vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Locatie 's-Hertogenbosch Strafrecht Parketnummer: 01/993374-20 (Onderzoek Hammond II) Datum uitspraak: 08 februari 2023 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1987, wonende te [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei 2021, 25 augustus 2021, 12 januari 2022, 2 februari 2022, 5 december 2022, 7 december 2022, 8 december 2022, 12 december 2022 en 25 januari 2023. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van wat door verdachte en zijn advocaat, [advocaat] , naar voren is gebracht. De zaak tegen verdachte heeft de rechtbank (grotendeels) gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten in onderzoek Hammond II: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] is in de loop van het onderzoek komen te overlijden. Daarom heeft de rechtbank bij vonnis van 8 december 2022 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging in de zaak tegen [medeverdachte 8] verklaard. 2De beschuldigingen in de tenlastelegging De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 april 2022. Op vordering van het Openbaar Ministerie is de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 januari 2022 gewijzigd. Na wijziging van de tenlastelegging is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort weergegeven: het in vereniging opzettelijk produceren of aanwezig hebben van 920 gram metamfetamine (kristallen) en 2 liter metamfetamine, in de periode van 1 november 2020 tot en met 16 februari 2021 in [adres 1] ; het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs, in dezelfde periode en plaats; het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de vervoer en uitvoer van harddrugs, in de periode van 1 november 2020 tot en met 16 februari 2021 in [plaats 2] ; het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 februari 2021 in Nederland. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3De formele voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en het Openbaar Ministerie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. 4Beslissingen over het bewijs In dit hoofdstuk zal de rechtbank beoordelen of zij de in de tenlastelegging neergelegde beschuldigingen tegen verdachte wettig en overtuigend bewezen acht. Het bewijs zal worden besproken per zaaksdossier, zodat achtereenvolgens aan de orde komen feiten 1 en 2 gezamenlijk (zaaksdossier 8: [adres 1] ), feit 3 (zaaksdossier 4: [plaats 2] ) en ten slotte feit 4 (zaaksdossier 5: Criminele organisatie). Telkens zal eerst het standpunt van het Openbaar Ministerie en daarna het standpunt van de verdediging worden samengevat, gevolgd door het oordeel van de rechtbank. Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen uitgewerkt in Bijlage II bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd. 4.1. Feiten 1 en 2 (zaaksdossier 8: [adres 1] ) 4.1.1. Inleiding Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 16 februari 2021 in zijn woning te [adres 1] metamfetamine, te weten 920 gram kristallen en 2 liter van die stof, heeft bereid of bewerkt, dan wel aanwezig heeft gehad (feit 1). Daarnaast heeft hij volgens het Openbaar Ministerie in diezelfde periode in zijn woning chemicaliën ten behoeve van de productie van synthetische drugs voorhanden gehad (feit 2). 4.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat, op gronden zoals verwoord in het requisitoir, feiten 1 en 2 wettig en overtuigend zijn te bewijzen. 4.1.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de metamfetamine en de chemicaliën weliswaar in de woning van verdachte zijn aangetroffen en dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is, maar dat niet kan worden bewezen dat hij ook betrokken was bij het bereiden en/of bewerken van de metamfetamine. De verklaring van verdachte dat andere personen de drugs in zijn huis hebben gebracht en er mogelijk handelingen mee hebben verricht en dat hij dit pas de avond voor het aantreffen ervan door de politie heeft gezien, wordt niet weersproken door de inhoud van het dossier, aldus de verdediging. Dat betekent dat verdachte hooguit voor het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs en de chemicaliën op 15 en 16 februari 2021 veroordeeld kan worden en voor het meer ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. 