RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 22/2621 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Dik), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister (gemachtigden: mr. J.A. Ter Schure (woordvoerder). T.H. van Veen, A. Lavertu en mr. D. Georgieva). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van de aan hem verstrekte subsidie, de vaststelling van de subsidie op nihil en de terugvordering van het betaalde voorschot. 1.1. Met het bestreden besluit van 20 september 2022 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 1.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser is medisch specialist en heeft gebruik gemaakt van de subsidieregeling genaamd SOIT. Om aan die regeling te kunnen voldoen heeft eiser zijn praktijk als vrijgevestigd medisch specialist in Stichting Ziekenhuis [naam] ( [naam] ) beëindigd en is hij per 1 januari 2015 in loondienst van dat ziekenhuis getreden. 2.1. Op basis van dit dienstverband heeft de minister bij besluit van 15 december 2015 de voor eiser door [naam] (de zorgaanbieder in het kader van de SOIT) ingediende subsidieaanvraag ingewilligd en eiser een subsidie verleend van € 100.000,-. 2.2. Met ingang van 1 september 2016 is het dienstverband van eiser met [naam] beëindigd. Op 1 januari 2017 is eiser op basis van een arbeidsovereenkomst in loondienst bij een ander ziekenhuis gaan werken. Per 1 juni 2017 tot 1 november 2018 heeft eiser op basis van een arbeidsovereenkomst in loondienst gewerkt bij de [naam] . Vanaf 1 december 2018 is hij weer op basis van een arbeidsovereenkomst in loondienst getreden bij een ander ziekenhuis. 2.3. Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft de minister de aan eiser toegekende subsidie vastgesteld. Enige tijd na deze vaststelling, namelijk 4 oktober 2021, heeft de minister eiser bericht dat zijn aanvraag tot subsidievaststelling is geselecteerd voor een nacontrole. Vervolgens heeft eiser de door de minister verzochte stukken verstrekt, waaronder salarisspecificaties en de tussen hem en de Coöperatie gesloten arbeidsovereenkomst overgelegd. 2.4. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 7 april 2022 de aan eiser toegekende subsidie ingetrokken, het subsidiebedrag op nihil gesteld en het reeds uitgekeerde subsidiebedrag van € 100.000,- van eiser teruggevorderd. 2.5. Naar aanleiding van het door eiser (en [naam] ) ingediend bezwaar heeft op 5 juli 2022 een hoorzitting plaatsgevonden. 2.6. Met het bestreden besluit heeft de minister het besluit van 7 april 2022 gehandhaafd inhoudende dat de subsidie ten onrechte is toegekend, dat het toegekende subsidiebedrag daarom op nihil wordt gesteld en dat eiser het uitgekeerde subsidiebedrag moet terugbetalen. De minister stelt zich op het standpunt dat een coöperatie volgens de SOIT niet wordt aangemerkt als een zorgaanbieder. Om die reden heeft eiser volgens de minister niet voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden, namelijk dat hij voor minimaal vier jaar uitsluitend op basis van een of meer arbeidsovereenkomsten met een of meer zorgaanbieders (in de zin van de SOIT) als medisch specialist werkzaam is geweest. De minister vindt dat de intrekking, vaststelling op nihil en terugvordering van de al betaalde SOIT-subsidie een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel is. De voor eiser nadelige gevolgen zijn volgens de minister niet onevenredig in verhouding tot het doel van de SOIT. De minister ziet zich in zijn besluiten gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de intrekking van de toegekende subsidie, de vaststelling op nihil en terugvordering van het reeds uitgekeerde subsidiebedrag van € 100.000,- rechtmatig is. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.2. De SOIT is een ministeriële regeling die is gebaseerd op de Kaderwet VWS-subsidies. Het wettelijk kader in deze zaak bestaat naast de SOIT uit de Awb en de Kaderwet Zorginstellingen. De voor de beoordeling van het beroep belangrijkste wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3.3. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, en artikel 4 van de SOIT wordt subsidie verstrekt aan medisch specialisten die hun hoedanigheid als vrijgevestigd specialist beëindigen en die daarna uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders als medisch specialist werkzaam zijn. In artikel 9 van de SOIT wordt aan deze arbeidsverhouding een periode van vier jaar verbonden. Een arbeidsverhouding van een kortere duur wordt in het kader van de SOIT niet gezien als een gehele overstap en wordt daarom geacht niet te voldoen aan het doel van de SOIT, te weten het realiseren van duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en medisch specialisten. 3.4. Niet in geschil is dat eiser binnen de op hem betrekking hebbende periode van vier jaar – en wel van 1 juni 2017 tot 1 november 2018 – heeft gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst met een coöperatie en dat een coöperatie geen zorgaanbieder is in de zin van de SOIT. Had de minister een informatieplicht met betrekking tot de SOIT? 4. Eiser voert aan dat in de SOIT en de toelichting daarop onvoldoende duidelijk is gemaakt dat voor het aangaan van een duurzame arbeidsverhouding onderscheid moet worden gemaakt tussen het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een raad van bestuur van een ziekenhuis en een coöperatie van medisch specialisten. De minister gaat er volgens eiser in dat verband ten onrechte vanuit dat het begrip ‘zorgaanbieder’ voldoende duidelijk is gedefinieerd. Hij vindt dat de minister dit onderscheid in het kader van zijn zorg- en informatieplicht veel duidelijker en explicieter onder de aandacht van de potentiële deelnemers had moeten brengen. Hij wijst er in dat verband op dat de gemaakte uitzondering stond verstopt in de Kwaliteitswet zorginstellingen, terwijl de overige begrippen in de SOIT zelf zijn gedefinieerd. Deze belangrijke uitzondering had volgens eiser in de SOIT zelf moeten worden opgenomen omdat dat grote gevolgen heeft voor zorgaanbieders. Omdat het niet duidelijk in de SOIT stond wist eiser niet en kon hij ook redelijkerwijs niet weten, dat een coöperatie niet als instelling in de zin van de SOIT gold. Hij is zelf geen geschoold juridische professional en ook geen van de juridisch adviseurs die hij bij de overgang van vrijgevestigd specialist naar loondienst heeft geraadpleegd, heeft hem daarop attent gemaakt. Eiser zegt dat hij ook nooit heeft getwijfeld over het begrip instelling. Om die reden heeft hij daarover ook geen specifiek juridisch advies ingewonnen of contact opgenomen met Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I). 4.1. De beroepsgrond slaagt niet. Allereerst is van belang dat eiser met de ondertekening van het subsidieaanvraagformulier heeft verklaard bekend te zijn met de voorwaarden die worden gesteld voor subsidieverlening. In een situatie als deze waarin eiser van plan was een arbeidsovereenkomst aan te gaan met een andere entiteit dan een ziekenhuis had het op zijn weg gelegen om bij de minister te informeren of dat gevolgen heeft voor de verleende subsidie, juist als (voor eiser) het antwoord niet meteen uit de definitiebepalingen van de SOIT valt af te leiden. De minister heeft in zijn besluit tot subsidieverlening eiser uitdrukkelijk gewezen op diens meldplicht om een nieuwe arbeidsovereenkomst met een zorgaanbieder te melden. Ook daarin ligt de verantwoordelijkheid van eiser besloten om de minister voor te leggen of een coöperatie wel of niet als zorgaanbieder wordt beschouwd. En ook is in het besluit tot subsidieverlening vermeld dat eiser bij vragen contact kan opnemen met DUS-I. Gelet op de hiervoor geschetste verantwoordelijkheid van eiser gaat de rechtbank voorbij aan diens tijdens de zitting afgelegde verklaringen dat hij een drukbezet man is, dat om die reden [naam] voor hem de subsidie heeft aangevraagd en dat hij alle verdere handelingen aan [naam] heeft overgelaten. Moet de SOIT deels onverbindend of buiten toepassing worden verklaard? 5. Eiser betoogt dat de SOIT onverbindend moet worden verklaard voor zover daarin samenwerkingsverbanden worden uitgesloten als zorgaanbieder. Volgens eiser wordt in de SOIT niet toegelicht waarom een samenwerkingsverband binnen een ziekenhuis zou moeten worden uitgesloten van zorgaanbieders in de zin van de SOIT. Dat samenwerkingsverbanden binnen ziekenhuizen voor de toepasselijkheid van de Kwaliteitswet Zorginstellingen — aan welke wet de definitie voor het begrip instelling is ontleend - niet als instelling worden aangemerkt, heeft een eigen reden. Het doel van de Kwaliteitswet Zorginstellingen was het kunnen stellen en handhaven van kwaliteitseisen aan instellingen. Met het stellen van dergelijke eisen aan het grotere organisatorische verband werd dat doel al voldoende bereikt. Het was niet nodig met het oog op het waarborgen van kwaliteit om de verbanden binnen het grotere verband zelf ook weer als instelling aan te merken. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het voor het beoogde doel van de SOIT problematisch zou zijn als de arbeidsovereenkomst gedurende de vierjaarsverplichting met een coöperatie wordt gesloten in plaats van met een ziekenhuis, aldus eiser. 5.1. De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de minister bij het opstellen van een subsidieregeling als de SOIT veel beslissingsruimte heeft. De SOIT is het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om voor een bepaalde activiteit subsidie te verlenen. Die activiteit betreft de overstap van vrijgevestigde medisch specialisten naar loondienst, waarbij duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en de medisch specialisten ontstaan. In het licht van die doelstelling moet de uitsluiting van organisatorische verbanden als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen worden begrepen. Uit de toelichting van de SOIT volgt namelijk het volgende. Vanwege de invoering van de integrale tarieven wijzigde de positie van de vrij gevestigde medisch specialisten. Zij moesten zich anders gaan organiseren door ofwel het ondernemerschap te behouden of in loondienst te gaan bij het ziekenhuis (de zorgaanbieder). De specialistenmaatschappen en de medisch specialistische bedrijven worden aangemerkt als de voortzetting van het ondernemerschap na de invoering van de integrale tarieven. Aangezien de SOIT een stimulans is voor loondienst bij een ziekenhuis (de zorgaanbieder) en dus niet is bedoeld om het ondernemerschap voort te zetten (ongeacht de in dat verband gekozen constructie), heeft de regelgever ervoor gekozen om de hiervoor genoemde uitsluiting uit de Kwaliteitswet zorginstellingen over te nemen. Deze keuze acht de rechtbank niet onredelijk. Er is geen reden om de SOIT op dit punt onverbindend te verklaren. 5.2. Ook betoogt eiser dat de vierjaarsregeling als bedoeld in artikel 9 van de SOIT in zijn specifieke geval in strijd is met artikel 3:4 van de Awb en om die reden buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser voert aan dat de volledige intrekking van de subsidie voor hem leidt tot een evident onevenredige uitkomst in relatie tot het doel van de SOIT. Eiser wijst erop dat hij voor het overgrote deel van de periode van vier jaar heeft voldaan aan de verplichting om op basis van een arbeidsovereenkomst bij een zorgaanbieder in de zin van de SOIT werkzaam te zijn. Hij is er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met de coöperatie volledig te goeder trouw vanuit gegaan dat hij handelde in overeenstemming met de voorwaarden van de SOIT en was zich er niet van bewust dat hij de daarin gestelde voorwaarden en verplichtingen heeft geschonden. Hij vindt ook dat de volledige nihilstelling van de subsidie leidt tot een onevenredige uitkomst omdat hij bij zijn overstap, waar hij geen keuze bij [naam] in had, geen aanspraak heeft kunnen maken op vergoeding van de goodwill die verbonden was aan zijn onderneming als vrijgevestigd medisch specialist. Hij heeft nu een groot (dubbel) financieel nadeel omdat hij bij de overstap geen goodwill heeft verkregen en de verkregen subsidie moet terugbetalen uit particuliere middelen. 5.3. De rechtbank volgt eiser hierin niet en sluit zich allereerst aan bij wat de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 11 januari 2023 heeft overwogen: “De ABRvS heeft in de voornoemde uitspraak van 10 maart 2021 geoordeeld dat de vierjaarsregeling van artikel 9 van de SOIT niet in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat er geen reden is om deze bepaling onverbindend te achten. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De in artikel 9 van de SOIT gestelde verplichting dat binnen de termijn van vier jaar de arbeidsovereenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.