vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/389046 / HA ZA 23-30 Vonnis in incident van 5 april 2023 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. O. Diemel te Rosmalen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. J.M.J. Kosman te Mierlo. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de ‘exceptie van onbevoegdheid tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord’ de incidentele conclusie van antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident De vordering 2.
- [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Op de rechtsverhouding tussen partijen zijn volgens [gedaagde] de UAV 2012 van toepassing. In paragraaf 49 daarvan is bepaald dat geschillen moeten worden beslecht door de arbitragecommissie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw. De gewone rechter is daarom niet bevoegd dit geschil te behandelen. Het verweer 2.
- [eiser] betwist dat de rechtbank onbevoegd is. Partijen hebben nooit een overeenkomst tot arbitrage gesloten. [eiser] concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het gevorderde in incident met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, zoals nader in zijn conclusie omschreven. Het juridisch kader 2.
- Artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt: “De rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.”. 2.
- De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of partijen een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten. Om die vraag met ‘ja’ te kunnen beantwoorden, zou de rechtbank - kort gezegd - moeten kunnen vaststellen dat op de rechtsverhouding tussen partijen de UAV 2012 van toepassing zijn. In paragraaf 49 daarvan is, voor zover van belang, bepaald: “Voor de beslechting van de in deze paragraaf bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.” en “Alle geschillen, welke ook - daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals dit drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt.”. Het oordeel van de rechtbank 2.
- De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Waarom dat zo is, legt de rechtbank hierna uit. 2.
- In 2014 besloot [eiser] zijn woning te laten verbouwen en uit te breiden. Hij schakelde daarvoor een architect in, die onder meer de werkomschrijving van 20 september 2014 heeft opgesteld. Deze werkomschrijving bevat een opsomming van de uit te voeren werkzaamheden en daarnaast onder meer de passage: “Op het werk zijn de administratieve voorwaarden zoals vastgesteld in de UAV 2012 van toepassing”. [gedaagde] is gestart met de werkzaamheden omstreeks oktober
- Er was op dat moment nog geen door beide partijen geaccordeerde en ondertekende aannemingsovereenkomst. Er zijn vervolgens tussen partijen allerlei discussies ontstaan tijdens het uitvoeren van het werk. Bemiddeling van een derde heeft geleid tot het op papier zetten van de afspraken zoals vastgelegd op 7 april
- Tussen partijen staat vast dat dit het enige stuk is dat door beide partijen is geaccordeerd en ondertekend. In de namens [eiser] verzonden bevestiging van die datum (productie 6 bij dagvaarding) staat onder meer: “Onze opdracht is gebaseerd op: De werkomschrijving van 24 (de rechtbank begrijpt: 20) september 2014 (. . .)”. Deze brief is door [eiser] en door [gedaagde] ondertekend. 2.
- [gedaagde] beroept zich op deze aannemingsovereenkomst van 7 april
- Hij stelt zich op het standpunt dat van deze overeenkomst onderdeel uitmaakt de werkomschrijving van 20 september 2014, waar weer in is vermeld dat de UAV 2012 van toepassing zijn. 2.
- [eiser] betwist dat door aan te voeren dat in deze overeenkomst weliswaar naar diverse documenten wordt verwezen, maar dat betekent volgens hem niet dat die documenten 1-op-1 onderdeel uitmaken van de aannemingsovereenkomst tussen partijen en deze documenten zijn ook nooit door beide partijen geaccordeerd. 2.
- De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat partijen hebben gesproken over (de toepasselijkheid van) de UAV
- Ook de schriftelijke aannemingsovereenkomst van 7 april 2015 vermeldt zelf niets over de UAV
- In deze overeenkomst wordt wel verwezen naar de werkomschrijving van 20 september
- Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de woorden “is gebaseerd op” niet zonder meer betekenen dat partijen bedoeld hebben de volledige inhoud van de werkomschrijving van 20 september 2014 via de weg van aanbod en aanvaarding tot contractsinhoud te maken. Daarbij speelt een rol dat de werkomschrijving, zoals de titel al zegt, toch vooral bedoeld lijkt te zijn als omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden en tussen partijen ook als zodanig is besproken. In de daarop gevolgde werkomschrijving van 7 april 2015 wordt ook niets meer gezegd over de UAV
- De enkele mededeling in de werkomschrijving van 20 september 2014 van de architect van [eiser] dat op het werk de UAV 2012 van toepassing zijn, acht de rechtbank niet voldoende om tot toepasselijkheid van de UAV 2012 op de tussen [eiser] en [gedaagde] gesloten aannemingsovereenkomst te concluderen. Voor zover al gesproken zou kunnen worden van een aanbod om onder toepasselijkheid van de UAV 2012 met elkaar zaken te doen, geldt in elk geval dat onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] daar toen mee heeft ingestemd. 2.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- wijst het gevorderde af, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 598,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 3.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 april 2023 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.