4.1.4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er op diverse plekken in de woning van verdachte goederen zijn aangetroffen die in verband te brengen zijn met het bereiden en bewerken van metamfetamine. De politie trof metamfetamine-base (olie) aan, die vermoedelijk met actief kool en zoutzuur werd omgezet in metamfetamine kristallen. Met behulp van aceton werden de vervaardigde kristallen in een vergiet en pannetje schoon gemaakt met aceton. Uit de foto’s van de woning van verdachte blijkt dat de goederen waarmee bovenbeschreven proces werd uitgevoerd open en bloot in de woning van verdachte zichtbaar waren. [Alias 2] Voor beantwoording van de vraag of verdachte slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor de aanwezigheid van de drugs en drugsgerelateerde stoffen of dat hij daadwerkelijk zelf drugs heeft bereid en/of bewerkt, is van belang of verdachte als [Alias 2] kan worden geïdentificeerd. Een persoon met gebruikersnaam [Alias 2] was deelnemer aan chatgesprekken over de productie en handel van metamfetamine via de chatapplicatie Threema. De tweelingbroer van verdachte, [medeverdachte 1] , chatte op Threema onder de naam [Alias 1] . Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chats blijkt dat [Alias 1] in de periode van december 2020 tot en met februari 2021 met [Alias 2] sprak over de productie van en handel in “ijs” en “pegels”, benamingen voor metamfetamine. Hoewel verdachte heeft ontkend [Alias 2] te zijn en de verdediging de identificatie heeft betwist, gaat de rechtbank hier vanwege het volgende wel van uit. Op 29 december 2020 vindt een gesprek plaats tussen [Alias 2] en [Alias 1] . [Alias 2] laat weten ijs nodig te hebben. Om 13.22 uur laat [Alias 1] weten dat hij een groep heeft aangemaakt met [Alias 3] . Om 13.23 wordt er door [Alias 4] een bericht in een groep gestuurd die verder bestaat uit [Alias 1] en [Alias 2] . Het bericht luidt: “Yoo”. Hierop stuurt [Alias 1] diezelfde minuut het bericht: “Hier kan je met twin praten bro”, waarop [Alias 4] twee minuten later chat: “Yo [Alias 2] ben je vanavond thuis”. [Alias 4] is door de politie geïdentificeerd als [medeverdachte 9] , de persoon die op 16 februari 2021 in de vroege ochtend door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen. Bovendien blijkt uit OVC-gesprekken dat verdachte met zijn tweelingbroer eerder over [Alias 3] sprak. In een gesprek op 25 november 2020 zegt [medeverdachte 1] tegen verdachte dat [Alias 3] een stash heeft. Uit het voorgaande en de overige bewijsmiddelen volgt dat de tweelingbroers [medeverdachte 1] en [verdachte] via Threema met elkaar over metamfetamine chatten, dat zij een gezamenlijke kennis hebben die [medeverdachte 9] heet, door hen [Alias 3] genoemd wordt en als [Alias 4] wordt opgenomen in een Threema-groep. In die groep chatten zij ook over metamfetamine. Op 4 februari 2021 vraagt [Alias 4] aan [Alias 2] of hij het weekend vrij houdt omdat ze dan kunnen knallen, zo denkt hij. Op 6 februari 2021 vraagt hij: “Gaan we vanavond beginnen met knallen?”, waarop [Alias 2] dat bevestigt. Op 10 februari 2021 meldt [Alias 2] dat ze nog niet op de helft zijn. In de chat wordt voorts gesproken over lekken en drogen en wordt gesproken over het gebruik van een kussensloop. Dit past bij de bevindingen van de door de politie aangetroffen opstelling, waar een witte katoenen doek wordt aangetroffen die gebruikt werd bij het bewerken van de synthetische drugs. Voorts blijkt dat er tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] gesproken wordt over het bewerkingsproces en dat [medeverdachte 1] aceton besteld heeft, nodig voor de bewerking van metamfetamine en waarvan één jerrycan op 16 februari 2021 wordt aangetroffen bij [verdachte] thuis. In dat huis is naast verdachte ook [medeverdachte 9] aanwezig en worden opstellingen aangetroffen waarin metamfetamine wordt bewerkt. In het licht van het voorgaande is de niet nader onderbouwde en niet aan het dossier te toetsen verklaring van verdachte over twee niet nader te noemen personen die één dag de beschikking over de sleutel van verdachtes woning hebben gehad en daar de in werking zijnde opstellingen voor de bewerking van metamfetamine hebben geplaatst volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht daarentegen bewezen dat verdachte zelf metamfetamine heeft bereid en/of bewerkt. Voorts heeft verdachte chemicaliën ten behoeve van de productie van synthetische drugs voorhanden gehad. Gelet op de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ten aanzien van feit 1 uit van een pleegperiode van 6 februari 2021 tot en met 16 februari 2021. Hoewel er aanwijzingen bestaan dat verdachte hier al langer mee bezig was, is niet vast te stellen hoe lang de chemicaliën die door de politie op 16 februari 2021 zijn aangetroffen daar al aanwezig waren, zodat de rechtbank slechts de voorbereidingshandelingen (feit 2) op die dag wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. 