RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23/3229 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A.A.P.M. Theunen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, het college (gemachtigden: W.C.C.M. van de Schans en Y. Peeters). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over het besluit tot aanwijzing van tien parkeerplaatsen aan de [straat] in [woonplaats] als parkeergelegenheid met als doel het direct in/uit laten stappen van passagiers (Kiss & Ride-strook) en de plaatsing van de daarvoor benodigde verkeersborden. 1.
- Met het bestreden besluit van 25 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. 1.
- Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Eiseres heeft zich laten vergezellen door haar echtgenoot. Totstandkoming van het besluit en relevante feiten
- Op 24 oktober 2022 heeft het college een besluit genomen waarin zij (onder andere) tien parkeerplaatsen aan de [straat] in [woonplaats] op maandag tot en met vrijdag tussen 8:00 en 9:00 uur en tussen 13:45 en 15:30 uur als parkeergelegenheid heeft aangewezen met als doel het direct in/uit laten stappen van passagiers en de daarvoor benodigde verkeersborden te plaatsen. 2.
- Bij besluit van 28 november 2022 heeft het college het besluit van 24 oktober 2022 ingetrokken (het intrekkingsbesluit) met de motivering dat tegen dat besluit van 24 oktober 2022 bezwaren waren gekomen. Tegen het intrekkingsbesluit is door derden (niet zijnde eiseres) bezwaar gemaakt. 2.
- Op 31 maart 2023 heeft het college een nieuw besluit genomen (het primaire besluit). Dit besluit houdt de aanwijzing in van tien parkeerplaatsen aan de [straat] in [woonplaats] als parkeergelegenheid met als doel het direct in/uit laten stappen van passagiers op maandag tot en met vrijdag tussen 8:00 en 9:00 uur en de plaatsing van de daarvoor benodigde verkeersborden. Het college heeft er in het besluit op gewezen dat zowel vanuit de scholen De Wissel en Hub, als vanuit omwonenden van de scholen melding is gemaakt van verkeersgevaarlijke situaties tijdens de haal- en brengmomenten van de school. De onveilige situaties bestaan uit dubbel parkeren, het blokkeren van rijbanen en het parkeren voor uitwegen. Met het instellen van een Kiss & Ride-strook wil het college deze onveilige verkeerssituatie te beëindigen. 2.
- Op 3 april 2023 heeft het college omwonenden per brief geïnformeerd dat hij voornemens is tot het instellen van een Kiss & Ride-strook aan de [straat] op doordeweekse dagen tussen 8.00 en 9.00 uur. 2.
- Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 2.
- Eiseres woont aan de [adres] in [woonplaats] . De woning van eiseres bevindt zich tegenover de Kiss & Ride-strook. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid kon komen tot het aanwijzen van de Kiss & Ride-strook aan de [straat] in [woonplaats] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Is het besluit naast een verkeersbesluit ook een aanwijzingsbesluit?
- Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit van 31 maart 2023 niet alleen een verkeersbesluit, maar ook een aanwijzingsbesluit is. Dat heeft volgens eiseres tot gevolg dat het college had moeten afwegen welke gevolgen het besluit heeft voor het woon- en leefklimaat van eiseres. Het college heeft volgens eiseres onvoldoende aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten van het besluit. Daarom kan het besluit niet in stand blijven. 6.
- Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit van 31 maart 2023 enkel een verkeersbesluit is en geen aanwijzingsbesluit. Hij was daarom niet gehouden om ook ruimtelijke aspecten in haar afweging te betrekken. 6.
- De rechtbank oordeelt dat de grondslag van het besluit de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) is. Daaruit vloeit voort dat het beoordelingskader waarbinnen het besluit getoetst moet worden niet ruimer is dan de Wvw. De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat het aanwijzen van de parkeerplaatsen tot een ruimer beoordelingskader moet leiden dus niet. Een ruimtelijke toets kan zich wel voordoen bij een omgevingsplanactiviteit of in het kader van het beoordelen van een omgevingsplan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat daarvan sprake is. De beroepsgrond slaagt niet. Noodzaak voor het verkeersbesluit
- Eiseres heeft bestreden dat er een noodzaak bestaat voor het verkeersbesluit. Zij heeft aangevoerd dat zij van de scholen heeft vernomen dat een wijziging in de parkeersituatie aan de voorkant van de scholen al tot een verbetering van de verkeerssituatie heeft geleid. Volgens eiseres liggen aan de voorkant van de scholen de beste mogelijkheden om parkeerplaatsen te creëren. De achterkant van de scholen, waar de [straat] is gelegen, is daarvoor volgens eiseres veel minder geschikt. De [straat] is namelijk een doorgaande straat met veel auto- en fietsverkeer, waardoor kort parkeren juist voor gevaarlijke situaties kan zorgen. 7.
- Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het verkeersbesluit wel noodzakelijk is. Het college wil met het besluit juist voorkomen dat al het autoverkeer naar en van de scholen aan de voorkant van de scholen parkeert. Hij wil de parkeerdruk spreiden. 7.
