RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/1836 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, R.I.C.O. Harmsen, (gemachtigde: mr. J.G. van Ek), en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder (gemachtigde: mr. M.M.A. Leijtens). Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij over de periode van 1 januari 2020 tot 1 oktober 2020 te veel bijstandsuitkering heeft ontvangen. Het te veel betaalde bedrag van € 650,01 over de periode van januari 2020 tot en met maart 2020 wordt van eiser teruggevorderd en het te veel ontvangen bedrag over de periode van april 2020 tot en met september 2020 wordt verrekend met de nog uit te betalen bijstandsuitkering van oktober en november 2020, zodat eisers bijstandsuitkering over oktober 2020 niet wordt uitbetaald en eiser over november 2020 een lagere uitkering ontvangt. Verder brengt verweerder vanaf 1 oktober 2020 maandelijks een bedrag van € 216,67 als inkomen in mindering op eisers bijstandsuitkering. Bij besluit van 6 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn bewindvoerder, R. Harmsen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. A.W.M. van Deursen Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 1.1 Eiser ontvangt sinds 13 januari 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Eiser staat onder bewind en is geïndiceerd voor de Wet langdurige zorg (Wlz) met zorgprofiel 3VG: Wonen met begeleiding en verzorging. Eiser verblijft niet in een instelling. De Wlz-zorg werd tot 1 maart 2020 geleverd in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Op 1 maart 2020 is dit – met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 – omgezet in een Volledig Pakket Thuis (VPT). Onderdeel van dat VPT is het verstrekken van eten en drinken in natura of een vergoeding voor het doen van boodschappen. Eiser verzilvert zijn VPT bij zorgaanbieder Linc naar Zorg (LnZ). Van LnZ ontvangt eiser – onder andere – een voedingsbudget van € 216,67 per maand. De hoogte van het voedingsbudget is gebaseerd op de NIBUD-normen. De eigen bijdrage is in verband met de omzetting van het pgb naar het VPT verhoogd van € 23,80 naar € 168,00 per maand. 1.2 Bij een hercontrole bijzondere bijstand in augustus 2020 heeft verweerder kunnen constateren dat eiser maandelijks een bedrag van € 216,67 aan voedingsbudget op zijn bankrekening ontvangt. Verweerder heeft hierover bij eisers bewindvoerder bewijsstukken, waaronder bankafschriften, opgevraagd. Uit de bankafschriften van de beheerrekening is verweerder het volgende gebleken: 25 maart 2020, bijschrijving van voedingsbudget ad € 650,01, over de periode januari 2020 t/m maart 2020; 1 april 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67; 4 mei 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67; 1 juni 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67; 1 juli 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67; 3 augustus 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67; 1 september 2020, bijschrijving van voedingsbudget € 216,67. Verweerder heeft vervolgens telefonisch contact gehad met eisers begeleider van LnZ. De begeleider heeft bij deze gelegenheid verklaard dat er geen sprake is van bijzondere kosten voor voeding en drank en/of voor een speciaal dieet. Eiser krijgt het voedingsbudget voor reguliere boodschappen. Eiser ontving geen bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage, maar in haar e-mail van 20 oktober 2020 heeft verweerders Consulent Inkomen G. Sukul te kennen gegeven dat eiser dat wel kan aanvragen. Besluitvorming 2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het voedingsbudget als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) moet worden aangemerkt nu het gaat om periodieke stortingen waarover eiser vrijelijk kan beschikken en die – net als de bijstandsuitkering – bedoeld zijn voor de kosten van levensonderhoud (voedingsmiddelen). De ten behoeve van de aanschaf van voeding gestorte bedragen dienen daarom in mindering gebracht te worden op eisers bijstandsuitkering. Eiser dient daarom de in de maanden januari tot en met maart 2020 te veel ontvangen bijstand terug te betalen. Het te veel ontvangene in de maanden april tot en met september kon verrekend worden met de bijstandsuitkeringen van eiser in oktober en november 2020. Eiser heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. 