmin als die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorzien in de mogelijkheid tot het doen van een voorwaardelijk wrakingsverzoek. De rechtbank wijst op de beslissingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1396) en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 april 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:475). 2.4 De Hoge Raad (HR) heeft in de beschikking van 31 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:155) overwogen dat een rechterlijke beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking. Een wrakingsverzoek kan daarom niet met succes worden gedaan op de grond dat een door die rechter nog te nemen beslissing een bepaalde inhoud heeft. Hieruit volgt dat de afwijzing door de rechter van het verzoek tot het horen van getuigen niet, ook niet voorwaardelijk, een grond voor wraking kan zijn. Het wrakingsverzoek zelf berust ook niet op een andere grond dan op de inhoud van de nog te nemen beslissing op het verzoek getuigen te horen. 2.5 Dit betekent dat het verzoek geen wrakingsverzoek is in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) en het verzoek niet als wrakingsverzoek in behandeling kan worden genomen. 3De beslissing De rechtbank neemt het verzoek niet in behandeling. Deze beslissing is gegeven op 10 juni 2022 door mr. J.M.J Godrie, voorzitter, mr. F.E. Roll en mr. J.O.Y. Elagab, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De voorzitter De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.