- Volgens vaste rechtspraak komt het college beoordelingsvrijheid toe bij het nemen van een verkeersbesluit. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. 7.
- De rechtbank oordeelt dat het college geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsruimte. Uit het verkeersbesluit blijkt dat het besluit het belang van verkeersveiligheid rondom de scholen dient. Het creëren van een veilige situatie voor een school is een duidelijk te dienen belang, zoals genoemd in artikel 2 van de Wvw. 7.
- Dat er mogelijk nog alternatieven zijn aan de voorkant van de scholen betekent niet dat dit verkeersbesluit niet genomen had mogen worden. Het college hoeft namelijk niet de absolute noodzaak van het verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, zoals genoemd in artikel 2 van de Wvw, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke manier deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Is het besluit wat betreft de totstandkoming in strijd met het specialiteits- of het zorgvuldigheidsbeginsel?
- Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met het specialiteits- en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college door toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het intrekkingsbesluit een juridisch onduidelijke constructie heeft gecreëerd. Meer specifiek wijst eiseres erop dat het college artikel 6:19 van de Awb gebruikt voor een situatie waarop het artikel niet ziet. Eiseres vindt dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het college de uniforme voorbereidingsprocedure had moeten volgen. 8.
- Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat hij met het intrekkingsbesluit toepassing heeft gegeven aan artikel 6:19 van de Awb. Als gevolg daarvan heeft hij het bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit in het bestreden besluit betrokken. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij beter had kunnen kiezen voor het nemen van een beslissing op de bezwaren tegen het oorspronkelijke besluit van 24 oktober 2022 op grond van artikel 7:11 van de Awb in plaats van het nemen van een intrekkingsbesluit met toepassing van artikel 6:19 van de Awb. Daar staat volgens het college echter tegenover dat de bezwaren van eiseres wel volledig en integraal zijn beoordeeld. Het college bestrijdt dat hij gehouden was een uniforme voorbereidingsprocedure te volgen en heeft daarover toegelicht dat de gevolgde procedure aan eiseres voldoende rechtsbescherming heeft geboden. 8.
- De rechtbank stelt vast dat de manier waarop het college toepassing heeft gegeven aan artikel 6:19 van de Awb niet gebruikelijk is. Door het nemen van een beslissing op bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 24 oktober 2022 had het college de juridische constructie eenvoudiger kunnen houden. Dat heeft het college op de zitting ook erkend. De rechtbank constateert echter tegelijkertijd dat uit de Memorie van Toelichting bij artikel 6:19 van de Awb blijkt dat toepassing van dit artikel bij het nemen van een intrekkingsbesluit niet in strijd is met de wet. Verder constateert de rechtbank dat eiseres hierdoor ook niet in haar belangen is geschaad. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en het college heeft haar bezwaren volledig en integraal beoordeeld en meegewogen in het bestreden besluit. Eiseres is dus geen rechtsbescherming onthouden. Verder volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat hij niet gehouden was tot het volgen van de uniforme voorbereidingsprocedure. Het bestreden besluit is daarom niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. 8.
- Het beroep op het specialiteitsbeginsel slaagt ook niet. Het specialiteitsbeginsel is neergelegd in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb en houdt in dat een bestuursorgaan slechts de belangen waarvoor de desbetreffende regeling in het leven is geroepen bij zijn afweging mag betrekken. Niet is gebleken dat het college belangen in de afweging heeft betrokken die zij daarbij niet had mogen betrekken. De beroepsgrond slaagt niet. Is het besluit in strijd met de Nota Parkeernormen?
- Eiseres heeft ook aangevoerd dat het college in het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar de Nota Parkeernormen Meierijstad
- Uit de Nota Parkeernormen blijkt namelijk dat deze niet van toepassing is op de bestaande omgeving, maar enkel op nieuwe ontwikkelingen. Het besluit is daarom volgens eiseres onvoldoende zorgvuldig voorbereid. 9.
- Het college heeft niet bestreden dat de Nota Parkeernormen niet van toepassing is op de bestaande situatie. De rechtbank stelt vast dat het college het bestreden besluit ook niet op deze Nota baseert. Het bestreden besluit is op dit punt niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft het college de belangen voldoende zorgvuldig afgewogen?
- Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan het ruimtelijk effect op het woon- en leefklimaat van eiseres. Zo had het college meer onderzoek moeten verrichten naar de geluidseffecten van het besluit. Volgens eiseres heeft het college ten onrechte geen acht geslagen op het rapport van de adviseur van eiseres, Ulehake, van 19 juni 2023, waaruit blijkt dat mogelijk geluidshinder te verwachten is. Eiseres bestrijdt verder het standpunt van het college dat zij op eigen terrein een parkeerplaats heeft, dan wel haar tuin zo kan inrichten dat zij alsnog over een eigen parkeerplaats kan beschikken. Daarnaast voert eiseres aan dat het college onvoldoende acht heeft geslagen op verschillende ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van de woning van eiseres die volgens eiseres tot een toename van de parkeerdruk zullen leiden. Eiseres heeft gewezen op de splitsing van de woning aan de [adres] in zeven appartemensrechten en de daarvoor door het college verleende vergunning. Ook heeft eiseres gewezen op de plannen voor de bouw van appartementen ter hoogte van de woning aan de [adres] en op de opvang van vluchtelingen in de nabije omgeving. Volgens eiseres had het college deze (ruimtelijke) ontwikkelingen in de belangenafweging moeten betrekken. 10.1 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een goede belangenafweging heeft gemaakt. Hij wijst er daarbij op dat hij onderzoek heeft laten doen naar de parkeerdruk in de nabije omgeving. Uit het rapport van dat onderzoek, namelijk het Parkeeronderzoek Schoolomgeving de Wissel van 8 februari 2023 (het onderzoeksrapport), blijkt volgens het college dat ook met de Kiss & Ride-strook aan de [straat] binnen een loopafstand van 100 meter voldoende vrije parkeerplekken zijn. Wat betreft de andere ruimtelijke ontwikkelingen heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van andere ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving niet meegenomen hoeven te worden. Deze ruimtelijke ontwikkelingen moeten volgens het college zelfstandig worden beoordeeld. Daarbij is parkeren op eigen terrein het uitgangspunt. Wat betreft de geluidshinder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het belang van de verkeersveiligheid zwaarder moet wegen dan een eventuele toename van geluidshinder. 10.
- De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het college meer onderzoek had moeten doen naar een eventuele toename van geluidshinder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college afdoende gemotiveerd dat zij geen toename van geluidshinder verwacht en eventuele geluidshinder niet opweegt tegen het belang van de verkeersveiligheid. 10.
- Zoals overwogen in rechtsoverweging 7.2 moet het college inzichtelijk maken op welke manier zij de belangen bij het besluit heeft afgewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij met het verkeersbesluit het belang van verkeersveiligheid nastreeft en dat dit belang voor het college zwaar weegt. Het college heeft echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier de ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van de woning van eiseres en de Kiss & Ride-strook, waar eiseres op heeft gewezen, van invloed zijn op het belang van eiseres om te kunnen parkeren binnen een acceptabele loopafstand. In het onderzoeksrapport zijn deze ontwikkelingen niet betrokken. De enkele stelling van het college dat dit niet nodig was, omdat bij het nemen van dit verkeersbesluit andere ruimtelijke ontwikkelingen niet meegenomen hoeven te worden, volgt de rechtbank niet. Tijdens de zitting heeft het college niet bestreden dat er meerdere ruimtelijke ontwikkelingen gaande zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had het college – gezien deze ontwikkelingen – niet zonder nader onderzoek uit kunnen gaan van de bevindingen in het onderzoeksrapport dat in een straal van 100 meter voldoende vrije parkeerplaatsen zijn. Het had op de weg van het college gelegen om bij het standpunt dat eiseres binnen een acceptabele loopafstand kan parkeren, ook oog te hebben voor deze ontwikkelingen. Door van het onderzoeksrapport uit te gaan, terwijl daarin voornoemde ruimtelijke ontwikkelingen niet zijn betrokken met het oog op de parkeerdruk, heeft het college de belangen van eiseres in onvoldoende mate in de belangenafweging betrokken en heeft het college te eenzijdig gekeken naar het op zich begrijpelijke belang van het bevorderen van de verkeersveiligheid rondom de scholen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 van de Awb. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college een nieuwe belangenafweging moet maken waarbij in het kader van de parkeerdruk ook andere ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden betrokken. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 11.
- De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken. 11.
- Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,– omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 2023; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,– aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,– aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:4
- Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
- De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 6:19
- Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
- Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
- Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
- Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
- De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
- Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Artikel 7:11
- Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
- Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. Wegenverkeerswet 1994 Artikel 2
- De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot: a. het verzekeren van de veiligheid op de weg; b .het beschermen van weggebruikers en passagiers; c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
- De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot: a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer; b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
- De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot: a. het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik; b. het waarborgen van het op juiste wijze in rekening brengen van tarieven voor het gebruik van de weg; c. het gebruik en de waarborging van de juistheid van de registers die ingevolge deze wet worden bijgehouden; d. het voorkomen en bestrijden van fraude; e. de regeling van positie, inrichting en werkwijze, alsmede het uitoefenen van toezicht op zelfstandige bestuursorganen die taken verrichten op het terrein van deze wet.
- De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken ter uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, op het terrein van goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd, in verband met de bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.
- De vaststelling van regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van het bij of krachtens deze wet bepaalde geschiedt in overeenstemming met Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ministers, indien deze regels strekken tot behartiging van de belangen, bedoeld in het tweede dan wel het derde lid. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
- Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 450, nr. 3, p. 37.