Rechtbank Oost-Brabant – ECLI:NL:RBOBR:2022:417
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/2248 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.W. Vugts), en de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, verweerder.
Procesverloop Op 16 september 2021 heeft eiseres (digitaal) beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op haar bezwaarschrift.
Overwegingen 1. Het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In artikel 8:55b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat – voor zover hier van belang – dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, de bestuursrechter uitspraak doet met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht. De rechtbank vindt een onderzoek ter zitting niet nodig en doet daarom zonder zitting uitspraak.
Verrichtte handelingen door de rechtbank na ontvangst van het beroepschrift 2.1.
Met een brief van 17 september 2021 heeft de rechtbank een kopie van het beroepschrift aan verweerder toegezonden en aangegeven dat het beroep spoedeisend is en versneld zal worden behandeld. Ook heeft de rechtbank verweerder in deze brief verzocht om binnen twee weken alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen.
2.2.
Met een brief van 4 oktober 2021 heeft de rechtbank aan verweerder laten weten dat niet is gereageerd op de brief van 17 september 2021 en heeft zij verzocht om binnen één week (alsnog) schriftelijk te reageren.
2.3.
Op 29 oktober 2021 heeft een medewerkster van de griffie geprobeerd telefonisch in contact te treden met verweerder, maar dat is niet gelukt.
2.4.
Bij een brief van 4 november 2021 (dit keer aangetekend) heeft de rechtbank verweerder laten weten dat niet is gereageerd op de brieven van 17 september 2021 en 4 oktober 2021 en nogmaals verzocht om binnen één week (alsnog) schriftelijk te reageren.
2.5.
Met een brief van 17 december 2021 (aangetekend verzonden) heeft de rechtbank verweerder uitgenodigd voor een comparitie op 12 januari 2022. Verweerder is, zonder afmeldingsbericht, niet verschenen.
2.6.
Met een brief van 19 januari 2022 (opnieuw aangetekend verzonden) heeft de rechtbank verweerder opgeroepen voor een comparitie op 3 februari 2022. In deze brief is ook vermeld dat van verweerder wordt verwacht de gevraagde (op de zaak betrekking hebbende) stukken tijdens de comparitie in tweevoud beschikbaar te hebben en dat, wanneer verweerder hieraan niet voldoet, de rechtbank daaraan de gevolgen zal verbinden die haar geraden voorkomen. Verweerder is wederom, zonder afmeldingsbericht, niet verschenen.
Relevante bepalingen uit de Awb 3.1.
In artikel 8:42, eerste lid, van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt.
3.2.
In artikel 8:52, eerste en tweede lid, van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat de bestuursrechter, indien de zaak spoedeisend is, kan bepalen dat deze versneld wordt behandeld en dat hij in dat geval de in artikel 8:42, eerste lid, bedoelde termijnen kan verkorten.
3.3.
In artikel 8:44, eerste lid, van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat de bestuursrechter partijen kan oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van inlichtingen. In artikel 8:27 van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat partijen die door de bestuursrechter zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen, verplicht zijn te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven.
3.4.
In artikel 8:31 van de Awb staat – voor zover hier van belang – dat indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven of stukken over te leggen, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen.
Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter, voordat hij toepassing kan en mag geven aan het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, de desbetreffende partij in de gelegenheid moet stellen de ontbrekende stukken in te zenden of aan te geven waarom bepaalde stukken niet zijn ingezonden (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 30 juli 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8386).
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van het besluit; draagt verweerder op, voor zover nog niet is beslist , alsnog een uitspraak op het bezwaarschrift van eiseres te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak; stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar een dwangsom van € 1.442,00 aan eiseres heeft verbeurd; bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00; bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,00 vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 270,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, rechter, in aanwezigheid vanM.J.J.M.C. van Schaijk LLB, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op11 februari 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.