4.2. Feit 3 (zaaksdossier 4: [plaats 2] ) 4.2.1. Inleiding Ten aanzien van de locatie aan de [plaats 2] (feit 3) wordt [verdachte] het medeplegen van voorbereidingshandelingen verweten ten behoeve van het vervoer van harddrugs in de periode van 1 november 2020 tot en met 16 februari 2021. 4.2.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit. 4.2.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit feit. 4.2.4. Het oordeel van de rechtbank Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] van dit feit moet worden vrijgesproken. In het procesdossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij deze verdenking kan worden vastgesteld. 4.3. Feit 4 (zaaksdossier 5: Criminele organisatie) 4.3.1. Inleiding Verdachte wordt onder feit 4 verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De criminele organisatie zou het oogmerk hebben gehad op het plegen van drugsfeiten. 4.3.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit. Volgens het Openbaar Ministerie heeft [verdachte] samen met zijn broer [medeverdachte 1] een criminele organisatie gevormd. In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat de organisatie van [medeverdachte 1] bezig gaat met trajecten uit Mexico. [verdachte] zou vervolgens aan de slag gaan met hetgeen [medeverdachte 1] via deze trajecten invoerde. Zo is een zending crystal meth vermoedelijk in actieve kool naar Nederland gezonden. In de woning van [verdachte] is vervolgens actieve kool aangetroffen. Ook noemt [medeverdachte 1] zijn broer ‘de kok’. Dit feit dient te worden bewezen verklaard vanaf november 2020 – als [verdachte] met zijn broer meegaat naar [plaats 2] – tot en met februari 2021. 4.3.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] van dit feit moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de pleegperiode te beperken tot 15 en 16 februari 2021. 4.3.4. Het oordeel van de rechtbank Pas voor het eerst uit de toelichting van het Openbaar Ministerie ter terechtzitting heeft de rechtbank begrepen dat de verdenking van deelname aan een criminele organisatie door [verdachte] alleen de samenwerking met zijn broer [medeverdachte 1] betreft. [medeverdachte 1] zou een ‘Mexico lijn’ met ‘ice’ opzetten en [verdachte] zou deze ‘ice’ vervolgens produceren en bewerken. Als startpunt neemt het Openbaar Ministerie het moment dat [medeverdachte 1] zijn broer [verdachte] in vertrouwen neemt over de oplegger waar een verborgen ruimte in zou komen, in november 2020. De rechtbank hecht er aan om eerst aandacht te besteden aan de omvang van het dossier waar zij voor potentiële bewijsmiddelen uit kan putten. Het Openbaar Ministerie heeft enkele weken voor de start van de inhoudelijke behandeling zaaksdossier 10 aan het dossier gevoegd. Daarbij is desgevraagd door het Openbaar Ministerie te kennen gegeven dat alleen de pagina’s 67 tot en met 70 (Relatie zaaksdossier Floralaan 23 [adres 1] ) deel zouden uitmaken van onderzoek Hammond II. Dit deel is ook ter terechtzitting aan verdachte voorgehouden en kan derhalve gebruikt worden voor het bewijs. De rechtbank stelt vast dat zij, afgezien van de hiervoor besproken bewezenverklaring van de feiten 1 en 2, op basis van het beschikbare (deel van het) dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft om een strafbare criminele samenwerking in organisatieverband tussen beide tweelingbroers op te baseren. Hoewel beide broers spraken over de productie van metamfetamine en [verdachte] een jerrycan aceton had staan die [medeverdachte 1] had gekocht, ontbreekt het bewijs dat [verdachte] metamfetamine bereidde of aanwezig had ten behoeve van het verwezenlijken van het doel van een organisatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Dat [verdachte] door zijn broer op de hoogte is gesteld van diens plannen om in een koeltrailer verdovende middelen te gaan vervoeren, dat zij op enig moment hetzelfde telefoontoestel gebruikten en veel contact met elkaar hadden, is eveneens onvoldoende om te kunnen spreken van een criminele organisatie tussen de twee broers. Dit leidt ertoe dat de rechtbank [verdachte] van dit feit zal vrijspreken. 5De bewezenverklaring Op grond van de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. op tijdstippen in de periode van 6 februari 2021 tot en met 16 februari 2021 te [adres 1] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt 920 gram metamfetamine (kristallen) en ongeveer 2 liter van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. op 16 februari 2021 te [adres 1] , [gemeente] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.