← Nederland

ECLI:NL:RBOBR:2023:680

vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer ontneming: 01/880691-17 Datum uitspraak: 16 februari 2023 Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [Verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Onderzoek van de zaak: De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 962.381,26 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij conclusie van eis d.d. 17 maart 2022 heeft de officier van justitie de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd tot een bedrag van € 15.155,

  1. Tussen partijen heeft een schriftelijke ronde plaatsgehad. Op 11 januari 2023 heeft de verdediging bij conclusie van antwoord gereageerd op de vordering en de conclusie van eis. Op 16 januari 2023 heeft de officier van justitie conclusie van repliek genomen. De verdediging heeft vervolgens geen conclusie van dupliek genomen. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 23 februari 2022, 28 april 2022 en 2 februari
  2. De veroordeelde is niet verschenen. Namens de veroordeelde is [raadsman] verschenen. Ter terechtzitting van 2 februari 2023 zijn door het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging vonnisafspraken gemaakt. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht. De beoordeling van de procesafspraken tussen de veroordeelde en het OM. Onderhavige zaak maakt deel uit van onderzoek Obernburg met vijf veroordeelden. De veroordeelde [Verdachte] is bij vonnis van 17 maart 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Ter terechtzitting van 2 februari 2023 is de ontnemingszaak tegen de veroordeelde behandeld. De rechtbank heeft het dossier, de vordering en de over en weer gedeelde conclusies besproken. Elk van de partijen heeft hierbij de gelegenheid gehad om naar voren te brengen wat nodig werd geacht. Tijdens een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting hebben partijen in alle zaken vonnisafspraken gemaakt, inhoudende dat er overeenstemming is gevonden met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank toetst de gemaakte vonnisafspraken aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft ter terechtzitting geverifieerd of de veroordeelde goed is geïnformeerd en vrijwillig met de vonnisafspraken heeft ingestemd. Namens de veroordeelde is verklaard dat het [raadsman] is geweest die het overleg met de officier van justitie heeft gevoerd. Tijdens dit overleg had zij telefonisch contact met de veroordeelde. Zij heeft de gang van zaken toegelicht aan de rechtbank en verklaard dat zijn keuze op grond van voldoende informatie en vrijwillig is gemaakt. De rechtbank vindt de overeengekomen bedragen niet onredelijk of onevenredig, gelet op de vonnissen die in de strafzaken zijn gewezen, het verhandelde ter terechtzitting, de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen en de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak (waarmee rekening is gehouden bij de gemaakte procesafspraken). De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de veroordeelde zijn geëerbiedigd. Gelet op al het voorgaande neemt de rechtbank het uit de vonnisafspraken voortvloeiende bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel over. Indien beslag is gelegd zal de afhandeling daarvan in onderling overleg tussen het OM en de verdediging plaatsvinden. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, in overeenstemming met de gemaakte vonnisafspraken, vast op € 2.500,-. Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld zal dit vonnis worden aangevuld met de bewijsmiddelen. Toepasselijke wetsartikelen De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak De rechtbank: stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.500 (vijfentwintighonderd euro). legt aan [Verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 2.500 (vijfentwintighonderd euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen. bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen. Dit vonnis is gewezen door: mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter, mr. T. Kraniotis en mr. M.M.J. Nuijten, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier, en is uitgesproken op 16 februari 2023.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.