RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht PACHTKAMER Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Zaaknummer: 10278786 \ CV EXPL 23-141 Vonnis in incident van 25 mei 2023 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2], beiden wonende te [woonplaats] ,3. [eiseres sub 3], 4. [eiseres sub 4], beiden wonende te [woonplaats] ,5. [eiser sub 5], 6. [eiser sub 6], 7. [eiseres sub 7], 8. [eiseres sub 8], allen wonende te [woonplaats] ,9. [eiser sub 9], wonende te [woonplaats] ,10. [eiser sub 10], 11. [eiser sub 11], 12. [eiser sub 12], allen wonende te [woonplaats] , eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident, hierna samen te noemen: [eisers] (mannelijk / enkelvoud), gemachtigde: mr. A. van Weverwijk, advocaat te Geldermalsen, t e g e n : [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, hierna te noemen: [gedaagde] (mannelijk / enkelvoud), gemachtigde: mr. J.A.J. Devilee (Klaverblad Rechtsbijstand Stichting). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties, tevens houdende conclusie van eis in het incident; - het schriftelijk verweer in het incident op de voet van artikel 843a Rv. 1.2. Daarna is een datum voor vonnis in het incident bepaald. 2De beoordeling in het incident 2.1. Tussen partijen geldt een pachtovereenkomst met betrekking tot een hoeve met aanliggende agrarische gronden, waarbij [eisers] verpachter is en [gedaagde] pachter. [eisers] is als erfgenaam verpachter geworden nadat de vorige verpachter is overleden. 2.2. In de hoofdzaak heeft [eisers] -zakelijk weergegeven- de volgende vorderingen ingesteld: I) ontbinding van de pachtovereenkomst met betrekking tot de hoeve met aangelegen gronden; II) veroordeling van [gedaagde] tot levering van de met het gepachte samenhangende fosfaatrechten en bij gebreke daarvan betaling van schadevergoeding, gelijk aan de helft van de waarde van de omvang van de fosfaatrechten, welke waarde zonodig moet worden bepaald door een deskundige; III) te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten door zonder toestemming van [eisers] het met het gepachte samenhangende melkquotum te vervreemden; IV) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van de helft van de waarde van de omvang van het melkquotum ten tijde van de vervreemding; V) veroordeling in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente, een en ander zoals nader in de dagvaarding omschreven; VI) het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 2.3. In het incident vordert [eisers] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het verstrekken van afschriften van: de jaarrekeningen 2018 t/m 2021, de Gecombineerde Opgaven 2018 t/m 2022, gegevens (van o.a. COS) op grond waarvan kan worden vastgesteld welke referentie-hoeveelheid melk in 1984 is gaan samenhangen met het gepachte, e verkoopovereenkomst tussen [gedaagde] en koper op grond waarvan kan worden vastgesteld voor welke prijs [gedaagde] het met het gepachte samenhangende melkquotum heeft verkocht; een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. 2.4. Volgens [gedaagde] moet de vordering in het incident worden afgewezen. 2.5. De pachtkamer oordeelt in het incident als volgt. 2.6. Met de conclusie van antwoord in het incident heeft [gedaagde] de jaarrekeningen 2018 t/m 2021 (in concept) en de Gecombineerde Opgaven 2018 t/m 2022 overgelegd, zodat de vordering tot het overleggen van afschriften van deze stukken geen behandeling meer behoeft. 2.7. Wat betreft de – kort gezegd – gevorderde gegevens voor het bepalen van de referentiehoeveelheid melk in 1984 en de – kort gezegd – verkoopovereenkomst waarmee het melkquotum is verkocht geldt het volgende. 2.8. [eisers] stoelt zijn vordering op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor toewijzing van een op dit artikel gegronde vordering moet aan drie in lid 1 van dat artikel gestelde voorwaarden zijn voldaan: degene die de vordering instelt dient een rechtmatig belang te hebben, het moet gaan om bepaalde bescheiden, de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarbij eiser (of zijn rechtsvoorgangers) partij is. 2.9. Onderdeel van de voorwaarde dat de bescheiden waarvan afschriften worden gevorderd een rechtsbetrekking betreffen waarbij eiser partij is (de voorwaarde hierboven genoemd onder 3) is dat het stuk bestaat. Daaruit volgt dat voor het toewijzen van de vordering tot het overleggen van stukken vereist is dat met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage wordt gevorderd bestaat. 2.10. In het licht van dit beoordelingskader is de pachtkamer van oordeel dat de vordering tot het verstrekken van een afschrift van de verkoopovereenkomst waarmee het melkquotum is verkocht (randnummer 2.3 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.