RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 20/328-E uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2022 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. S. Derksen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: mr. B.H.C. de Bruijn). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam werkgever], te [vestigingsplaats], de werkgever. Procesverloop Voor het gedetailleerde procesverloop dat vooraf is gegaan aan de tussenuitspraak van 15 juli 2022 in deze zaak, wordt verwezen naar die tussenuitspraak. In deze procedure gaat het om de vraag of het UWV bij het bestreden besluit van 16 december 2019 terecht de WIA-uitkering van eiser per 16 februari 2020 heeft beëindigd. In de tussenuitspraak van 15 juli 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd en het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen de daarin gestelde termijn, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak op 8 september 2022 een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hierop op 28 september 2022 schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 december 2022 gesloten. Partijen zijn hiervan bij brief van dezelfde datum op de hoogte gesteld. Overwegingen
- Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Voor de feiten en de standpunten van partijen verwijst de rechtbank eveneens naar de tussenuitspraak.
- Eisers WIA-uitkering is ingetrokken met ingang van 16 februari
- Dat is de datum in geding in deze procedure.
- De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluit over de arbeidsongeschiktheid mag baseren op een rapport opgesteld door een verzekeringsarts (Bezwaar & Beroep; B&B). Dat kan anders zijn in het geval waarin de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd. Voor het aanvechten van de inhoudelijke medische beoordeling van de verzekeringsarts (B&B) geldt dat een betrokkene in beginsel niet zal kunnen volstaan met de enkele stelling dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts (B&B) heeft aangenomen. Hij zal dat standpunt moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met medische informatie.
- De rechtbank heeft op de zitting van 23 juni 2021 in overleg met partijen de behandeling van het beroep aangehouden, zodat het UWV (alsnog) een expertise kon laten verrichten naar de gezondheidstoestand van eiser. Deze expertise is vervolgens verricht door Pyson, vastgelegd in een rapport van 17 januari
- In dat kader is eiser gezien en onderzocht door psychiater R. Hondius. Ook is eiser gezien en onderzocht door psycholoog M. Benie (onder verantwoordelijkheid van GZ-psycholoog/neuropsycholoog S. Hage),
- Bij brief van 23 februari 2022 heeft het UWV het expertiserapport van Psyon, een aanvullend verweerschrift en een rapportage van de verzekeringsarts B&B van 21 februari 2022 ingediend. In zijn rapportage komt de verzekeringsarts B&B op basis van de expertise tot de conclusie dat er voor eiser op 26 juli 2019 geen beperkingen waren te stellen. Om die reden handhaaft het UWV zijn standpunt dat de WIA-uitkering van eiser terecht per 16 februari 2020 is beëindigd.
- In reactie hierop heeft eiser aangegeven dat datgene wat hij naar voren wil brengen al naar voren heeft gebracht in de procedure en dat hij zich daarom refereert aan het oordeel van de rechtbank.
- De rechtbank heeft vervolgens tussenuitspraak gedaan waarin zij, kort gezegd, heeft overwogen dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag, omdat de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportages alsmede de aanvullende rapportage in beroep van 21 februari 2022 zijn gericht op de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op 16 december 2019 en dus niet zien op de datum in geding (16 februari 2020).
- Het UWV heeft met de brief van 8 september 2022 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering gegeven. Onder verwijzing naar de daarbij overgelegde rapportage van de verzekeringsarts B&B van 7 september 2022 stelt het UWV zich gemotiveerd op het standpunt dat zijn conclusie dat eiser op 16 december 2019 (de rechtbank begrijpt: 26 juli 2019) geen arbeidsbeperkingen heeft ook geldt voor de datum in geding, omdat er geen sprake is (geweest) van wezenlijke wijzigingen in het medisch beeld van eiser. Het UWV vindt dat hiermee het gebrek in de bestreden besluitvorming is hersteld.
- In zijn zienswijze van 28 september 2022 heeft eiser geen inhoudelijke reactie gegeven op de wijze waarop het UWV het gebrek heeft hersteld. Eiser geeft daarin aan zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
- Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit niet in stand blijven vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek. Een motivering die ziet op een andere datum dat hier in geding, is naar het oordeel van de rechtbank geen gebrek dat (met toepassing van artikel 6:22 van de Awb) kan worden gepasseerd. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank vindt echter dat er aanleiding is om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat wordt hieronder uitgelegd.