2.2 Voorts wordt vanaf 1 oktober 2020 maandelijks een bedrag van € 216,67 op eisers bijstandsuitkering in mindering gebracht. Het bedrag van € 168,00 dat eiser op grond van de Wlz aan CAK moet betalen als eigen bijdrage kan niet in mindering gebracht worden op het te korten inkomen gelet op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waaruit volgt dat verwervingskosten niet in mindering mogen worden gebracht op het inkomen. 2.3 Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat niet gebleken is van een zo zeer bijzondere situatie dat individuele afstemming zoals bedoeld in artikel 18 van de Pw toegepast kan worden. Beroepsgronden 3.1. Het feit dat de Wlz niet wordt genoemd in de artikelen 31 en 32 van de Pw wijst er volgens eiser op dat gelden die op basis van de Wlz worden verstrekt niet als middelen in de zin van de Pw dienen te worden gezien. Artikel 31, eerste lid, van de Pw bevat het uitgangspunt dat alle inkomens- en vermogensbestanddelen tot de middelen behoren. In het tweede lid van dat artikel worden een aantal uitzonderingen genoemd, waaronder vergoedingen en tegemoetkomingen op grond van bepaalde wetten. Daarbij wordt de Wlz niet genoemd. Eiser vermoedt dat hier sprake is van een omissie van de wetgever die destijds niet heeft voorzien dat vanuit de Wlz zorg in natura zou kunnen worden geleverd, waardoor bijstandsgerechtigden geldbedragen op hun rekening krijgen gestort. 3.2 Eiser wijst erop dat het voedingsbudget niet is te beschouwen als loon – er staat immers geen arbeidsprestatie tegenover – en evenmin als uitkering, aangezien het een bijdrage in de kosten van voeding betreft en geen uitkering. De Wlz geeft geen aanspraak op een maandelijkse uitkering, maar aanspraak op zorg. Dat die zorg vervolgens deels middels een geldelijke bijdrage wordt geleverd, maakt volgens eiser het voorgaande niet anders. 3.3 Eiser stelt voorts dat hij een maandelijkse eigen bijdrage aan het CAK betaalt waardoor het financiële surplus van het voedingsbudget grotendeels weer teniet wordt gedaan. De eigen bijdrage dient volgens eiser wel degelijk verdisconteerd te worden met het voedingsbudget nu er, kort gezegd, kosten tegenover staan (de eigen bijdrage). Eiser stelt dat verweerder daar ten onrechte aan voorbij gaat. Eiser wijst er op dat uit de rechtspraak volgt dat afstemming niet aan de orde is als een eventuele besparing weer teniet wordt gedaan door kostenverhogende omstandigheden. 3.4 Verder heeft eiser nog opgemerkt dat als de voeding in natura zou worden verstrekt dit niet als inkomen zou worden aangemerkt in het systeem van de Pw. Door de korting van de Pw-uitkering ontstaat volgens eiser de vreemde situatie dat hij beter af zou zijn in een beschermde woonsetting of bij hulp in natura (boodschappen). Eiser acht dit in strijd met de gedachte achter de Pw die uitgaat van de maatschappelijke deelname van de bijstandsgerechtigde, waaronder het zelfstandig wonen dient te worden geschaard. Naar de stellige mening van eiser is er bij de totstandkoming van de Pw en Wlz geen rekening gehouden met de gevolgen van onverkorte toepassing van de Pw, waardoor het ontvangen van voedingsgeld op basis van de Wlz leidt tot een korting van de bijstandsuitkering. Dat kan volgens eiser niet de bedoeling zijn, nu hij daardoor in een nadeliger positie komt te verkeren, dan wanneer hij zorg in natura ontvangt. Eiser heeft verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank Overijssel waarin, samengevat, werd beslist door de rechtbank dat er zonder nader onderzoek naar de specifieke omstandigheden van het geval, geen korting kan worden toegepast op de Pw-uitkering. Daarbij dienen ook eventuele kostenverhogende omstandigheden, zoals de eigen bijdrage van het CAK, in overweging te worden genomen. Eiser wijst er op dat verweerder geen bijzondere bijstand verleent voor de eigen bijdrage CAK. Deze dient eiser uit eigen zak te betalen. 3.5 Resumerend stelt eiser dat de besluitvorming van verweerder in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het juridisch kader 4.1 Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 4.2 Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. 4.3 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 4.4 Artikel 32, eerste lid, van de Pw bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.