- Eiser heeft in zijn reactie op de conclusies van het nader verrichte onderzoek, het nadere standpunt van het UWV en de ingebrachte aanvullende motivering naar aanleiding van de tussenuitspraak, alleen verwezen naar wat hij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. Eiser voerde daarbij aan dat hij wel degelijk arbeidsongeschikt is. Dit vond ook de primaire verzekeringsarts op basis van de in de primaire fase bestudeerde medische stukken. Ook de werkgever was in bezwaar deze mening toegedaan. Eisers stelling dat hij niet in staat is om te werken, heeft eiser daarbij onderbouwd met de door hem in beroep overgelegde nadere medische stukken. Verder vindt eiser dat hij dusdanig arbeidsongeschikt is en dat het vooruitzicht zo slecht is, dat hij in aanmerking zou moeten komen voor een IVA-uitkering.
- De rechtbank stelt vast dat het UWV alsnog een expertise heeft laten verrichten, waarvan de onderzoeksresultaten door eiser op zich niet zijn betwist. Het UWV baseert zijn (gehandhaafde) standpunt dat er voor eiser per datum in geding geen objectieve medische grondslag aanwezig is voor het aannemen van beperkingen onder meer op de verrichte (uitgebreide) expertise. Daar kunnen tot op zekere hoogte vraagtekens bij worden geplaatst. De verzekeringsarts B&B overweegt in zijn rapportage van 21 februari 2022 immers dat er op basis van de expertise geen aanwijzingen zijn om ernstige beperkingen stellen, maar met die overweging hoeft het niet uitgesloten te zijn dat er helemaal geen beperkingen kunnen worden gesteld zoals thans het geval is. Tegelijkertijd merkt de verzekeringsarts B&B ook op dat het (door de deskundige) verrichtte neuropsychologisch onderzoek (NPO) – waarin cognitieve functiestoornissen kunnen worden geobjectiveerd – niet betrouwbaar kon worden verricht en dat een deel van eisers klachten zijn terug te voeren op (gebrekkige) coping wat geen ziekte of gebrek is in het kader van de Wet WIA. De rechtbank begrijpt deze overwegingen van de verzekeringsarts B&B in samenhang gezien aldus dat er weliswaar medisch objectiveerbare beperkingen zouden kunnen zijn, maar dat vanwege het niet betrouwbare NPO en de (gebrekkige) coping van eiser geen toerekening van die beperkingen kan plaatsvinden aan een medisch objectiveerbare ziekte of gebrek. Aangezien eiser geen (nieuwe) gronden tegen het medisch oordeel van de verzekeringsarts B&B heeft ingebracht en de door eiser in beroep overgelegde medische informatie in de verrichte expertise is betrokken, ziet de rechtbank al met al onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van het UWV te twijfelen.
- Over het eveneens eerder in de procedure ingenomen standpunt van eiser dat hij als belanghebbende niet is gehoord in de bezwaarfase, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan ook zij, er geen belang meer is bij een oordeel hierover. Het beroep is namelijk reeds gegrond, het bestreden besluit zal worden vernietigd en het UWV zal worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. De expertise is tijdens de beroepsprocedure alsnog verricht en al hetgeen eiser had willen aanvoeren heeft hij in deze beroepsprocedure kunnen doen.
- Omdat het UWV het bestreden besluit na schorsing van het onderzoek ter zitting alsmede na de tussenuitspraak alsnog van een toereikende grondslag heeft voorzien en die vervolgens deugdelijk heeft gemotiveerd, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Dat laatste betekent dus dat het UWV terecht de WIA-uitkering van eiser per 16 februari 2020 heeft beëindigd.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekend op € 2.
- (De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag van het deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 759,-, bij een wegingsfactor
- Strikt genomen kent het Bpb alleen een vergoedingsmogelijkheid voor een schriftelijke zienswijze na een door de rechtbank gelast deskundigenonderzoek, terwijl het deskundigenonderzoek in deze zaak op last van het UWV is verricht. Het betreft evenwel een in de beroepsfase uitgevoerd deskundigenonderzoek, zodat de rechtbank daarvoor de genoemde vergoeding aangewezen acht.) Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 16 december 2019; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; draagt het UWV op het griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 december
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Rechtbank Oost-Brabant 15 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:
- Uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.